Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4951

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
200907244/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2009:BK0023, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam aan de stichting V.O. Amsterdam Zuid (hierna: de stichting) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het, na gedeeltelijke sloop van het bestaande gebouw aan de Jan van Eijckstraat 47 te Amsterdam (hierna: het perceel), veranderen en uitbreiden van dat gebouw, met bestemming daarvan tot schoolgebouw.

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 11
Woningwet
Woningwet 44
Woningwet 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907244/1/H1.

Datum uitspraak: 19 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Buurtvereniging Adama van Scheltemaplein en anderen, gevestigd onderscheidenlijk wonend te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2009 in zaken nrs. 08/3773, 08/3824, 09/324 en 09/365 in het geding tussen:

de vereniging Buurtvereniging Adama van Scheltemaplein en anderen

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam aan de stichting V.O. Amsterdam Zuid (hierna: de stichting) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het, na gedeeltelijke sloop van het bestaande gebouw aan de Jan van Eijckstraat 47 te Amsterdam (hierna: het perceel), veranderen en uitbreiden van dat gebouw, met bestemming daarvan tot schoolgebouw.

Bij besluit van 28 februari 2008 heeft het dagelijks bestuur aan de stichting bouwvergunning tweede fase verleend voor het gedeeltelijk oprichten en veranderen van een gebouw dat vrijkomt na het gedeeltelijk slopen van het gebouw op het perceel met bestemming daarvan tot schoolgebouw.

Bij besluit van 20 maart 2008 heeft het dagelijks bestuur aan de stichting vergunning verleend voor het gedeeltelijk slopen van het gebouw op het perceel ten behoeve van het gedeeltelijk oprichten en veranderen van een gebouw met bestemming daarvan tot schoolgebouw.

Bij besluit van 18 augustus 2008 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, het door vereniging Buurtvereniging Adama van Scheltemaplein, [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] (hierna: de buurtvereniging en anderen) tegen het besluit van 13 november 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering ervan.

Bij besluit van 11 december 2008 heeft het dagelijks bestuur het door de buurtvereniging en anderen tegen het besluit van 20 maart 2008 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd onder toevoeging van een voorwaarde aan de sloopvergunning.

Bij besluit van 11 december 2008 heeft het dagelijks bestuur het door de buurtvereniging en anderen tegen het besluit van 28 februari 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering ervan.

Bij uitspraak van 6 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door de buurtvereniging en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de buurtvereniging en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 oktober 2009.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2010, waar de buurtvereniging en anderen, vertegenwoordigd door mr. B.B. van Vliet, advocaat te Amsterdam, en [appellant D], en bijgestaan door dr. ir. N.P.M. Scholten, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. R. van der Keur en drs. W.P.G. Mulder, beiden werkzaam bij de gemeente, en ing. E. Bijma, werkzaam bij de brandweer Amsterdam-Amstelland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de stichting, vertegenwoordigd door mr. drs. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, en [rector], en bijgestaan door A. van Stigt, architect, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De besluiten hebben betrekking op het schoolgebouw van het St. Ignatiusgynasium dat zich op het perceel bevindt. De sloopvergunning ziet op de gedeeltelijke sloop van het bestaande gebouw en de commandobunker. Het bouwplan ziet op het bouwen van een nieuwe vleugel met 7 lokalen, een kantine en een aula en op het realiseren van een ondergrondse fietsenstalling en een gymnastieklokaal. Met het bouwplan wordt tevens beoogd het gebruik van de dependance aan de Speerstraat overbodig te maken.

2.2. Op de gronden waarop het bouwplan is voorzien rusten ingevolge het bestemmingsplan "Stadion- en Beethovenbuurt 1996" de bestemmingen "Onderwijsvoorzieningen", "Erf" en "Tuinen 1". Het bouwplan is daarmee in strijd. Het dagelijks bestuur heeft voor het bouwplan vrijstelling van het bestemmingsplan verleend krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.2.1. Het hoger beroep is niet gericht tegen de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de handhaving in bezwaar van de sloopvergunning. Ter zitting hebben de buurtvereniging en anderen voorts hun beroepsgrond dat de rechtbank heeft miskend dat de stichting geen belanghebbende is bij de besluiten van 13 november 2007 en 20 maart 2008, ingetrokken.

