Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
200903439/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2009 heeft het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke milieudienst Beek-Nuth-Stein aan de vereniging Modelvliegtuigclub Thermiek '58 een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het uitoefenen van modelvliegen op een perceel gelegen aan de Baarsgrubbenweg ong., kadastraal bekend gemeente Nuth, sectie G nummer 0127. Dit besluit is op 9 april 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2010/76
JOM 2010/550
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903439/1/M1

Datum uitspraak:12 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek, gevestigd te Schinnen,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], en anderen,

4. IVN-afdeling Spau-Beek, gevestigd te Sweikhuizen, gemeente Schinnen,

en

het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke milieudienst

Beek-Nuth-Stein,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2009 heeft het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke milieudienst Beek-Nuth-Stein aan de vereniging Modelvliegtuigclub Thermiek '58 een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het uitoefenen van modelvliegen op een perceel gelegen aan de Baarsgrubbenweg ong., kadastraal bekend gemeente Nuth, sectie G nummer 0127. Dit besluit is op 9 april 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2009, [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2009, en IVN-afdeling Spau-Beek (hierna: het IVN) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2009, beroep ingesteld. Bij brief van 8 juni 2009 heeft de Milieugroep de gronden van het beroep aangevuld. Bij brief van 17 juni 2009 heeft het IVN de gronden van het beroep aangevuld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De Milieugroep, [appellant sub 3] en anderen, Thermiek '58 en de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor de Luchtvaart (hierna: KNVvL) en het dagelijks bestuur hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2010, waar de Milieugroep, vertegenwoordigd door C.M.A. Maase en mr. L. Duijvestijn, het IVN, vertegenwoordigd door J.H.G. Frenken, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door J.F.H.P. Kusters en L.M.M. van den Akker, beiden werkzaam bij de intergemeentelijke milieudienst Beek-Nuth-Stein, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Thermiek '58, vertegenwoordigd door mr. drs. D.G. Schouwman, advocaat te Veenendaal, vergezeld door ir. R.A. Metkemeijer en dr. B.N. Swanenburg, en vertegenwoordigd door C.P.J.M. Köhlen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid van de Milieugroep en het IVN

2.1. Ter zitting is van de zijde van Thermiek '58 betoogd dat de Milieugroep en het IVN niet-ontvankelijk zijn in hun beroep, omdat uit de stukken niet duidelijk is geworden op welke specifieke gronden zij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kunnen worden aangemerkt.

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.2. Artikel 2, aanhef en onder d, van de statuten van de Milieugroep vermeldt als doel: "Het bevorderen van de instandhouding en verbetering van de natuur- en landschapsecologische waarden en van het milieu in het algemeen te Schinnen en omgeving."

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de Milieugroep, na haar oprichting in 1990, in 1996 in de statuten haar doel heeft aangepast en dat zij zich inmiddels ook op de omgeving, met name het centraal plateau, waar de inrichting zich bevindt, is gaan richten. De Milieugroep is ook in het betreffende gebied gevestigd en is nauw betrokken bij de verdere ontwikkeling van het gebied en de directe omgeving. De Milieugroep heeft in het afgelopen jaar twee voorlichtingsbijeenkomsten gehouden en wordt door de verschillende overheden als gesprekspartner voor het betreffende gebied gezien.

Gelet op de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden kan naar het oordeel van de Afdeling de Milieugroep als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, in samenhang met het eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

2.1.3. Artikel 3f van de statuten van het IVN vermeldt als doel: "daadwerkelijk mee te werken aan de bescherming van de natuur, het landschap en het milieu".

Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat het IVN wandelingen met gidsen door het betrokken gebied verzorgt, dat het IVN probeert het gebied onder de aandacht van het publiek te brengen en dat er vergaderingen van werkgroepen worden gehouden. Verder is het IVN betrokken bij het landschapsbeheer en het onderhoud en bij de verdere ontwikkeling en herinrichting van het betreffende gebied.

Gelet op de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden kan naar het oordeel van de Afdeling het IVN als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, in samenhang met het eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van [appellant sub 2]

2.2. [appellant sub 2] woont op het adres [locatie] te [woonplaats] op een afstand van meer dan 2.000 meter tot de inrichting. Gelet hierop acht de Afdeling het niet aannemelijk, mede in aanmerking genomen dat er boven het circuit wordt gevlogen, dat de vergunde vliegactiviteiten milieugevolgen hebben ter plaatse van zijn woning. Gezien het vorenstaande is het belang van [appellant sub 2] niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit en is hij geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van [appellant sub 2] is derhalve niet-ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van [appellant sub 3] en anderen

2.3. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur verklaard geluidmetingen te hebben verricht op het perceel [locatie] te [woonplaats] van [appellant sub 3]. Op dat perceel zijn de vliegactiviteiten weliswaar soms enigszins hoorbaar, maar niet meer meetbaar volgens het dagelijks bestuur. Gelet hierop acht de Afdeling het niet aannemelijk, mede in aanmerking genomen dat er boven het circuit wordt gevlogen, dat de vergunde vliegactiviteiten milieugevolgen hebben ter plaatse van de op grotere afstand van de inrichting gelegen percelen dan het perceel [locatie]. Gezien het vorenstaande is het belang van de [40 appellanten], naar het oordeel van de Afdeling niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit en zijn zij geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is wat deze indieners betreft derhalve niet-ontvankelijk.

