Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4174

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
200908219/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij schrijven van 25 november 2008 heeft het college aan appellant medegedeeld dat het op 17 november 2008 diens buiten de daarvoor aangewezen stallingsruimte gestalde fiets bij wijze van bestuursdwang in beslag heeft genomen en in bewaring heeft gehouden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:24
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/163
AB 2010/270 met annotatie van L.J.A. Damen
Gst. 2010, 91 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
AA20100606 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908219/1/H3.

Datum uitspraak: 12 mei 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 september 2009 in zaak nr. 09/1519 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

1. Procesverloop

Bij schrijven van 25 november 2008 heeft het college aan appellant medegedeeld dat het op 17 november 2008 diens buiten de daarvoor aangewezen stallingsruimte gestalde fiets bij wijze van bestuursdwang in beslag heeft genomen en in bewaring heeft gehouden.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 6 maart 2009, heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 november 2009.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2010, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door J.J. van Gelderen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zoals die luidde ten tijde van belang, wordt een beslissing tot toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de beschikking, welk voorschrift is of wordt overtreden.

Ingevolge het derde lid geschiedt de bekendmaking aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast en aan de aanvrager.

Ingevolge het vierde lid wordt in de beschikking een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen.

Ingevolge het vijfde lid behoeft geen termijn te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

Ingevolge het zesde lid zorgt het bestuursorgaan, indien de situatie zo spoedeisend is, dat het de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang door het college van burgemeester en wethouders uitgeoefend, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 2.4.11-a van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen (hierna: de Apv) kan het college gebieden aanwijzen waar het verboden is om buiten de daarvoor aangewezen stallingruimten fietsen en bromfietsen te plaatsen.

Bij artikel III van het door het college krachtens die bepaling genomen besluit tot uitbreiding stallingsverbod centrumgebied (hierna: het aanwijzingsbesluit) is, voor zover thans van belang, het Stationsplein aangewezen.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat in dit geval optreden zo spoedeisend was, dat toepassing mocht worden gegeven aan artikel 5:24, zesde lid, van de Awb, heeft miskend dat hij op die dag zijn fiets, omdat hij geen beschikbare fietsklem kon vinden, in een loze ruimte tussen de fietsklemmen en de omheining van de stalling heeft geplaatst waardoor die geen overlast of grote hinder veroorzaakte en voetgangers en gebruikers van de stalling niet werden belemmerd.

2.2.1. Niet in geschil is dat het label dat, voorafgaand aan de verwijdering ervan, aan de fiets is bevestigd geen op schrift gestelde beslissing tot toepassing van bestuursdwang is. Het college heeft die beslissing eerst na de verwijdering op schrift gesteld. Het heeft voorts, anders dan het stelt, ook geen toepassing gegeven aan het vijfde van artikel 5:24 van de Awb, reeds omdat de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet zoals die bepaling vereist op dat moment op schrift was gesteld. Derhalve moet het geacht worden toepassing te hebben gegeven aan het zesde lid van dat artikel. De rechtbank heeft derhalve met juistheid onderzocht of de situatie zo spoedeisend was, dat daartoe mocht worden besloten.

2.2.2. Als onweersproken staat vast dat [appellant] zijn fiets in een loze ruimte tussen fietsklemmen en de omheining van de stalling heeft geplaatst. Volgens de door hem overgelegde foto's waarvan de juistheid niet is betwist werd de vrije doorgang in de stalling daardoor niet belemmerd en veroorzaakte de fiets geen bijzonder gevaar.

Het college heeft in dat verband aangevoerd dat anderen daarvan wel hinder konden ondervinden bij het plaatsen of verwijderen van hun fiets en dat een foutief geplaatste fiets voor anderen aanleiding kan zijn om hun fiets ook buiten de daarvoor aangewezen ruimte te plaatsen. Die omstandigheden op zich maakten de situatie echter niet zo spoedeisend, dat het college toepassing mocht geven aan artikel 5:24, zesde lid, van de Awb. Ook de mogelijke overtreding van artikel 2.4.11-a van de Apv door anderen maakte niet dat toepassing van die bepaling gerechtvaardigd was. Daarnaast duidt de omstandigheid dat het college een termijn heeft gegund om de overtreding ongedaan te maken, evenmin op een situatie die ingrijpen zonder de beslissing daartoe op schrift te stellen noodzakelijk maakte.

2.3. Het betoog slaagt. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het op 6 maart 2009 verzonden besluit van het college gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het besluit van 25 november 2008 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 september 2009 in zaak nr. 09/1519;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 6 maart 2009, kenmerk G140.T. Kaal Z08.006286 / D09.104850;

V. herroept het besluit van 25 november 2008, kenmerk B536;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 373,00 (zegge: driehonderddrieënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

97-640.