Ten aanzien van de vrijstelling en bouwvergunning eerste fase

2.3. De buurtvereniging en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de vrijstelling onvoldoende is onderbouwd dat de bouwplannen stedenbouwkundig verantwoord zijn. Zij wijzen in dit verband op het advies van ir. H.H. van Zeeland van 14 oktober 2009, waarin wordt geconcludeerd dat het bouwplan een inbreuk maakt op het zogenoemde plan Zuid van Berlage.

2.3.1. Naar aanleiding van de aanvraag om bouwvergunning heeft het Bureau Monumenten & Archeologie (hierna: BMA) een stedenbouwkundig rapport van 2 februari 2007 uitgebracht waarin wordt opgemerkt dat de karakteristiek van het hoofdgebouw ervaarbaar blijft en dat de school als totaal een verbijzondering is in de stedenbouwkundige structuur. BMA concludeert in het rapport dat vanuit stedenbouwkundige motieven geen bezwaar bestaat tegen het voorgestelde plan. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat de stedenbouwkundige structuur van Plan Zuid is opgebouwd met een aantal structurerende elementen zoals zichtassen, pleinen, brede straten en markante bebouwing. Symmetrie is een belangrijk element in het plan, aldus de ruimtelijke onderbouwing. Voorts is daarin vermeld dat het plan goed aansluit bij de systematiek van het Plan Zuid en niet strijdt met het behoud van de eenheid.

2.3.2. Gelet op deze motivering wordt in het door de buurtvereniging en anderen overgelegde advies van 14 oktober 2009 geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van stedenbouwkundige bezwaren tegen het bouwplan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, hoewel volgens dat advies BMA bedenkingen heeft tegen het bouwplan, BMA niettemin akkoord is gegaan met dat plan. Voorts wordt in het advies van 14 oktober 2009 geconcludeerd dat bij realisering van het plan het naoorlogse stedenbouwkundige idee van bouwen in slanke stroken verkaveling verloren gaat. Nu het Plan Zuid dateert van ruim 20 jaar voor de oorlog en het schoolgebouw ter plaatse het enige naoorlogse gebouw is, luidt deze - ter zitting door appellanten desgevraagd niet nader onderbouwde - conclusie niet tot de gevolgtrekking dat BMA niet kan worden gevolgd.

2.4. De buurtvereniging en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen, omdat een bouwplan met een kleiner bovengronds oppervlak een beter alternatief zou zijn voor het bouwplan.

2.4.1. Dit betoog slaagt niet. Het dagelijks bestuur dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan het project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het dagelijks bestuur aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu het genoemde alternatief niet geschikt is voor de huisvesting van het gewenste aantal leerlingen.

2.5. Voorts betogen de buurtvereniging en anderen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Zij voeren hiertoe, onder verwijzing naar het hiervoor genoemde advies van Van Zeeland van 14 oktober 2009, aan dat het welstandsadvies van 12 juli 2006 op een gebrekkige wijze tot stand is gekomen en innerlijk tegenstrijdig is.

2.5.1. In het advies van 14 oktober 2009 wordt opgemerkt dat de welstandscommissie in haar advies van 12 juli 2006 heeft vermeld dat de Welstandsnota Amsterdam Oud Zuid 2004 voor het desbetreffende gebied geen specifieke criteria geeft en dat zij om aanvullende criteria heeft gevraagd. Volgens het advies van 14 oktober 2009 zijn de in het welstandsadvies genoemde aanvullende criteria - te weten: dat de relatie met de omliggende bebouwing vooral tot uitdrukking moet komen in de bouwhoogte en de afstand tot die woonbebouwing - niet aanvullend voor het desbetreffende gebied, maar zijn dit de criteria uit de welstandnota. De door de commissie in haar advies genoemde en door ambtenaren opgestelde Nota van uitgangspunten kan niet worden beschouwd als een aanvulling op de welstandsnota, aldus het advies van 14 oktober 2009.

