Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4177

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
200904507/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. voor 553 woningen en één opvangtehuis voor gehandicapten in de geluidzone van de Havenspoorlijn te Rozenburg hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting op grond van de Wet geluidhinder vastgesteld. Dit besluit is op 25 mei 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 1
Wet geluidhinder 110a
Besluit geluidhinder
Besluit geluidhinder 4.13
Besluit geluidhinder 4.15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/532
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904507/1/M2.

Datum uitspraak: 12 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de stichting Woonstichting Ressort Wonen, gevestigd te Rozenburg (hierna: Ressort Wonen),

3. het college van burgemeester en wethouders van Rozenburg,

4. [appellant sub 4] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. voor 553 woningen en één opvangtehuis voor gehandicapten in de geluidzone van de Havenspoorlijn te Rozenburg hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting op grond van de Wet geluidhinder vastgesteld. Dit besluit is op 25 mei 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2009, Ressort Wonen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2009, het college van burgemeester en wethouders van Rozenburg bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2009, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 31 juli 2009.

Nadere stukken zijn ontvangen van het college van burgemeester en wethouders en ProRail. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], Ressort Wonen, het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 4], ProRail en het college van gedeputeerde staten hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2010, waar Ressort Wonen, vertegenwoordigd door mr. A. van Rossem, advocaat te Rotterdam, het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. C.A.H. van de Sanden, advocaat te Rotterdam, en G. Put, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. A.J. de Breejen en M. Bovy, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Tevens is ProRail vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, en H. Zandberg als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit is genomen in verband met verwachte groei van het treinverkeer op de havenspoorlijn, inclusief de Calandbrug, en verhoging van de maximumsnelheid van 60 km/u naar 80 km/u op die spoorlijn, omdat deze omstandigheden tot een wijziging van een spoorweg als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder leiden, die het volgens het college van gedeputeerde staten noodzakelijk maakt in de omgeving van de Calandbrug hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen.

2.2. Ingevolge artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt onder wijziging van een spoorweg een wijziging verstaan met betrekking tot een aanwezige spoorweg, die verandering brengt in de omstandigheden welke ingevolge de regels die gelden bij de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege die spoorweg in acht genomen moeten worden en waarvan uit akoestisch onderzoek blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de spoorweg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen hoger zal zijn dan 63 dB of, indien die berekende geluidsbelasting vanwege de spoorweg in het toekomstig maatgevende jaar 63 dB of lager zal zijn maar hoger dan een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven geluidsbelasting, uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de spoorweg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting voorafgaand aan de wijziging zal toenemen met ten minste 3 dB.

Ingevolge artikel 110a, eerste lid, zijn burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Ingevolge het zevende lid zijn wanneer het besluit, bedoeld in het eerste lid, benodigd is in verband met de aanleg of wijziging van een hoofdspoorweg of de aanleg of reconstructie van een weg in beheer bij het Rijk of een provincie of de vaststelling of wijziging van een zone rond een industrieterrein dat als industrieterrein van regionaal belang is aangewezen bij provinciale verordening krachtens de Wet milieubeheer of de Wet ruimtelijke ordening, gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de weg of spoorweg dan wel het industrieterrein van regionaal belang is gelegen bevoegd tot vaststelling van de hogere waarde. Het tweede tot en met zesde lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het tweede en zesde lid in plaats van «burgemeester en wethouders» moet worden gelezen «gedeputeerde staten» en in het tweede lid in plaats van «gemeente» telkens moet worden gelezen: provincie.

Ingevolge artikel 4.13, eerste lid, van het Besluit geluidhinder is behoudens het tweede en derde lid de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een te wijzigen spoorweg van de gevel van woningen binnen de zone van die spoorweg 55 dB.

Ingevolge artikel 4.15, eerste lid, is artikel 4.13 van overeenkomstige toepassing op andere geluidsgevoelige gebouwen, met dien verstande dat in artikel 4.13 in plaats van «55 dB» wordt gelezen: 53 dB.

2.3. Het college van burgemeester en wethouders en [appellant sub 4] voeren aan dat er bij het ter inzage leggen en versturen van stukken die met het bestreden besluit verband houden fouten zijn gemaakt.