Zienswijze [appellant sub 3] en anderen

2.4. Ter zitting is van de zijde van Thermiek '58 betoogd dat [appellant sub 3] en anderen niet-ontvankelijk zijn in hun beroep, voor zover dit betrekking heeft op het aspect tonaal karakter van geluid van modelvliegtuigen met turbine-/straalmotoren en het toepassen van een straffactor.

2.4.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht.

Dit artikel moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/2004, 29421, nr. 3, blz. 5 e.v. en Kamerstukken II 2004/2005, 29421, nr. 11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten over dat onderdeel geen zienswijze naar voren te hebben gebracht.

2.4.2. De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat de zienswijze van [appellant sub 3] en anderen mede betrekking heeft op het onderdeel geluid, zodat de beroepsgrond over het aspect tonaal karakter van geluid daarin zijn grondslag vindt. Er bestaat dan ook geen aanleiding het beroep op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4.3. Uit de stukken blijkt verder dat [2 appellanten] geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren hebben gebracht. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant sub 3] en anderen voor zover ingediend door [2 appellanten] niet-ontvankelijk is.

Procedure

2.5. Volgens [appellant sub 3] en anderen had de gemeente Schinnen bij de vergunningverlening betrokken moeten worden. De gemeente Nuth heeft ten aanzien van de ingediende zienswijze verwezen naar het dagelijks bestuur. Volgens [appellant sub 3] en anderen wordt hierdoor de mogelijkheid ontnomen bezwaar (en beroep) op het punt van de gevolgde procedures aan te tekenen op grond van de Awb.

[appellant sub 3] en anderen merken verder op dat voor het vergroten van de startbaan een aanvraag voor een bouwvergunning door de gemeente Nuth in overleg met de gemeenten Beek en Schinnen in behandeling had moeten worden genomen, met gelegenheid tot mede-inspraak van de inwoners van deze gemeenten. Volgens appellanten is het dagelijks bestuur op dit punt niet bevoegd.

2.5.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in de gevallen als bedoeld in het tweede, derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, kan bij de regeling een openbaar lichaam worden ingesteld. Het openbaar lichaam is rechtspersoon.

Ingevolge het tweede lid kan in daarvoor bijzonder in aanmerking komende gevallen bij de regeling, in plaats van een openbaar lichaam, een gemeenschappelijk orgaan worden ingesteld.

Ingevolge het derde lid kan in de regeling worden bepaald dat daarin omschreven bevoegdheden van bestuursorganen of van ambtenaren van aan de regeling deelnemende gemeenten worden uitgeoefend door bestuursorganen, onderscheidenlijk door ambtenaren van een der deelnemende gemeenten.

2.5.2. In de considerans van het bestreden besluit overweegt het dagelijks bestuur dat de gemeente Nuth op basis van artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van haar wettelijke taak op grond van de Wet milieubeheer heeft overgedragen aan de intergemeentelijke milieudienst Beek-Nuth-Stein. Het vlieggebied is behalve boven het grondgebied van de gemeente Nuth ook gedeeltelijk gelegen boven het grondgebied van de gemeente Schinnen. Uit de stukken blijkt dat de inrichting in hoofdzaak (onder andere de start- en landingsbaan en het clubgebouw) is gelegen in de gemeente Nuth. Om deze redenen acht het dagelijks bestuur zich ten aanzien van de onderliggende aanvraag het voor de vergunningverlening bevoegde gezag. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het dagelijks bestuur, mede de hiervoor gegeven argumentatie in aanmerking nemend, zijn bevoegdheid om het onderhavige besluit te nemen in voldoende mate gemotiveerd.

Het dagelijks bestuur heeft de verlenging met 20 meter van de aanwezige landingsbaan van 60 meter meegenomen in de besluitvorming ten aanzien van het onderhavige besluit. Of met het oog op de beoogde verlenging al dan niet een bouwvergunning is vereist, is niet bepalend voor het kunnen verlenen van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Niet is gebleken dat [appellant sub 3] en anderen zijn beperkt in hun mogelijkheden om op grond van de Awb rechtsmiddelen aan te wenden ten aanzien van het onderhavige besluit.

Deze beroepsgronden falen.

Geluid

2.6. De Milieugroep en het IVN voeren aan dat de geluidoverlast veroorzaakt door de thans vergunde situatie niet mag toenemen ten opzichte van de huidige reeds bestaande situatie. Om die reden zou een geluidnulmeting moeten worden uitgevoerd. De Milieugroep en het IVN menen dat gebruikers van de wandelpaden langdurig geluidhinder ondervinden van de inrichting. Vanwege het hinderlijke geluid van modelvliegtuigen met turbine-/straalmotoren zouden deze vliegtuigen niet mogen worden toegestaan.

[appellant sub 3] en anderen stellen dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de omwonenden, omdat de overlast onvoorspelbaar is en omdat het beperkt aantal toegestane evenementen juist geconcentreerd zal zijn in de warme maanden en in de weekeinden.

