Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
200902210/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een agrarisch bedrijf aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 27 februari 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Wet geurhinder en veehouderij 3
Wet geurhinder en veehouderij 5
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 38K
Milieurecht Totaal 2010/1771
TBR 2010/147 met annotatie van P.A.M. van Hoef
JOM 2010/518
JM 2010/109 met annotatie van Bokelaar
OGR-Updates.nl 10-76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902210/1/M2.

Datum uitspraak: 12 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een agrarisch bedrijf aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 27 februari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] (hierna: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 27 april 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom en A. Hartman, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. W.P.N. Remie, advocaat te Tilburg, en ing. J. Rockx, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor een agrarisch bedrijf met 2.160 vleesvarkens. Deze vleesvarkens worden gehouden in een nieuw te bouwen stal met een gecombineerde luchtwasser.

2.2. Ter zitting heeft [appellant] de beroepsgronden over de vergunningplicht in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, het niet kunnen voldoen aan de emissiegrenswaarden voor zwevende deeltjes, het ten onrechte niet stellen van geluidnormen voor de winkel aan de [locatie 2] en de impliciete weigering van de vergunning in verband met het reguleren van het toerental van de ventilatoren, ingetrokken.

2.3. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant], voor zover dit betrekking heeft op het stellen van te ruime geluidgrenswaarden en het ten onrechte niet aan de revisievergunning verbinden van controlevoorschriften, niet-ontvankelijk is, omdat ten aanzien van deze aspecten geen zienswijze naar voren is gebracht.

2.3.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten.

2.3.2. [appellant] heeft een zienswijze naar voren gebracht over het aspect geluid. De hierboven genoemde beroepsgronden hebben eveneens betrekking op dit aspect, zodat het beroep in zoverre, anders dan het college stelt, wel ontvankelijk is.

2.4. [appellant] voert aan dat verlening van de vergunning in strijd is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder), omdat niet wordt voldaan aan de in dit artikel vereiste afstand van 25 meter van de buitenzijde van een tot de inrichting behorend dierenverblijf tot de buitenzijde van het dichtstbijzijnde geurgevoelige object. [appellant] wijst in dit verband op de volgens hem op minder dan 25 meter afstand van de inrichting gelegen winkel aan de [locatie 2]. Deze winkel is volgens [appellant] ten onrechte niet aangemerkt als een geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de winkel aan de [locatie 2] niet is aan te merken als een geurgevoelig object, aangezien het exploiteren van een winkel ter plaatse van de [locatie 2] in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens het college is het gebouw aan de [locatie 2] op grond van het bestemmingsplan bestemd als, niet bij de inrichting behorende, bedrijfswoning. Ter zitting heeft het college gesteld dat het gelet op de ligging en de beperkte grootte van de winkel aannemelijk is, dat de winkel niet iedere dag gedurende een vaste tijdseenheid van enkele uren is bemand, maar alleen wordt bemand wanneer zich een klant meldt.

2.4.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder bedraagt onverminderd de artikelen 3 en 4 de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder wordt onder een geurgevoelig object verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

2.4.3. Vaststaat dat wanneer de winkel aan de [locatie 2] dient te worden aangemerkt als een geurgevoelig object in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder, niet kan worden voldaan aan de op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder aan te houden vereiste afstand van 25 meter van de buitenzijde van de winkel tot de buitenzijde van een tot de inrichting behorend dierenverblijf.

2.4.4. Ten aanzien van de vraag of de winkel aan de [locatie 2] als geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder dient te worden aangemerkt, overweegt de Afdeling als volgt.

Gezien de in artikel 1 van de Wet geurhinder gegeven definitie, is allereerst van belang of het gebouw bestemd en geschikt is voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3 blz. 16 e.v.) blijkt dat met de term "bestemd" wordt bedoeld dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf.

Daarnaast geldt de eis dat het gebouw permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen en of verblijf dient te worden gebruikt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat alleen bescherming tegen langdurige blootstelling aan geurhinder is beoogd (Kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3 p. 16 ev. en nr. 19). Uit de tekst noch uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat, als een gebouw permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen en of verblijf wordt gebruikt, dit slechts als geurgevoelig object kan worden aangemerkt als de vorm van feitelijk wonen of verblijf met het bestemmingsplan overeenstemt.

2.4.5. Nu niet in geschil is dat het gebouw aan de [locatie 2] op grond van het bestemmingsplan de functie bedrijfswoning heeft, kan ervan worden uitgegaan dat dit gebouw bestemd is voor menselijk wonen of verblijf als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder. Voorts is niet in geschil dat het gebouw geschikt is voor menselijk wonen of verblijf als bedoeld in dat artikel.

In geschil is de vraag of de winkel gedurende zes dagen per week gedurende een vaste tijdseenheid van enkele uren is bemand. Alleen bij bevestigende beantwoording van die vraag is de winkel aan te merken als een geurgevoelig object in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder.