2.3.1. Zoals het college van gedeputeerde staten terecht stelt, betreffen de fouten onregelmatigheden na het nemen van het bestreden besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 15 februari 2006 in zaak nr. 200505067/1, kan een dergelijke onregelmatigheid geen grond voor vernietiging besluit zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant sub 1] en Ressort Wonen voeren, kort weergegeven, aan dat het uitgangspunt van het bestreden besluit dat in 2017 45% van het materieel van een stiller type zal zijn, onvoldoende is onderbouwd en gewaarborgd, zodat het onzeker is of de ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidsbelasting juist zijn vastgesteld.

2.4.1. Volgens het college van gedeputeerde staten volgt uit het bij het bestreden besluit gehanteerde rapport van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat 'Instroom stilmaterieel Nederland percentages stil materieel in prognoses voor reizigers- en goederenvervoer' uit maart 2009 dat aannemelijk is dat in 2017 45% van het materieel van een stiller type zal zijn. Het college wijst tevens op een brief van de directeur spoorvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat van 14 juli 2009 aan ProRail, die ingaat op de mogelijkheden van stimuleringsmaatregelen van de zijde van ProRail en de zijde van de Europese Unie en op een aanpassing van het Reken- en meetvoorschrift die met stil materieel rekening houdt. Het college wijst er voorts op dat ProRail blijkens het verzoek om hogere grenswaarden de ontwikkelingen ten aanzien van de inzet van stiller materieel zal controleren en zo nodig tijdelijke procesmaatregelen in de vorm van een snelheidsbeperking zal treffen om overschrijding van de grenswaarden te voorkomen.

2.4.2. Volgens het deskundigenbericht is het niet onrealistisch dat in 2017 45% stiller materieel zal worden ingezet, mede gelet op vorenbedoelde stimuleringsmaatregelen, zij het dat er geen garanties zijn dat dit percentage aan stiller materieel daadwerkelijk op de onderhavige spoorlijn zal worden ingezet. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat ProRail zal monitoren of dit percentage op de onderhavige spoorlijn daadwerkelijk wordt gehaald en dat, als dat niet zou lukken, Pro Rail tijdelijke procesmaatregelen zal treffen tot het percentage van 45% stiller materieel is bereikt, om aldus aan de vastgestelde hogere geluidgrenswaarden te kunnen voldoen. Ter zitting heeft ProRail ter zake toegezegd dat indien het percentage van 45% stiller materieel in 2017 onverhoopt niet gehaald wordt, snelheidsreductie en verschuiving van treinen naar een andere etmaalperiode zullen worden toegepast zodat daardoor is gewaarborgd dat de hogere geluidgrenswaarden worden nageleefd.

Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bij het bestreden besluit gestelde waarden voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting voor het maatgevende jaar 2017 voldoende zijn onderbouwd. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. In het bestreden besluit is er op grond van het rapport 'De resultaten van het Innovatie Programma Geluid' van de Minister van Verkeer en Waterstaat en van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 juni 2008 van uitgegaan dat het voorgenomen gebruik van stiller materieel tot een geluidsreductie van 7 dB op zowel de gewone spoorbaan als de Calandbrug zal leiden.

2.5.1. Het college van burgemeester en wethouders voert aan dat in het 'Akoestisch onderzoek Havenspoorlijn Rozenbrug' van M+P raadgevende ingenieurs van 20 augustus 2008 (hierna: het akoestisch onderzoek) dat bij het verzoek om vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting is gevoegd, de reductie op de geluidemissie als gevolg van het stiller materieel met LL-remblokken onvoldoende is onderbouwd. Dit onderzoek gaat uit van een geluidsreductie van 7 dB op een gemiddeld spoor. Volgens het college van burgemeester en wethouders blijkt uit een onderzoek van de milieudienst Rijnmond naar de gehanteerde uitkomsten van in het kader van het rapport 'De resultaten van het Innovatie Programma Geluid' uitgevoerde metingen, dat dit getal niet representatief is voor de geluidsreductie op de Calandbrug. Bovendien is de geluidsreductie snelheidsafhankelijk. Het is volgens het college van burgemeester en wethouders dan ook niet ondenkbaar dat de geluidsreductie in de praktijk lager uitvalt.

