Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4180

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
200905930/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2006 heeft het college aan [vergunninghoudster], gevestigd te [plaats], bouwvergunning verleend voor het oprichten van drie appartementengebouwen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/508
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905930/1/H1.

Datum uitspraak: 12 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging van eigenaars appartementengebouw Heuvellaan 11, gevestigd te Hilversum (hierna: de VVE),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2009 in zaken nrs. 07/3025, 08/149 en 07/2569 in het geding tussen:

de VVE

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilversum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2006 heeft het college aan [vergunninghoudster], gevestigd te [plaats], bouwvergunning verleend voor het oprichten van drie appartementengebouwen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 juni 2007 heeft het college het door de VVE daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en besloten een vrijstellingsprocedure op te starten als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

Bij besluit van 30 november 2007 heeft het college vrijstelling verleend voor de bouw van drie appartementengebouwen op het perceel.

Bij uitspraak van 3 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door de VVE daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de VVE bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 september 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghoudster] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij brief van 2 februari 2010 heeft de VVE nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2010, waar de VVE, vertegenwoordigd door mr. J. Rutgers, en het college, vertegenwoordigd door J. van Nes, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. drs. K.D. Meersma, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door G.W.J. van Sprang, bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te 's-Hertogenbosch, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het - reeds gerealiseerde - bouwplan voorziet in het oprichten van drie appartementengebouwen, de gebouwen A, B en C, met in totaal vijftien woningen en een ondergrondse parkeergarage.

2.2. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Noordwestelijk Villagebied" de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 12, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 11, aanhef, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat het bouwvlak volledig mag worden bebouwd met een hoofdgebouw, tenzij op de kaart een bebouwingspercentage in het bouwvlak is opgenomen. In dat geval wordt de maximale oppervlakte bepaald door het aangegeven percentage van het bouwvlak.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 20, wordt onder bouwvlak verstaan: een aaneengesloten, op de kaart aangegeven oppervlakte waarop ingevolge de bepalingen van dit bestemmingsplan in ieder geval hoofdgebouwen zijn toegelaten.

Ingevolge het bepaalde onder 25, wordt onder bebouwingspercentage verstaan: het als zodanig op de plankaart aangegeven getal dat aangeeft het totale toegestane grondoppervlak van het hoofdgebouw binnen de bouwgrenzen, uitgedrukt in procenten van het bouwvlak.

Ingevolge het bepaalde onder 24, wordt onder bouwgrens verstaan: de grens van een bouwvlak, die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze voorschriften toegelaten afwijkingen.

2.3. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Om verwezenlijking ervan mogelijk te maken heeft het college bij besluit van 30 november 2007 vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend. Deze vrijstelling maakt, voor zover hier van belang, de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte voor de gebouwen B en C en overschrijding van het maximaal toegestane bebouwingspercentage voor gebouw C mogelijk.

2.4. De VVE heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij de hoger beroepsgronden, voor zover deze zijn gericht tegen de verleende vrijstelling ten aanzien van de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte, intrekt.

2.5. De VVE betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de dikke lijn die op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart de grens van het bouwvlak aangeeft, tot het bouwvlak behoort. Volgens de VVE moet bij de berekening van het oppervlak van het bouwvlak worden uitgegaan van het midden van de dikke lijn en wordt het daarin maximaal toegestane bebouwingspercentage dientengevolge met 4,7% overschreden.

2.5.1. Op de plankaart is ter plaatse van het gebouw C het bouwvlak aangegeven met een dikke lijn met daarin een bebouwingspercentage van 65%. De rechtbank heeft, door te overwegen dat deze dikke lijn tot het bouwvlak behoort, een juiste uitleg gegeven aan het begrip "bouwvlak" als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 20, van de planvoorschriften. De grens van het bouwvlak wordt blijkens het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder 24, van de planvoorschriften gevormd door de bouwgrens. Uit de definitiebepaling van dit begrip volgt dat overschrijding van het bouwvlak pas plaats vindt indien de bebouwing de bouwgrens overschrijdt. Hieruit volgt dat de lijn van het bouwvlak mee moet worden genomen bij de vaststelling van de oppervlakte van het bouwvlak. De Afdeling wijst in dit verband nog op haar uitspraak van 24 december 2003 in zaak nr. 200303177/1. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de door de VVE genoemde uitspraken van de Afdeling van 24 augustus 2005, in zaaknr. 200406818/1, en van de rechtbank Arnhem van 15 januari 2004, LJN AO3154, in dit kader niet van belang zijn, nu in de eerste uitspraak op dit aspect slechts zijdelings wordt ingegaan en in de tweede uitspraak de rechtbank het antwoord op de voor deze zaak relevante vraag in het midden laat. Het beroep op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 28 november 2000, LJN AA8959, baat de VVE evenmin, reeds omdat in het daarin aan de orde zijnde bestemmingsplan geen bepalingen met betrekking tot het meten van een bouwvlak waren opgenomen.

2.5.2. Uitgaande van het oppervlak van het bouwvlak, inclusief de op de plankaart getekende lijn, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het bouwplan voor wat betreft gebouw C, het maximaal toelaatbare bebouwingspercentage met 2,7 m2, met andere woorden 0,6%, overschrijdt. Het betoog faalt.