2.5.2. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat de Nota van uitgangspunten van 14 februari 2006, die als bijlage 2 bij de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen, op verzoek van de welstandscommissie is opgesteld, maar dat deze nota is bedoeld als stedenbouwkundig kader waarbinnen de welstandscommissie het bouwplan aan de welstandscriteria heeft getoetst. Niet in geschil is dat voor het gebied waar het bouwplan is voorzien slechts algemene welstandscriteria gelden. De welstandscommissie heeft op 12 juli 2006, met inachtneming van de Nota van uitgangspunten, een positief advies uitgebracht over het bouwplan. Gelet hierop is in hetgeen de buurtvereniging en anderen hebben aangevoerd geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat het welstandsadvies zodanige gebreken vertoont dat het dagelijks bestuur zijn oordeel ten aanzien van de welstand daarop niet heeft mogen baseren.

2.6. De buurtvereniging en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van voorbescherming op grond van de Monumentenwet 1988 of de monumentenverordening. Zij voeren hiertoe aan dat de commandobunker thans voorbeschermd is en dat voor het bestaande schoolgebouw aanvragen zijn ingediend voor aanwijzing als rijks- en gemeentelijk monument.

2.6.1. Dit betoog slaagt niet. Ten tijde van het besluit van 18 augustus 2008 was voor het bouwplan geen vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening vereist, zodat de aanvraag niet kon worden geweigerd krachtens artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet. Evenmin was ten tijde van het indienen van de aanvraag om bouwvergunning de bunker dan wel het bestaande schoolgebouw een bouwwerk waarvoor een vergunning is vereist als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988, of waarvoor dat artikel van overeenkomstige toepassing was, zodat de aanvraag om bouwvergunning niet krachtens artikel 54, eerste lid, van de Woningwet, diende te worden aangehouden. Dat de buurtvereniging nadien verzoeken heeft ingediend om de bouwwerken aan te wijzen als gemeentelijke en rijksmonumenten, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat geen sprake was van voorbescherming van de aan de orde zijnde bebouwing op grond van de Monumentenwet 1988 of de desbetreffende monumentenverordening.

Ten aanzien van de bouwvergunning tweede fase

2.7. De buurtvereniging en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bouwvergunning tweede fase in strijd is met het Bouwbesluit 2003.

2.7.1. Zij voeren hiertoe aan dat onvoldoende duidelijk is of aan de vereisten van daglichttoetreding is voldaan als bedoeld in artikel 3.134 van het Bouwbesluit 2003. Zij wijzen ter onderbouwing van dit betoog naar punt 5 van het eerder genoemde advies van Van Zeeland van 14 oktober 2009.

2.7.1.1. In het besluit op bezwaar heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat het voor de toetsing aan artikel 3.134 van het Bouwbesluit 2003 niet nodig is om voor elke ruimte afzonderlijk een daglichtberekening te maken, maar kan worden volstaan met een daglichtberekening voor de meest kritische ruimte, omdat, als die ruimte aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 voldoet, de overige ruimten dat ook doen. Het dagelijks bestuur heeft vermeld dat de architect naar aanleiding van het bezwaar in een e-mailbericht van Cauberg-Huygen van 11 augustus 2008 bij nader inzien een andere ruimte als meest kritisch heeft aangemerkt dan in het aan het primaire besluit ten grondslag gelegde rapport inzake de bouwfysische aspecten van Cauberg-Huygen van 6 december 2007, dat voor die andere ruimte eveneens een berekening is uitgevoerd en dat wordt geconcludeerd dat die ruimte voldoet aan het bepaalde in artikel 3.134 van het Bouwbesluit 2003. In het advies van 14 oktober 2009 wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de als meest kritisch aangemerkte ruimte ten onrechte als zodanig is aangemerkt, aangezien in dat advies wordt ingegaan op hetgeen in het oorspronkelijke rapport van 6 december 2007 is vermeld ten aanzien van de als meest kritisch aan te merken ruimten en niet op hetgeen daarover is vermeld in het e-mailbericht van 11 augustus 2008. De door de stichting overgelegde brief van Caubergh-Huygen van 7 april 2010 is, zoals in de inleiding is vermeld, opgesteld als een nadere reactie op de beroepsgrond en het advies van 14 oktober 2009 en is, anders dan de buurtvereniging en anderen betogen, geen nieuwe daglichtberekening van een andere ruimte die als meest kritische zou zijn aangemerkt.