2.5.2. Het college van gedeputeerde staten stelt dat in het rapport 'De resultaten van het Innovatie Programma Geluid' waaruit een geluidsreductie van 7 à 8 dB blijkt, geen onderscheid wordt gemaakt tussen een gemiddeld spoor en een brug. Volgens het college van gedeputeerde staten valt niet te verwachten dat de geluidsreductie op de Calandbrug geringer zal zijn dan op een gemiddelde spoorbaan.

2.5.3. ProRail stelt dat een door Deltarail uitgevoerd onderzoek en een door M+P raadgevende ingenieurs gemaakte berekening uitwijzen dat de geluidsreductie van stiller materieel met LL-remblokken op de Calandbrug vergelijkbaar is met de geluidsreductie op een gemiddeld spoor.

2.5.4. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de conclusies uit het rapport 'De resultaten van het Innovatie Programma Geluid' omtrent de haalbaarheid van een geluidsreductie van 7 à 8 dB op een gemiddeld spoor algemeen wordt onderschreven. Het door Deltarail uitgevoerd onderzoek en de door M+P raadgevende ingenieurs gemaakte berekening, waarop Pro Rail zich beroept, maken aannemelijk dat op een brug een zelfde geluidsreductie als op een gemiddeld spoor valt te verwachten. Gelet hierop faalt deze beroepsgrond.

2.6. [appellant sub 4] en [appellant sub 1] voeren aan dat het college van gedeputeerde staten onvoldoende heeft onderzocht of maatregelen kunnen worden getroffen om de geluidsbelasting te verminderen. Zij stellen dat de mogelijkheid om een geluidscherm tussen de Calandbrug en de woonwijk te plaatsen, onvoldoende is onderzocht en dat ten onrechte de mogelijkheid een nieuwe geluidsarme brug of een spoortunnel te bouwen niet in ogenschouw is genomen.

Tevens stellen zij dat een verlaging van de rijsnelheid op de Calandbrug van 80 tot 60 km/uur of lager een doeltreffende maatregel tot vermindering van de geluidsbelasting is en dat het college van gedeputeerde staten onvoldoende heeft onderbouwd dat deze snelheidsverlaging tot capaciteitsverlies en financiële schade leidt.

2.6.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat een geluidscherm zeer groot en zwaar zou moeten worden uitgevoerd. De vereiste hoogte van 20 meter en vereiste lengte van 500 meter stuiten volgens dit college op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard. Het college stelt dat alle mogelijke maatregelen aan de brug al zijn getroffen en dat geen verdere reductie valt te realiseren.

Het college van gedeputeerde staten stelt verder dat het reduceren van de snelheid tot 60 km/uur leidt tot een geluidsreductie van 2 dB en slechts bij een gering aantal woningen leidt tot een geluidsbelasting gelijk aan de voorkeursgrenswaarde. Tevens stelt dit college dat snelheidsverlaging tot capaciteitsverlies en vertragingen met nadelige gevolgen voor de infrastructuur leidt. Deze maatregelen stuiten volgens dit college op overwegende bezwaren van financiële aard.

2.6.2. Artikel 110a, vijfde lid van de Wet geluidhinder bepaalt dat hogere waarden slechts mogen worden vastgesteld indien maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zijn dan wel overwegende bezwaren bestaan van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.6.3. De mogelijkheid van de aanleg van een tunnel of een nieuwe spoorbrug valt buiten het kader van de in de Wet geluidhinder bedoelde maatregelen en kon derhalve niet bij het bestreden besluit worden betrokken.