Ten aanzien van het akoestisch rapport behorende bij de aanvraag plaatsen [appellant sub 3] en anderen een aantal kanttekeningen. Zo is naar hun mening ten onrechte geen straffactor toegepast voor modelvliegtuigen met turbine-/straalmotoren en wordt betwijfeld of het gehanteerde bronvermogen van deze motoren juist is. Bij de dichtstbijzijnde woningen zijn geen geluidmetingen verricht en bij de berekeningen ontbreekt een correctie voor de windrichting. Ten slotte is naar de mening van [appellant sub 3] en anderen geen rekening gehouden met cumulatieve effecten van Awacs-vliegtuigen en vliegtuigen van Maastricht-Aachen-Airport.

2.6.1. In voorschrift 2.2 is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), van het door de modelvliegtuigen verspreide geluid, alsmede veroorzaakt door andere activiteiten op het terrein, gemeten in de meterstand "fast" ter plaatse van de dichtstbijzijnde gevel van de woning [locatie 1] respectievelijk [locatie 2], niet meer mag zijn dan:

- 40 dB(A) respectievelijk 45 dB(A) tussen 09.30 uur en 19.00 uur (dagperiode);

- 35 dB(A) respectievelijk 40 dB(A) tussen 19.00 uur en 21.00 uur (avondperiode).

In voorschrift 2.3 is bepaald dat het maximale geluidniveau (LAmax), gemeten in de meterstand "fast", van het door de modelvliegtuigen verspreide geluid, alsmede veroorzaakt door andere activiteiten op het terrein ter plaatse van de dichtstbijzijnde gevel van de woning [locatie 1] respectievelijk [locatie 2], niet meer mag zijn dan:

- 60 dB(A) respectievelijk 65 dB(A) tussen 09.30 uur en 19.00 uur (dagperiode);

- 55 dB(A) respectievelijk 60 dB(A) tussen 19.00 uur en 21.00 uur (avondperiode).

In voorschrift 2.6 is bepaald dat het bronvermogen van een door een modelvliegtuig verspreid geluidniveau op 7 meter naast het vliegtuig loodrecht op de vliegrichting niet meer mag zijn dan:

- 2-4 takt motoren: 80 dB(A), behoudens bij evenementen 86 dB(A);

- turbine-/straalmotoren: 92 dB(A).

In voorschrift 2.9 is bepaald dat onverminderd het bepaalde in de voorschriften 2.2, 2.3 en 2.6 voor modelvliegtuigen het volgende geldt:

1. er mag uitsluitend worden gevlogen tussen 09.30 uur en 21.00 uur, met dien verstande dat tussen 20.00 uur en 21.00 uur alleen gevlogen mag worden met zweef- en electromodellen;

2. bij de beoordeling van het geluidniveau van de modelvliegtuigen met 2-takt motoren moet een strafcorrectiefactor van 5 dB worden toegepast vanwege het tonale karakter van het geluid;

3. tussen 09.30 uur en 11.00 uur en 19.00 uur en 20.00 uur mag maximaal met twee op brandstof aangedreven modelvliegtuigen worden gevlogen;

4. tussen 11.00 uur en 19.00 uur mag, behoudens tijdens evenementen, met maximaal vier op brandstof aangedreven modelvliegtuigen gelijktijdig worden gevlogen;

5. indien wordt gevlogen met een turbine-/straalmotor aangedreven modelvliegtuig mogen géén andere modelvliegtuigen in de lucht zijn; bij evenementen mag maximaal met twee turbine-/straalmotoren gelijktijdig worden gevlogen en mogen géén andere modelvliegtuigen in de lucht zijn.

In alle gevallen behoudens punt 5, kan onbeperkt met zweef- en electromodellen worden gevlogen.

Ingevolge voorschrift 2.11 kan van de gestelde geluidgrenswaarden in de voorschriften 2.2 en 2.3 van deze vergunning voor het houden van ten hoogste drie evenementen per jaar, te weten twee meetings (zonder publiek) en één vliegshow (met publiek), inclusief modelvliegtuigen met turbine-/ straalmotoren, worden afgeweken, te weten:

het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), van het door de modelvliegtuigen verspreide geluid, alsmede veroorzaakt door andere activiteiten op het terrein mag, gemeten in de meterstand "fast", ter plaatse van de dichtstbijzijnde gevel van de woning [locatie 1] respectievelijk [locatie 2], niet meer zijn dan:

- 46 dB(A) respectievelijk 51 dB(A) tussen 09.30 uur en 19.00 uur (dagperiode);

- 41 dB(A) respectievelijk 46 dB(A) tussen 19.00 uur en 21.00 uur (avondperiode),

en

het maximale geluidniveau (LAmax), gemeten in de meterstand "fast", van het door de modelvliegtuigen verspreide geluid, alsmede veroorzaakt door andere activiteiten op het terrein mag ter plaatse van de dichtstbijzijnde gevel van de woning [locatie1] respectievelijk [locatie 2] niet meer zijn dan:

- 66 dB(A) respectievelijk 70 dB(A) tussen 09.30 uur en 19.00 uur (dagperiode);

- 61 dB(A) respectievelijk 66 dB(A) tussen 19.00 uur en 21.00 uur (avondperiode).

