Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4182

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
200907925/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3011, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden, voor zover hier van belang, onder voorwaarden een monumentenvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het restaureren en wijzigen van de indeling van het pand [locatie] in [plaats].

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907925/1/H2.

Datum uitspraak: 12 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 september 2009 in zaken nrs. 08/5790 en 08/8452 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden, voor zover hier van belang, onder voorwaarden een monumentenvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het restaureren en wijzigen van de indeling van het pand [locatie] in [plaats].

Bij uitspraak van 2 september 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk (lees: ongegrond) verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij fax, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij fax van 10 november 2009.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. R.H. Dormeier, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.S. van der Spek en ing. J.W. van Rooden, werkzaam bij de gemeente Leiden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 is het verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge het tweede lid is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

2.2. Het pand aan de Apothekersdijk 37 te Leiden is een beschermd monument als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Monumentenwet 1988 en is eigendom van [vergunninghouder]. Bij besluit van 23 juni 2008 is de aanvraag van [vergunninghouder] van 20 december 2007 om een monumentenvergunning voor het restaureren en wijzigen van de indeling van het woon-winkelpand naar een horecagelegenheid met bovenwoning grotendeels ingewilligd. Voor twee onderdelen, die hier verder niet van belang zijn, is de vergunning geweigerd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 23 juni 2008 onzorgvuldig is genomen dan wel dat sprake is van belangenverstrengeling. [appellant] voert hiertoe - kort samengevat - aan dat de aan de vergunning ten grondslag gelegde bouwhistorische notitie van het bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Leiden is gekleurd, omdat deze is opgesteld door Maarten Enderman, de broer van de architect van de vergunninghouder, Michiel Enderman. [appellant] stelt dat de gemeente Leiden de opdracht tot het schrijven van deze notitie te meer niet aan Maarten Enderman had mogen geven, omdat Michiel Enderman destijds een belangrijke opdracht uitvoerde voor de gemeente Leiden. Michiel Enderman heeft via zijn broer Maarten Enderman die werkte voor de gemeentelijke dienst Monumentenzorg en Archeologie en via zijn betrokkenheid bij die dienst als uitvoerder van een opdracht, invloed kunnen uitoefenen op de bouwhistorische notitie. Daarnaast kon Michiel Enderman invloed uitoefenen op de advisering van de Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten (hierna: RACM), omdat hij meerdere jaren heeft gewerkt bij de RACM, aldus [appellant].

2.3.1. Het college heeft het besluit van 23 juni 2008 gebaseerd op de adviezen van de RACM en de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: de ARK). De RACM heeft in het advies van 15 januari 2008 over de aanvraag van [vergunninghouder] voor het restaureren en wijzigen van de indeling van het woon-winkelpand naar een horecagelegenheid met bovenwoning een negatief advies gegeven over het verwijderen van het gevelschilderwerk door middel van wervelreiniging. Voor de overige werkzaamheden heeft de RACM positief geadviseerd, mits de opmerkingen uit het advies worden meegenomen. De ARK heeft een positief advies gegeven over de aanvraag, nadat het bouwplan was aangepast ten aanzien van de muurdammen in de kelder, het raam naar de nieuwe keuken en het dakraam. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de adviezen van de ARK en de RACM op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen dan wel anderszins zodanige gebreken vertonen dat het college daarop niet had mogen afgaan. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat Maarten Enderman die ten behoeve van het advies van de ARK een bouwhistorische notitie heeft opgesteld, zich daarbij heeft laten leiden door het belang van de aanvrager bij verlening van de monumentenvergunning of een persoonlijk belang had bij het besluit tot vergunningverlening. Voorts is uit hetgeen [appellant] heeft aangevoerd niet gebleken dat er overigens omstandigheden zijn op grond waarvan zou moeten worden vastgesteld dat sprake is van strijd met artikel 2:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht of dat zich de schijn van vooringenomenheid voordoet. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het besluit van 23 juni 2008 in zoverre op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

2.4. Voorzover [appellant] heeft aangevoerd dat door het werken met een aanvraag in twee fasen de procedure is vertroebeld, doordat bij het bouwplan fase 2, dat tegelijkertijd is ingediend, wijzigingen zijn aangebracht op het bouwplan fase 1, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de bouwplannen in deze fasen niet onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Bovendien is de aanvraag voor het oorspronkelijke bouwplan in fase 2 door [vergunninghouder] ingetrokken. De rechtbank heeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over fase 2 dan ook terecht buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van het aan de orde zijnde bouwplan fase 1. Wat betreft dit bouwplan is de rechtbank terecht uitgegaan van de gewijzigde bouwtekening van 10 juni 2009, zoals goedgekeurd door het college bij besluit van 2 juli 2009. Daarmee is de bij het besluit van 23 juni 2008 verleende monumentenvergunning gewijzigd. Hierdoor wordt de bestaande situatie in de noordelijke gevel (de achtergevel) van het monument met het geblindeerde opkamerraam gehandhaafd. Aan de binnenzijde wordt slechts een voorzetwand geplaatst. De verlenging van de vloer, waardoor de als vide aangeduide ruimte verdwijnt, blijft naar ter zitting door het college is bevestigd, wel onderdeel uitmaken van fase 1. Dat het raamkozijn van [appellant] op deze tekening te klein is ingetekend, zoals hij stelt, leidt er niet toe dat van deze tekening geen gebruik mocht worden gemaakt, nu dit geen betrekking heeft op het pand van [vergunninghouder] waarvoor de monumentenvergunning is verleend.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de verbouwing in strijd is met artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Monumentenwet 1988. [appellant] voert hiertoe aan dat door het dichtbouwen van de vide, het monument van een oorspronkelijk 17e/18e-eeuws, karakteristiek rechthoekig, hoekhuis, met aan de noordzijde een plaatsje, verandert in een pand met een uitbouw van twee bouwlagen zonder plaatsje. Voorts voert hij aan dat het ombouwen van de ruimte onder de overkapping van het plaatsje tot een bedrijfsruimte van twee bouwlagen, het monument verstoort en de woonsituatie declasseert. [appellant] stelt tevens dat de ruimte boven de overkapping niet geschikt is voor de afvoer van de lucht van de toiletten.

2.5.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de door de rechtbank vermelde uitspraak van 10 oktober 2007 in zaak nr. 200702559/1 komt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Monumentenwet 1988 naar voren dat bij het verlenen van een vergunning op grond van artikel 11 in het concrete geval de belangen van een aanvrager dienen te worden afgewogen tegen de belangen van het beschermd monument (Kamerstukken II 1986/87, 19 881, nr. 3, p. 20). Het belang van een belendend monument valt daar niet onder. Hetgeen [appellant] over zijn belangen en die van de aanliggende woningen heeft aangevoerd kan dan ook, wat daar ook van zij en daargelaten of dit geheel betrekking heeft op de in fase 1 voorziene aanpassingen van het pand, bij het afwegingskader van deze monumentenvergunning geen rol spelen. Het college heeft zich in navolging van de adviezen van de RACM en de ARK op het standpunt kunnen stellen dat het restaureren en wijzigen van de indeling van het pand, als voorzien in het aan de orde zijnde bouwplan fase 1, geen of een geringe aantasting van de monumentale waarde van het pand betekent, zodat het daarvoor in redelijkheid een monumentenvergunning heeft kunnen verlenen. [appellant] heeft de adviezen van de RACM en de ARK niet met een rapport van een eveneens ter zake deskundige bestreden. Een louter bouwkundig advies over de situatie ter plaatse, zoals door [appellant] in de loop van de procedure is overgelegd, is daartoe onvoldoende.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010

18-630.