Uit de stukken blijkt dat de Calandbrug voor de geluidsbelasting maatgevend is en dat in de periode 1998-2006 aan die brug een groot aantal geluidreducerende maatregelen is getroffen. Uit, onder meer, het deskundigenbericht blijkt dat verdere geluidsreductie waarschijnlijk alleen haalbaar is door ingrijpende aanpassing van de constructie van de brug, wat overwegende bezwaren van financiële aard met zich brengt. Gelet hierop is aannemelijk dat het niet mogelijk is nadere maatregelen aan de brug te treffen om de geluidsbelasting verder terug te brengen.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat alleen een geluidscherm van exorbitante dimensies voldoende effect zou kunnen sorteren. Voorts blijkt uit die stukken dat een verlaging van de rijsnelheid van 80 naar 60 km/uur tot een gemiddelde geluidreductie van niet meer dan 1 dB leidt en bij benutting van de maximale capaciteit van de spoorlijn tot capaciteitsverlies kan leiden.

Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verdere maatregelen om de geluidsbelasting terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of financiële aard ontmoeten. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant sub 4] voert aan dat in het 'Akoestisch onderzoek, Hogere Waarde onderzoek Calandbrug te Rozenburg' (hierna: het akoestisch onderzoek) een foute omrekening heeft plaatsgevonden waardoor de vastgestelde hogere waarden te hoog zijn. Hij stelt dat dit onder meer komt door de toepassing van een bevroren geluidsmodel waarbij geen rekening met reflecties is gehouden.

2.7.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat in het akoestisch onderzoek voor de berekening van de geluidsoverdracht is uitgegaan van de Standaardrekenmethode II van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (hierna: RMV 2006), zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit. In het akoestisch onderzoek wordt hiervan alleen afgeweken voor zover het de berekening van de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen achter de eerstelijnsbebouwing van Rozenburg betreft, omdat het gaat om een hooggelegen geluidsbron en laag gelegen woonbebouwing. Door geen rekening te houden met de afschermende werking van gebouwen en de reflectie tussen gebouwen wordt volgens het akoestisch onderzoek een meer representatief beeld van de geluidssituatie verkregen. Dit wordt volgens het college van gedeputeerde staten door metingen bevestigd. Bovendien is deze afwijking volgens dit college op grond van artikel 1.5, tweede lid, van het RMV 2006 (oud) toegestaan.

2.7.2. Artikel 1.5, tweede lid, van het RMV 2006 (oud) bepaalt dat bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau, afhankelijk van de situatie, onder meer rekening wordt gehouden met de effecten op de geluidsoverdracht, die het gevolg zijn van één of meer:

a. reflecties van het geluid;

b. afschermingen van het geluid.

2.7.3. Hoewel de situatie van een hooggelegen bron en een laaggelegen ontvanger gelet op het deskundigenbericht op zichzelf niet rechtvaardigt om met reflecties en afscherming achter de eerstelijns bebouwing geen rekening te houden, is blijkens het deskundigenbericht niet aannemelijk dat hierdoor de geluidsbelasting onjuist is berekend mede gelet op een uitgebreid onderzoek met verificatiemetingen dat aan de afwijking ten grondslag ligt. Deze beroepsgrond faalt.

2.8. [appellant sub 4] voert aan dat de geluidsbelasting ten onrechte niet is gemeten, maar is berekend.

2.8.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat uit artikel 4.7, eerste lid, van het RMV 2006 (oud) volgt dat de geluidsbelasting dient te worden berekend.

2.8.2. Artikel 4.7, eerste lid, van het RMV 2006 (oud) bepaalt dat het equivalente geluidsniveau wordt berekend volgens de Standaardrekenmethode II, bedoeld in hoofdstuk 5 van bijlage IV. Niet gebleken is dat hiermee in dit geval niet had mogen worden volstaan. Deze beroepsgrond faalt.

2.9. [appellant sub 4] voert aan dat, nu uit metingen blijkt dat die niveaus tot 74 dB(A) kunnen oplopen, met de maximale geluidniveaus ten onrechte geen rekening is gehouden.

2.9.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Wet geluidhinder geen beoordelingskader voor maximale geluidniveaus kent. In het kader van de Wet geluidhinder worden maximale geluidsniveaus meegenomen in de langtijdgemiddelde geluidsniveaus en dus niet afzonderlijk beoordeeld. Deze beroepsgrond faalt.

2.10. [appellant sub 4] voert aan dat het akoestisch onderzoek waarop het bestreden besluit is gebaseerd, ten onrechte geen rekening met de geluidsbelasting in de nachtperiode houdt.