In voorschrift 2.15 is bepaald dat van de onder 2.11 genoemde evenementen tenminste zes weken van te voren schriftelijk melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag, onder vermelding van plaats, datum, duur en soort activiteit. Het bevoegd gezag kan regels stellen voor:

- de duur van de activiteit, maximaal 2 dagen aaneengesloten;

- de data;

- het gedrag tijdens de activiteiten of een verbod op bepaalde activiteiten.

2.6.2. Uit de stukken blijkt dat het dagelijks bestuur voor de beoordeling van de geluidbelasting vanwege de inrichting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt heeft genomen.

Wat het langtijdgemiddelde geluidniveau betreft is voor de maatgevende woning [locatie 2], vanwege de ligging van deze woning aan een doorgaande verkeersweg, een berekening van het wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hiermee is aansluiting gezocht bij het referentieniveau van het ter plaatse van deze woning heersende omgevingsgeluid. Op grond daarvan is voor deze woning een grenswaarde van 45 dB(A) als etmaalwaarde aanvaardbaar geacht. Doordat de maatgevende woning [locatie 1] is gelegen aan een weg met lage verkeersintensiteiten in een landelijke omgeving, heeft het dagelijks bestuur in overeenstemming met de Handreiking voor deze woning een richtwaarde van 40 dB(A) als etmaalwaarde aanvaardbaar geacht. De voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in voorschrift 2.2 toegestane geluidgrenswaarden zijn daarmee afgestemd op de in de Handreiking aanbevolen richtwaarden dan wel het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid en bieden mitsdien voldoende waarborgen tegen geluidhinder. In verband hiermee is het verlangen van een door de Milieugroep en het IVN gewenst uit te voeren geluidnulmeting niet relevant en niet noodzakelijk.

Wat het maximale geluidniveau betreft heeft het dagelijks bestuur in voorschrift 2.3 grenswaarden toegestaan die blijven onder de in de Handreiking aanbevolen maximale grenswaarde van 70 dB(A) als gevolg waarvan ook in dit opzicht voldoende waarborgen tegen geluidhinder wordt geboden, waaronder de door [appellant sub 3] en anderen gevreesde onvoorspelbaarheid van geluid vanwege de inrichting.

Met de op grond van de voorschriften 2.2 en 2.3 in combinatie met voorschrift 2.9 vergunde geluidgrenswaarden bestaan naar het oordeel van de Afdeling ook ten aanzien van het vliegen met modelvliegtuigen met turbine-/straalmotoren voldoende waarborgen tegen geluidhinder. Hierin bestond voor het dagelijks bestuur dan ook geen aanleiding het gebruik van modelvliegtuigen met turbine-/straalmotoren niet toe te staan.

Wat de door [appellant sub 3] en anderen bedoelde cumulatieve effecten van Awacs-vliegtuigen en vliegtuigen van Maastricht-Aachen-Airport betreft overweegt de Afdeling dat de Handreiking, die door het dagelijks bestuur in dit geval als beoordelingskader is gehanteerd, voorziet in de cumulatie van geluidhinder vanwege de inrichting en de geluidbelasting vanwege andere geluidbronnen. De reeds aanwezige, door andere bronnen veroorzaakte geluidbelasting komt tot uitdrukking in het referentieniveau van het omgevingsgeluid en is als zodanig betrokken bij de grenswaarden die met betrekking tot de onderhavige inrichting zijn gesteld. Het dagelijks bestuur heeft dit dan ook op juiste wijze bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag om vergunning betrokken.

Deze beroepsgronden falen.

2.6.3. Wat het door [appellant sub 3] en anderen gestelde ondervinden van geluidhinder door wandelaars in het gebied rond de inrichting betreft kan uit de Handreiking worden afgeleid dat in de meeste gevallen kan worden volstaan met het stellen van geluidgrenswaarden ter plaatse van geluidgevoelige bouwwerken. Uit de considerans van het bestreden besluit blijkt dat het dagelijks bestuur als uitgangspunt heeft gehanteerd dat bescherming tegen geluidhinder dient te worden geboden aan geluidgevoelige objecten. Dit uitgangspunt is niet in strijd met het recht. Het dagelijks bestuur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is nadere voorschriften te stellen in verband met de tijdelijke aanwezigheid van wandelaars in het gebied rond de inrichting.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6.4. Dat evenementen vooral plaatsvinden in de zomerperiode en in de weekeinden is geen aspect waarmee in de Handreiking rekening wordt gehouden. Het dagelijks bestuur heeft hiermee in het kader van de beoordeling van de aanvraag dan ook in redelijkheid geen rekening behoeven te houden.