2.7.2. Voorts is volgens de buurtvereniging en anderen in strijd met artikel 5.14, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003 geen berekening van de energieprestatiecoëfficiënt overgelegd. Zij wijzen in dit verband op het rapport van dr. ir. N.P.M. Scholten van het Expertisecentrum Regelgeving Bouw van 12 oktober 2009, waarin te kennen wordt gegeven dat genoemde bepaling zo moet worden uitgelegd dat voor een nieuw te bouwen gedeelte van een gebouw dat afzonderlijk kan worden beoordeeld de eis als bedoeld in artikel 5:12, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 onverkort van toepassing is.

2.7.2.1. Ingevolge artikel 5.12, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 heeft een gebruiksfunctie een energieprestatiecoëfficiënt van ten hoogste de in tabel 5.11 aangegeven grenswaarde.

Ingevolge artikel 5.14, tweede lid, zijn bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk de artikelen 5.12 en 5.13 niet van toepassing.

2.7.2.2. In de nota van toelichting behorende bij het Bouwbesluit 2003 (Stb. 2001, 410, blz. 299) is het volgende vermeld: "Artikel 4 van de Woningwet geeft expliciet aan dat bij verbouw de nieuwbouwvoorschriften slechts betrekking kunnen hebben op de verbouwing, dus niet op een reeds bestaand deel van het bouwwerk. Bij de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt moet echter het gehele bouwwerk worden betrokken, dus ook de reeds bestaande delen. Om strijd met artikel 4 van de Woningwet te voorkomen, is daarom in het tweede lid bepaald dat bij verbouw geen eisen aan de EPC worden gesteld." Gelet op deze toelichting kunnen de buurtvereniging en anderen niet worden gevolgd in de door hen voorgestane uitleg van artikel 5.14, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003.

2.7.3. De buurtvereniging en anderen voeren voorts aan dat ten onrechte met gebruikmaking van artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 is afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 van de Regeling Bouwbesluit 2003. Volgens hen bevindt artikel 2.166 zich in hoofdstuk 1 van het Bouwbesluit 2003 en behoort de vluchtcapaciteit niet tot de in dat artikel genoemde categorieën. Bovendien mag volgens hen alleen in geval van prestatie-eisen van artikel 1.5 gebruik worden gemaakt, terwijl artikel 2.166 uitsluitend functionele eisen kent.

Voor zover wel met gebruikmaking van artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 mocht worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 van de Regeling Bouwbesluit 2003, dan biedt de door het dagelijks bestuur gehanteerde berekeningswijze van de vluchtcapaciteit niet tenminste dezelfde mate van veiligheid als een berekeningswijze die is gebaseerd op artikel 3.1, aldus de buurtverenging en anderen. Zij wijzen in dit verband op het hiervoor vermelde rapport van 12 oktober 2009.

2.7.3.1. Ingevolge artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 behoeft niet te worden voldaan aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.

Ingevolge artikel 2.166, eerste lid, heeft een te bouwen bouwwerk zodanig ingerichte rookvrije vluchtroutes, dat in geval van brand snel en veilig kan worden gevlucht.