2.10.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat het akoestisch onderzoek rekening houdt met de nachtperiode.

2.10.2. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat in het akoestisch onderzoek met de treinbewegingen in de nachtperiode adequaat rekening is gehouden. Deze beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant sub 4] voert aan dat de geluidsemissie van de nieuwe 25 kV locomotieven die op de Havenspoorlijn gaan rijden, nog niet bekend is, zodat het bestreden besluit er ten onrechte van uitgaat dat de geluidsemissie van deze locomotieven acceptabel zal zijn.

2.11.1. Het college van gedeputeerde staten stelt te verwachten dat de nieuwe locomotieven stiller zullen zijn, maar dat hoe dan ook de geluidsemissie van de treinen primair door de goederenwagons wordt veroorzaakt.

2.11.2. Uit de stukken blijkt dat de geluidsemissie van de locomotieven wegvalt tegen de bijdrage van de goederenwagons en het bruggeluid. Deze beroepsgrond faalt.

2.12. [appellant sub 4] voert aan dat getwijfeld moet worden aan de gehanteerde intensiteiten van het verkeer op de Havenspoorlijn. Volgens hem rijden er meer treinen op de Havenspoorlijn dan waarvan het college van gedeputeerde staten uitgaat en zijn de goederentreinen langer en daardoor zwaarder dan waarvan het bestreden besluit uitgaat. Hierdoor is het volgens [appellant sub 4] twijfelachtig of aan de vastgestelde hogere geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.12.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat uit artikel 4.4 van het RMV 2006 (oud) volgt dat bij de vaststelling van de verkeersintensiteit moet worden uitgegaan van het emissieregister en de prognoses die zijn afgeleid uit de besluitvorming rond de Betuweroute en de Havenspoorlijn.

2.12.2. Artikel 4.4 eerste lid, van het RMV 2006 (oud) bepaalt dat bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau vanwege een spoorweg rekening wordt gehouden met de emissiegegevens zoals vastgelegd in het emissieregister, bedoeld in artikel 4.3, of, indien het een berekening betreft voor het toekomstig maatgevende jaar, met de emissiegetallen van de relevante emissietrajecten bepaald overeenkomstig artikel 4.6.

Artikel 4.4 tweede lid, bepaalt dat de Minister, na overleg met de instanties die op de desbetreffende locatie de spoorweginfrastructuur en het gebruik daarvan beheren, afwijking kan toestaan van het eerste lid indien de daar bedoelde gegevens onvoldoende representatief zijn.

2.12.3. Uit artikel 4.4, eerste lid, van het RMV 2006 (oud) volgt dat het college van gedeputeerde staten in beginsel de gegevens uit het emissieregister moest gebruiken. Artikel 4.4, tweede lid, van het RMV 2006 (oud) biedt de mogelijkheid om hiervan af te wijken als de gegevens uit het emissieregister onvoldoende representatief zijn.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de gehanteerde gegevens iets boven de aantallen uit het emissieregister liggen. De gehanteerde gegevens zijn in zoverre dan ook niet te laag. Uit hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd is ook verder niet gebleken dat de in het akoestisch onderzoek gehanteerde gegevens onvoldoende representatief zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.13. [appellant sub 4] voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de gecumuleerde geluidsbelasting als gevolg van werkzaamheden in de Brittaniëhaven, scheepvaartverkeer, wegverkeer en het treinverkeer.

2.13.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat in het akoestisch onderzoek de gecumuleerde geluidsbelasting overeenkomstig hoofdstuk 2 van bijlage 1 van het RMV 2006 (oud) is vastgesteld. Volgens het college volgt hieruit dat er geen onaanvaardbare gecumuleerde geluidsbelasting is.

2.13.2. Uit de stukken blijkt dat in het akoestisch onderzoek overeenkomstig het RMV 2006 (oud) rekening is gehouden met de cumulatie van wegverkeer en industrielawaai met railverkeerslawaai. De Wet geluidhinder biedt geen grondslag om rekening te houden met andere bronnen zoals het scheepvaartverkeer of werkzaamheden in de haven. Deze beroepsgrond faalt.