Uit voorschrift 2.11 volgt dat ten hoogste drie evenementen per jaar mogen worden gehouden (twee zonder publiek en één vliegshow met publiek). Ingevolge voorschrift 2.15 kan het bevoegd gezag regels stellen voor de duur van het evenement, zijnde maximaal twee dagen aaneengesloten, waarop hogere geluidgrenswaarden zijn toegestaan dan ingevolge de voorschriften 2.2 en 2.3 voor de inrichting gelden. De bij het bestreden besluit verleende vergunning staat Thermiek '58 toe tweedaagse evenementen te organiseren. De Handreiking hanteert als uitgangspunt dat het per ontheffing van de geldende geluidvoorschriften voor de representatieve bedrijfssituatie steeds gaat om één, aaneengesloten, periode van maximaal een etmaal. Volgens het dagelijks bestuur in haar zienswijze van 14 december 2009 zou Thermiek '58 in de systematiek van de Handreiking in dat geval voor die twee dagen twee afzonderlijke meldingen moeten doen. Uit praktische overwegingen is gekozen voor de mogelijkheid tot het doen van één melding voor een ontheffing van maximaal twee dagen, zijnde de duur van één evenement.

Naar het oordeel van de Afdeling is de uitleg van het dagelijks bestuur van de voorschriften 2.11 en 2.15 in het licht van de Handreiking aanvaardbaar. Hierbij is van belang dat het op jaarbasis om maximaal zes dagen gaat waarop hogere geluidgrenswaarden zijn toegestaan dan ingevolge de voorschriften 2.2 en 2.3 voor de inrichting gelden.

Ter zitting heeft het dagelijks bestuur erkend dat de formulering in voorschrift 2.15 niet geheel correct is, omdat het woord "aaneengesloten" kan betekenen dat evenementen van twee dagen met een dag ertussen in zouden kunnen worden georganiseerd, hetgeen gelet op voorschrift 2.15 niet de bedoeling is. Het bestreden besluit verdraagt zich op dit punt niet met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Deze beroepsgrond slaagt en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Wel ziet de Afdeling aanleiding om op verzoek van het dagelijks bestuur en Thermiek '58 voorschrift 2.15 zelfvoorziend aan te passen, in die zin dat het woord "aaneengesloten" wordt vervangen door het woord "opeenvolgend".

2.6.5. Wat de door [appellant sub 3] en anderen ten aanzien van het akoestisch rapport geplaatste kanttekeningen betreft overweegt de Afdeling het volgende. Volgens het deskundigenbericht zou nader onderzocht moeten worden of bij het vliegen met modelvliegtuigen met een turbine-/straalmotor sprake is van een bij de ontvanger duidelijk hoorbaar tonaal karakter van het geluid als gevolg waarvan overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (hierna: de Handleiding) een straffactor dient te worden toegepast. Volgens Thermiek '58, in haar zienswijze van 15 december 2009, behoeft voor modelvliegtuigen met een turbine-/straalmotor geen straffactor te worden toegepast, omdat het geluid daarvan geen tonaal karakter vertoont. Thermiek '58 verwijst hiervoor naar een bij de zienswijze gevoegde notitie van ir. R.A. Metkemeijer en dr. B.N. Swanenburg van 7 december 2009. De notitie geeft een weergave van uitgevoerde metingen naar tonaal karakter van geluid veroorzaakt door 2-taktmotoren en turbine-/ straalmotoren van in de inrichting toegepaste modelvliegtuigen. Hieruit blijkt dat anders dan bij 2-taktmotoren, bij turbine-/ straalmotoren van tonaal karakter van het geluid niet kan worden gesproken.

Ter zitting is deze beoordeling nader toegelicht en door [appellant sub 3] en anderen niet weersproken. De in de notitie toegepaste benadering en gemaakte beoordeling komen de Afdeling niet onjuist voor.

Gelet op het voorgaande heeft het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat het vliegen met modelvliegtuigen met turbine-/straalmotoren in het onderhavige geval niet leidt tot tonaal geluid waarvoor krachtens de Handleiding een straffactor geldt. Deze beroepsgrond faalt.

2.6.6. De van modelvliegtuigen met turbine-/straalmotoren gemeten bronvermogens zijn in voorschrift 2.6 vastgelegd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting bestaat er naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat hierbij onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd. De door [appellant sub 3] en anderen geuite twijfel is daartoe onvoldoende. Deze beroepsgrond faalt.

2.6.7. Zoals in het deskundigenbericht (blz. 14) terecht is opgemerkt en van de zijde van het dagelijks bestuur en Thermiek '58 ter zitting is bevestigd, is het in het onderhavige geval goed mogelijk de bij de te beschermen woningen optredende geluidimmissieniveaus te bepalen op grond van de bronvermogens door middel van modelberekeningen. Dit hoeft naar het oordeel van de Afdeling niet door metingen ter plaatse van deze woningen te worden vastgesteld. Uit het in dit verband uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat daarbij rekening is gehouden met windrichtingen. Deze beroepsgrond faalt.