Ingevolge het tweede lid wordt, voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.166 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Ingevolge tabel 2.166 is voor de onderwijsfunctie, voor zover thans van belang, artikel 2.173 van toepassing.

Ingevolge artikel 2.173 heeft een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een opvangcapaciteit en een doorstroomcapaciteit, die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

Ingevolge artikel 3.1 van de Regeling Bouwbesluit 2003 heeft een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert afhankelijk van de oppervlakte van de daarop aangewezen ruimten en van de bezettingsgraadklasse van die ruimten een zodanige opvang- en doorstroomcapaciteit dat in geval van brand snel en veilig kan worden gevlucht. Daarbij kan rekening worden gehouden met gefaseerde ontruiming.

2.7.3.2. Artikel 2.166 bevindt zich in hoofdstuk twee van het Bouwbesluit 2003. Voorts is in de nota van toelichting behorende bij het Bouwbesluit 2003 (Stb. 2001, 410, blz. 231) ten aanzien van artikel 2.166 het volgende vermeld: "De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:", waarna een opsomming van de korte inhoud van de artikelen 2.167 tot en met 2.174 volgt. Uit het voorgaande volgt dat artikel 1.5 van toepassing is op artikel 2.166. Niet valt in te zien dat vluchtcapaciteit niet onder artikel 2.166 valt, nu dit artikel, evenals artikel 2.173, is opgenomen in Afdeling 2.19 inrichting van rookvrije vluchtroutes. De opvang- en doorstroomcapaciteit als vermeld in artikel 2.173 ziet derhalve op de capaciteit van vluchtroutes.

2.7.3.3. In het besluit van 11 december 2008 heeft het dagelijks bestuur, onder verwijzing naar het door de brandweer onderschreven rapport van Caubergh-Huygen van 27 februari 2008, zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan voorziet in een zodanige opvang- en doorstroomcapaciteit dat in geval van brand snel en veilig kan worden gevlucht. In dat rapport is, anders dan zoals in artikel 3.1 van de Regeling Bouwbesluit 2003 is vereist, niet op grond van de oppervlakte van de daarop aangewezen ruimten en van de bezettingsgraadklasse van die ruimten, maar op basis van het maximaal aantal personen dat feitelijk gelijktijdig gebruik maakt van het gebouw, tot die conclusie gekomen. Ter zitting is door de stichting toegelicht dat niet alle ruimtes in de school tegelijkertijd in gebruik zijn, dat niet alle lokalen altijd volledig gevuld zijn met 33 personen, dat de gemiddelde klas 26 leerlingen telt en dat om die reden is uitgegaan van een bezettingsgraad van 80%, hetgeen een maximum aantal van 871 personen oplevert. In het rapport van 27 februari 2008 is dan ook uitgegaan van een feitelijk maximum van 871 personen. In het besluit van 11 december 2008 heeft het dagelijks bestuur voorts vermeld dat in de vereiste gebruiksvergunning dat maximum aantal toe te laten personen zal worden vastgelegd. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat inmiddels ingevolge het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken een gebruiksmelding is vereist, waaraan die nadere voorwaarde zal worden verbonden. De buurtvereniging en anderen kunnen voorts niet worden gevolgd in hun betoog dat voor de bepaling van de opvang- en doorstroomcapaciteit had moeten worden uitgaan van NEN-norm 6089, nu deze norm nog slechts een ontwerp is en niet vastgesteld en voorts artikel 2.173 van het Bouwbesluit 2003 noch artikel 3.1 van de Regeling Bouwbesluit 2003 vereisen dat aan deze norm wordt voldaan.

Onder deze omstandigheden is in het door de buurtvereniging en anderen aangevoerde geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur toepassing heeft kunnen geven aan de gelijkwaardigheidsbepaling van artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003.

2.7.4. Hetgeen hiervoor onder 2.7.1.1 tot en met 2.7.3.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht het besluit van 11 december 2008 niet in strijd met het Bouwbesluit 2003 heeft geacht.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010

488.