2.14. [appellant sub 4] voert aan dat de geluidsbelasting in de woningen onvoldoende wordt beperkt. Hij vraagt zich af of voldoende geld beschikbaar is voor isolatie en meent dat bewoners die al op eigen kosten isolatiemaatregelen hebben getroffen, gecompenseerd moeten worden. Ook is er volgens hem ten onrechte met de geluidsbelasting op een aantal scholen geen rekening gehouden.

2.14.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat deze gronden buiten de reikwijdte van het bestreden besluit vallen. Het stelt dat het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 4.24 van het Besluit geluidhinder verplicht is de nodige isolatiemaatregelen te treffen. Voor de desbetreffende scholen zijn geen hogere geluidgrenswaarden vastgesteld.

2.14.2. Ingevolge artikel 4.24, eerste lid, van het Besluit geluidhinder treffen burgemeester en wethouders indien met toepassing van de artikelen 4.10, 4.13 of 4.14 met betrekking tot een gevel van een in aanbouw zijnde of aanwezige woning een hogere geluidsbelasting dan 55 dB vanwege de weg als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, met betrekking tot de geluidwering van die gevel maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, binnen de woning bij gesloten ramen 35 dB niet te boven zal gaan.

2.14.3. Het bestreden besluit ziet niet op de wijze waarop een aanvaardbaar binnenklimaat dient te worden gerealiseerd, zodat dit aspect bij de beoordeling van dit besluit geen rol kan spelen. Op grond van artikel 4.24 van het Besluit geluidhinder ligt de verantwoordelijkheid voor het realiseren van een aanvaardbaar binnenniveau bij het college van burgemeester en wethouders.

De Afdeling stelt verder vast dat voor de scholen waarop [appellant sub 4] duidt, geen hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld en dat ook niet gebleken is dat dit ten onrechte niet zou zijn gebeurd. Deze beroepsgrond faalt.

2.15. Het college van burgemeester en wethouders en [appellant sub 1] voeren aan dat in het bestreden besluit ten onrechte geen verplichtingen zijn opgenomen tot controle van de groei van de hoeveelheid stiller materieel en tot het uitvoeren van een geluidsmeting van de geluidsbelasting van de Calandbrug als voorschrift.

2.15.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich terecht op het standpunt dat in een besluit tot vaststelling van hogere geluidsgrenswaarden niet in de regeling van monitorings- en handhavingsaspecten kan worden voorzien. Deze beroepsgrond faalt.

2.16. [appellant sub 4] voert aan dat onduidelijk is waarom voor de woningen aan De Zoom 2 tot en met 24 geen hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld. Hij stelt dat uit door hem zelf uitgevoerde metingen blijkt dat veel hogere waarden worden bereikt dan volgens het akoestisch onderzoek.

2.16.1. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat deze woningen een geluidsbelasting van minder dan 55 dB ondervinden. De door [appellant sub 4] zelf uitgevoerde metingen maken niet aannemelijk dat het akoestisch onderzoek op dit punt onjuist is. Deze beroepsgrond faalt.

2.17. [appellant sub 4] en [appellant sub 1] voeren aan dat het college van gedeputeerde staten de financiële en economische belangen van ProRail ten onrechte zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van de bewoners. Zij verwijzen, onder meer, naar mogelijke gezondheidsschade, schade aan de ontwikkeling van kinderen, afnemend woongenot en de waardevermindering van woningen.

2.17.1. Het college van gedeputeerde staten diende het verzoek tot vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting aan de bepalingen van de Wet geluidhinder te toetsen. Het heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellant sub 4] en [appellant sub 1] genoemde belangen niet bij die toetsing konden worden betrokken. Deze beroepsgrond faalt.

2.18. [appellant sub 4] en [appellant sub 1] voeren aan dat het bestreden besluit afspraken van omwonenden met de gemeente Rozenburg teniet doet, waardoor de beschermende werking van dit convenant verloren gaat.

2.18.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geen rekening met afspraken tussen de gemeente Rozenburg en omwonenden kon houden. Ook deze beroepsgrond faalt.

2.19. De beroepen zijn ongegrond.

2.20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010

315.