2.6.8. Op grond van de beschikbare gegevens is voldoende aannemelijk dat de vergunde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. Hiertoe overweegt de Afdeling het volgende. In het deskundigenbericht (blz. 14) is opgemerkt dat het akoestisch rapport behorende bij de aanvraag geen inzicht biedt of met de aangevraagde bedrijfssituatie kan worden voldaan aan de opgelegde geluidgrenswaarden. Volgens het deskundigenbericht zou een vertaalslag van de gemaakte berekeningen naar de aangevraagde bedrijfsvoering ontbreken en zouden de gemaakte indicatieve berekeningen slechts een aantal voorbeelden laten zien. Uit de notitie van ir. R.A. Metkemeijer en dr. B.N. Swanenburg van 9 december 2009, gevoegd als bijlage bij de zienswijze van Thermiek '58 van 15 december 2009 op het deskundigenbericht, blijkt echter dat de voorschriften van de vergunning in combinatie met het akoestisch rapport wel degelijk voldoende duidelijk inzicht geven in de naleefbaarheid van de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden. In de notitie is voldoende duidelijk uiteengezet op welke wijze de beoordeling van de geluidemissie van de modelvliegtuigen in de praktijk zal plaatsvinden en op welke wijze een en ander door middel van een ingevolge voorschrift 2.1 in de inrichting bij te houden logboek wordt verzekerd. Ter zitting heeft dr. B.N. Swanenburg dit nader toegelicht. [appellant sub 3] en anderen hebben de juistheid hiervan niet weersproken. De Afdeling ziet in hetgeen hierover naar voren is gebracht geen aanleiding aan de juistheid ervan te twijfelen. Deze beroepsgrond faalt.

Veiligheid

2.7. De Milieugroep en het IVN geven aan dat het gebied waarbinnen gevlogen mag worden niet in het terrein is gemarkeerd. Het overschrijden van de grenzen van het gebied geeft naar hun mening een zeer onveilige situatie, zeker bij het vliegen met de snelle modelvliegtuigen met turbine-/straalmotoren. Dit soort vliegtuigen zouden dan ook om deze reden niet toegestaan mogen worden. De gebruikers van de Onderste Heerenweg, die het vlieggebied doorkruist, zijn voor de bestuurders van modelvliegtuigen niet zichtbaar.

[appellant sub 3] en anderen stellen dat paarden en wandelaars kunnen schrikken door de vliegactiviteiten. Het is onmogelijk om vanaf het vliegterrein eventuele wandelaars in het gebied en op de holle wegen te zien. Verder is er naar hun mening onvoldoende rekening mee gehouden dat bij calamiteiten modelvliegtuigen met turbine-/straalmotoren - vanwege hun hoge snelheid - ver buiten de toegestane vliegruimte kunnen komen.

[appellant sub 3] en anderen merken nog op dat in het recente verleden een vliegtuig is neergestort. Volgens hen bestaat er grote onduidelijkheid over wie bevoegd is om toe te zien op de veiligheid, de burgemeester of het dagelijks bestuur. Voorts hebben [appellant sub 3] en anderen twijfel of de veiligheid wordt vergroot door de voorschriften 6.4 en 6.6.

2.7.1. In voorschrift 2.10 is bepaald dat het circuit, waarbinnen de modelvliegtuigen zich mogen bevinden, is beperkt tot een straal van 350 meter gemeten vanaf het midden van het vliegterrein ten noorden van de Baarsgrubbenweg, zoals aangegeven op de bij de aanvraag behorende circuittekening.

In voorschrift 6.3 is bepaald dat in de nabijheid van personen die niet bij het vliegen zijn betrokken niet wordt gevlogen. De vlieghoogte buiten het vliegterrein bedraagt steeds 25 meter, het opstijgen en landen/ noodlanden niet inbegrepen.

In voorschrift 6.4 is bepaald dat de bestuurder van een modelvliegtuig dit slechts in het luchtruim mag gebruiken indien:

- de constructie van het vliegtuig zodanig is dat de kans op een persoonlijk ongeval, als gevolg van defect of losraken van enig onderdeel, tijdens de vlucht verwaarloosbaar klein kan worden geacht;

- het vliegtuig is voorzien van naam, adres, postcode en woonplaats van de eigenaar;

- deze bestuurder daartoe in staat kan worden geacht.

In voorschrift 6.6 is bepaald dat de bestuurder ervoor moet zorgen dat tijdens de vlucht het modelvliegtuig;

- enig in het luchtruim bevindende toestel niet zo dicht nadert dat gevaar voor botsing kan ontstaan;

- niet boven een mensenverzameling komt.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat de bescherming van personen of zaken op het aardoppervlak tegen gevaren tengevolge van het luchtverkeer primair plaatsvindt in het kader van de Wet luchtvaart. Voor zover het de aanvullende bescherming in het kader van de Wet milieubeheer betreft, overweegt de Afdeling als volgt. Volgens het deskundigenbericht is het vlieggebied in de vergunning beperkt (voorschrift 2.10). Voorts geldt een minimale vlieghoogte van 25 meter buiten het vliegterrein (voorschrift 6.3). Vanaf het vliegterrein is goed zicht op de grenzen van het vlieggebied en kan een goede inschatting worden gemaakt van de omvang van het vlieggebied. De vliegsnelheid van modelvliegtuigen met een turbine-/straalmotor is zodanig reguleerbaar, dat bij normaal gebruik deze vliegtuigen niet buiten het toegestane vlieggebied behoeven te komen. Wandelaars en/of ruiters, die gebruik willen maken van de Onderste Heerenweg, worden bij de grens van het vlieggebied door middel van een waarschuwingsbord gewezen op eventuele modelvliegactiviteiten. De Afdeling acht het op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk dat het voorgeschreven vlieggebied niet in acht zou kunnen worden genomen of niet handhaafbaar zou zijn. Het dagelijks bestuur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften een voldoende waarborg bieden voor de veiligheid en dat zich niet zodanige veiligheidsrisico’s voor personen of zaken voordoen als gevolg van neerstortende modelvliegtuigen dat daarom de vergunning moest worden geweigerd of nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden. Voor de openbare orde en veiligheid is de burgemeester van Nuth verantwoordelijk. Deze beroepsgronden falen.