2.6. De VVE betoogt terecht dat de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over de in beroep aangevoerde gronden dat is gehandeld in strijd met het in artikel 3:3 van de Awb opgenomen verbod van détournement de pouvoir, dat het bouwplan voor wat betreft de gebouwen B en C in strijd is met de in artikel 10, vierde lid, van de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen en dat in het besluit op bezwaar niet is ingegaan op het bezwaar met betrekking tot welstand. De VVE betoogt voorts terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op de in beroep aangevoerde grond dat in het besluit op bezwaar niet op alle punten van bezwaar is gereageerd. Het betoog leidt echter om het hiernavolgende niet tot het daarmee beoogde doel.

2.6.1. In beroep is betoogd dat het college geen gebruik meer kon maken van de vrijstellingsprocedure en door dat toch te doen handelt in strijd met artikel 3:3 van de Awb omdat ten tijde van het opstarten hiervan de bouw van de appartementengebouwen reeds ver was gevorderd en de procedure enkel wordt gebruikt om schade te beperken.

Voor dit oordeel bestaat geen grond. Dat het college heeft overwogen dat het belang van [vergunninghoudster] om de in aanbouw zijnde gebouwen af te bouwen zwaarder weegt dan de belangen van omwonenden, maakt niet dat het college zijn bevoegdheid voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De enkele omstandigheid dat het college het belang van de afbouw zwaarder laat wegen, brengt niet mee dat het louter om schade te voorkomen vrijstelling heeft verleend, omdat - blijkens de ruimtelijke onderbouwing - een goede ruimtelijke ordening zich niet tegen oprichting van het bouwplan verzet. De aard van de bezwarenprocedure brengt met zich dat het college aan de primaire besluitvorming klevende gebreken kan herstellen. Voorts verzet artikel 19, tweede lid, van de WRO noch enige andere wettelijke regeling zich er tegen dat vrijstelling wordt verleend voor een project dat grotendeels is gerealiseerd.

2.6.2. In artikel 10, vierde lid, van de planvoorschriften is opgenomen dat nieuwbouw van appartementengebouwen binnen beschermde stadsgezichten mogelijk is, mits wordt voldaan aan een aantal uitgangspunten. Eén van die uitgangspunten is dat het gebouw een individueel onderdeel van het villagebied is (geen herhaling van identieke gebouwen). Ingevolge het eerste lid, geldt het gestelde in het vierde lid als toetsingskader bij de beoordeling van bouwaanvragen.

Het betoog van de VVE dat de gebouwen B en C identiek zijn faalt, reeds omdat de gebouwen gespiegeld zijn.

2.6.3. In beroep is door de VVE aangevoerd dat het college in het besluit op bezwaar niet is ingegaan op haar bezwaar dat het college niet zonder motivering het stempeladvies van de commissie voor welstand en monumenten mocht overnemen. De VVE voert terecht aan dat in het besluit op bezwaar hier ten onrechte geen overwegingen aan zijn gewijd, maar het betoog leidt niet tot het hiermee beoogde doel, nu het college mocht volstaan met een enkele verwijzing naar het advies van deze commissie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont en dat de VVE niet gemotiveerd heeft aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

2.6.4. In beroep is voorts aangevoerd dat het college niet op alle gronden van bezwaar is ingegaan. In bezwaar is onder meer aangevoerd dat het vertrouwens-, het evenredigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden, dat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid.

Het betoog mist feitelijke grondslag. In de ruimtelijke onderbouwing en in de zienswijzennota van 8 oktober 2007, die allebei deel uitmaken van het vrijstellingsbesluit, heeft een belangenafweging plaatsgevonden, is het vrijstellingsbesluit gemotiveerd en is ingegaan op het door de VVE gestelde omtrent het vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel.

2.7. De VVE betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van een schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Zij voert in dit kader aan dat het college heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel.

2.7.1. Het betoog faalt. De Afdeling wijst in dit verband allereerst naar hetgeen hiervoor onder 2.6.1 is overwogen. Voor zover de VVE stelt dat zij mocht afgaan op verschillende mededelingen door ambtenaren van de gemeente dat ten behoeve van het bouwplan geen bomen zouden worden gekapt, waaraan zij de verwachting heeft ontleend dat het bouwplan op een andere plaats zou worden verwezenlijkt, heeft het college niet betwist dat dergelijke mededelingen zijn gedaan. De VVE heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan zij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college geen vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen op de locatie waar het bouwplan is gerealiseerd. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat nooit een ander bouwplan in procedure is geweest.

2.8. Het betoog van de VVE dat de rechtbank heeft miskend dat een eerlijke rechtsgang als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) ernstig is belemmerd door onzorgvuldig handelen van het college, slaagt niet. Nu de VVE de volgens haar onzorgvuldige handelswijze van het college in beroep en hoger beroep bij de bestuursrechter naar voren heeft kunnen brengen, bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 6 van het EVRM is geschonden.

2.9. De VVE betoogt tot slot tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het kappen van bomen op het perceel buiten de omvang van het geding valt. Dat deze bomen zonder aanlegvergunning zijn gekapt, wat daar ook van zij, maakt niet dat daarmee de bouwvergunning onrechtmatig is, nu dit geen weigeringsgrond oplevert als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010

414-604.