[appellant] heeft ter zitting gesteld dat de winkel zes dagen per week van 09.00 uur tot 18.00 uur is geopend. Het college heeft ter zitting verklaard dat er gezien de ligging en de beperkte grootte van de winkel van moet worden uitgegaan dat de winkel niet gedurende zes dagen per week gedurende een vaste tijdseenheid van enkele uren is bemand. Het college heeft echter verklaard dat het niet daadwerkelijk heeft onderzocht of die veronderstelling juist is. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

De beroepsgrond slaagt.

2.5. [appellant] voert aan dat het verlenen van de vergunning met toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder in strijd is met richtlijn 2008/1/EG (hierna: IPPC-richtlijn). Hiertoe merkt [appellant] op dat het op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder is toegestaan dat een nieuwe installatie een ernstige verontreiniging veroorzaakt. Dit is volgens [appellant] in strijd met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de IPPC-richtlijn op grond waarvan verontreinigingen dienen te worden voorkomen. Daarnaast stelt [appellant] zich op het standpunt dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat verlening van de vergunning mogelijk is met toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder. Volgens [appellant] wordt niet voldaan aan de in dit artikel vereiste afname van de geuremissie. Voorts is volgens [appellant] de woning [locatie 3] ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling van de geuremissie vanwege de inrichting.

2.5.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object hoger is dan op grond van dit lid is toegestaan.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder wordt indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, een vergunning verleend voor wijziging van het aantal dieren, voor zover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.

In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de IPPC-richtlijn is als algemeen beginsel vermeld dat een installatie zo moet worden geëxploiteerd dat geen belangrijke verontreiniging wordt veroorzaakt. In het tweede lid is verduidelijkt dat het voor de naleving van het eerste lid voldoende is dat de lidstaten ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten bij de vaststelling van de vergunningvoorwaarden rekening houden met dat beginsel.

2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld bij uitspraak van 18 maart 2009 in zaak nr. 200800463/1 is het gegeven dat een installatie (een inrichting) een verontreiniging veroorzaakt van de omgeving op zichzelf geen reden om vergunningverlening in strijd met de IPPC-richtlijn te achten. Er is voorts geen grond voor het oordeel dat de in artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder neergelegde keuze van de wetgever, wat betreft de toelaatbare geurbelasting in gevallen waarop dit artikel ziet, zich niet verdraagt met de IPPC-richtlijn.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.5.3. Aan het bestreden besluit ligt een door Van Dun Advies B.V. opgesteld geurrapport ten grondslag van 25 februari 2008, dat is gewijzigd op 22 juli 2008, en een door het college uitgevoerde aanvullende berekening van 5 mei 2008. Blijkens het bestreden besluit is de geurbelasting ter plaatse van de winkel aan de [locatie 2] hoger dan is toegestaan op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder. Uit het bestreden besluit blijkt voorts dat de toename van de geurbelasting ter plaatse van de winkel aan de [locatie 2] minder bedraagt dan de helft van de geurreductie die wordt bewerkstelligd door het toepassen van de geurreducerende maatregelen in de reeds vergunde situatie. Dit betekent blijkens het bestreden besluit dat op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder in afwijking van het eerste lid verlening van de vergunning is toegestaan.

2.5.4. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat wordt voldaan aan de op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder vereiste geurreductie. Ter zitting is voorts gebleken, dat de bij de berekening van de geuremissie gehanteerde beoordelingspunten ter plaatse van de winkel aan de [locatie 2], zich dichter bij de emissiepunten van de inrichting bevinden dan de woning [locatie 3]. Nu ter plaatse van die beoordelingspunten kan worden voldaan aan de op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder vereiste reductie van de geurbelasting, is het college er terecht van uitgegaan dat de geurbelasting op de woning aan de [locatie 2]a niet meer bedraagt dan is toegestaan op grond van de Wet geurhinder.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte niet met toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning voorschriften heeft verbonden ter verdere beperking van de geurhinder. Volgens hem was daar in dit geval aanleiding toe, gezien de overbelaste situatie wat het aspect geur betreft.

2.6.1. In het bestreden besluit is opgemerkt dat de uitbreiding van de capaciteit van de inrichting wat de geurhinder betreft wordt gecompenseerd door het nemen van de volgende maatregelen: het wegdoen van dieren, het verplaatsen van het emissiepunt van de stal en het nemen van technische maatregelen. Deze technische maatregelen bestaan uit het toepassen van een gecombineerd luchtwassysteem met waterwasser, chemische wasser en biofilter, waardoor een emissiereductie van 70% wordt bewerkstelligd.

2.6.2. Gelet op hetgeen in het bestreden besluit is opgemerkt, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanvullende voorschriften als bedoeld in artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning behoefden te worden verbonden.

De beroepsgrond faalt.

2.7. Nu het geuraspect bepalend is voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De gestelde kosten voor het door een deskundige gegeven advies over het bestreden besluit wat betreft het aspect geluid worden daarbij niet begrepen, aangezien geen deskundigenverslag is ingebracht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen van 17 februari 2009, kenmerk RE.642.08;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshondervierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010

407-578.