Natuur

2.8. De Milieugroep en het IVN menen dat het onderzoek van Ecologisch Adviesbureau Faunaconsult naar de effecten van modelvliegtuigen op broedvogels niet voldoet, omdat het gebaseerd is op oude vogelinventarisatiegegevens. Nieuw onderzoek is naar hun mening nodig om vast te kunnen stellen in welke mate vogels hinder ondervinden. Appellanten menen dat verstoringsgevoelige vogels ook een kans moeten krijgen om in dit gebied te broeden. Dit geldt zeker ten aanzien van de vliegevenementen.

[appellant sub 3] en anderen stellen dat het plateau waarop de inrichting zich bevindt grote landschappelijke en ecologische waarden heeft vanwege de direct omliggende holle wegen, de aanwezige dassenburchten, de ecologische hellingen en de beschermde dorpsgezichten. De vergunde vliegactiviteiten zouden daaraan afbreuk doen. Verder geven zij aan dat het in het kader van de vergunningaanvraag uitgevoerde ecologisch onderzoek gebaseerd is op verouderde gegevens.

2.8.1. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.4 is bepaald dat in het broedseizoen van 15 maart tot 15 juli maximaal 4 onafgebroken dagen niet mag worden gevlogen. Indien met een bepaald vliegtuigtype in het broedseizoen gedurende 5 dagen achter elkaar niet is gevlogen, dan wordt de rest van het broedseizoen niet meer met het betreffende type gevlogen.

2.8.2. Volgens het deskundigenbericht (blz. 15) veroorzaakt het vliegterrein en het vliegen met modelvliegtuigen vanaf dit terrein geen aantasting van de bestaande landschappelijke waarden van het gebied.

De Afdeling overweegt dat de gestelde vrees voor schade aan flora en fauna vanwege de inrichting primair aan de orde dient te komen in het kader van de beoordeling of een ontheffing krachtens de Flora- en faunawet is vereist en, zo ja, of deze kan worden verleend. In het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer is slechts ruimte voor een aanvullende toets.

Volgens de considerans van het bestreden besluit ligt de inrichting niet in de nabijheid van een Vogel- en Habitatrichtlijngebied of een gebied dat beschermd is onder de Natuurbeschermingswet 1998. Reeds hierom is toetsing aan de gebiedsbeschermende bepalingen van de Habitatrichtlijn niet aan de orde. Voor zover het de aanvullende beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer betreft, heeft het dagelijks bestuur zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich niet zodanig nadelige gevolgen voordoen voor de door de Milieugroep, het IVN en [appellant sub 3] en anderen naar voren gebrachte diersoorten dat daarom de vergunning moet worden geweigerd of nadere voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.

2.8.3. Het dagelijks bestuur heeft voorschrift 2.4 aan de vergunning verbonden in navolging van een door Ecologisch Adviesbureau Faunaconsult in maart 2007 uitgevoerd onderzoek. In het onderzoek zijn vogelinventarisatiegegevens uit 1995 gehanteerd om indicatief te bepalen welke broedvogels in de directe omgeving van de inrichting te vinden zijn.

In het onderzoek van Faunaconsult is geconcludeerd dat bij regelmatige verstoring verstoringsgevoelige vogels uit het vlieggebied zullen vertrekken voordat ze eieren hebben gelegd. Minder verstoringsgevoelige vogels blijven volgens het onderzoek in het territorium en brengen er, ondanks de verstoring, succesvol jongen groot. In verband met de bescherming van de mogelijke aanwezigheid van de door de Milieugroep, het IVN en [appellant sub 3] en anderen genoemde gele kwikstaart en de veldleeuwerik in de directe omgeving van de inrichting heeft het dagelijks bestuur mede op basis van het onderzoek van Faunaconsult voorschrift 2.4 aan de vergunning verbonden. De naleving van voorschrift 2.4 moet verzekeren dat een onderbreking van het vliegen van één, twee, drie of vier dagen in het broedseizoen voor deze vogels geen gevolgen heeft. Bij een onderbreking van vijf dagen of meer mag er gedurende de rest van het broedseizoen niet meer worden gevlogen. Hierbij merkt de Afdeling op dat onduidelijk is waarom de woorden "een bepaald vliegtuigtype" in dit voorschrift zijn opgenomen. Met dit voorschrift wordt getracht een mogelijk conflict met de Flora- en faunawet (verstoring van vogelnesten) te voorkomen, maar wordt verstoring van het potentiële broedgebied in feite geaccepteerd.

Het bestreden besluit verdraagt zich op dit punt niet met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Deze beroepsgrond slaagt en het bestreden besluit dient wat voorschrift 2.4 betreft te worden vernietigd.

Handhaving

2.9. [appellant sub 3] en anderen stellen dat het dagelijks bestuur niet bevoegd en deskundig is voor adequate handhaving van de vergunning. Daarbij menen zij dat het niet juist is dat de modelvliegtuigclub zichzelf controleert door middel van het bijhouden van een logboek en het uitvoeren van geluidmetingen. Verder menen zij dat een overschrijding van het vlieggebied niet is te controleren.

De Milieugroep betoogt dat in de voorschriften dient te worden bepaald hoe vaak het logboek door het dagelijks bestuur dient te worden gecontroleerd.

2.9.1. Het dagelijks bestuur heeft Thermiek '58 op grond van het bepaalde in artikel 8.12a, derde lid, van de Wet milieubeheer opgedragen zelf geluidmetingen te (laten) verrichten. Het bestreden besluit geeft concreet en eenduidig aan hoe deze metingen moeten worden uitgevoerd. De aanwezige logboeken geven informatie over onder meer de vliegtijden, de type toestellen waarmee wordt gevlogen en de meetresultaten van het voorgeschreven bronvermogen van de modelvliegtuigen. De omvang van het toegestane vlieggebied is concreet aangegeven. Eventuele overtredingen op dit punt zijn vanaf de landwegen ter plaatse goed vast te stellen. In het licht van de naleving van de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften is het aan het dagelijks bestuur te beoordelen hoe vaak het het nodig acht de in de inrichting aanwezige logboeken te raadplegen. Verder kan het dagelijks bestuur zo nodig gebruik maken van zijn bevoegdheid zelf geluidmetingen te verrichten.

Gelet hierop bestaat er naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de naleving van de vergunning onvoldoende is verzekerd. Voor zover appellanten twijfelen aan de naleving richt zich dit niet tegen de rechtmatigheid van het besluit. [appellant sub 3] en anderen en de Milieugroep staan rechtsmiddelen ter beschikking om de naleving zo nodig bij het bevoegd gezag af te dwingen.

Deze beroepsgrond faalt.

Verkeer

2.10. De Milieugroep en het IVN geven aan dat ten onrechte geen voorschriften zijn opgenomen die de verkeersoverlast van bezoekers tijdens evenementen regelen.

2.10.1. Volgens het deskundigenbericht (blz. 22) is eventuele parkeeroverlast voor passerend (landbouw)verkeer op de Baarsgrubbenweg alleen te verwachten bij evenementen (incidentele bedrijfssituatie). Evenementen mogen maximaal drie keer per jaar worden georganiseerd. Als reactie op de bevinding in het deskundigenbericht wordt in de zienswijze van Thermiek '58 van 15 december 2009 opgemerkt dat parkeerhinder tijdens evenementen zich in het verleden nooit heeft voorgedaan en dat op grond van voorschrift 2.15 door het bevoegd gezag regels kunnen worden gesteld ten aanzien van het gedrag tijdens evenementen of het verbod op bepaalde activiteiten, zodat eventuele parkeeroverlast zo nodig kan worden beteugeld. Van de zijde van het dagelijks bestuur is hierover in de zienswijze van 14 december 2009 opgemerkt dat het parkeren op de rond de inrichting gelegen doorgaande landwegen niet is toegestaan en dat in het geval van evenementen met toestemming van de eigenaar een terrein in de nabijheid van de inrichting als parkeerplaats kan worden ingericht.

De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat in de mogelijke parkeeroverlast als gevolg van evenementen voor het dagelijks bestuur geen grond hoefde te bestaan de vergunning te weigeren dan wel op dit punt aanvullende voorschriften aan de vergunning te verbinden. Deze beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.11. De beroepen van de Milieugroep, het IVN en [appellant sub 3] en anderen, voor zover ontvankelijk, zijn gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] is niet-ontvankelijk.

Proceskostenveroordeling

2.12. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [40 appellanten];

III. verklaart de beroepen van de Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek, de IVN-afdeling Spau-Beek en [appellant sub 3] en anderen, behalve van de onder I genoemde appellanten, gedeeltelijk gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke milieudienst Beek-Nuth-Stein van 25 maart 2009, voor zover het de voorschriften 2.4 en 2.15 betreft;

V. bepaalt dat voorschrift 2.15 als volgt komt te luiden:

"Van de onder 2.11 genoemde evenementen wordt tenminste zes weken van te voren schriftelijke melding gedaan aan het bevoegd gezag, onder vermelding van plaats, datum, duur en soort activiteit. Het bevoegd gezag kan regels stellen voor:

- de duur van de activiteit, maximaal 2 dagen opeenvolgend;

- de data;

- het gedrag tijdens de activiteiten of een verbod op bepaalde activiteiten.";

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 25 maart 2009;

VII. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VIII. gelast dat het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke milieudienst Beek-Nuth-Stein aan de Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt;

IX. gelast dat het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke milieudienst Beek-Nuth-Stein aan de IVN-afdeling Spau-Beek het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt;

X. gelast dat het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke milieudienst Beek-Nuth-Stein aan [appellant sub 3] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: eenhonderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010

159-379.