Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4160

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
201002682/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2010 heeft het college het verzoek van Afvaloven Nee om handhavend op te treden tegen het door de naamloze vennootschap Afvalsturing Friesland N.V. (hierna: Omrin) verrichten van bouwwerkzaamheden ten behoeve van het oprichten van een reststoffen-energiecentrale aan de Lange Lijnbaan 14 te Harlingen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 58 met annotatie van K.J. de Graaf
Milieurecht Totaal 2010/5476
JOM 2010/515
JM 2010/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002682/1/M1.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting Stichting Afvaloven Nee (hierna: Afvaloven Nee), gevestigd te Harlingen,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2010 heeft het college het verzoek van Afvaloven Nee om handhavend op te treden tegen het door de naamloze vennootschap Afvalsturing Friesland N.V. (hierna: Omrin) verrichten van bouwwerkzaamheden ten behoeve van het oprichten van een reststoffen-energiecentrale aan de Lange Lijnbaan 14 te Harlingen afgewezen.

Tegen dit besluit heeft Afvaloven Nee bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2010, heeft Afvaloven Nee de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 april 2010, waar Afvaloven Nee, vertegenwoordigd door mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden, en ing. S. Jellema, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. van Oosten, advocaat te Amsterdam, en mr. drs. A.J. Kolff-Hill en W.C. Rodenhuis, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Omrin, vertegenwoordigd door mr. H.M. Giezen, advocaat te Amsterdam, en ing. S. Bosch en M. Visser, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college aan Omrin een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een reststoffen-energiecentrale aan de Lange Lijnbaan 14 te Harlingen. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harlingen aan Omrin een bouwvergunning verleend voor het bouwen van de reststoffen-energiecentrale. Omrin heeft direct na ontvangst van de bouwvergunning een begin gemaakt met de bouw van de reststoffen-energiecentrale. Bij uitspraak van 13 januari 2010 in zaak nr. 200900542/1, heeft de Afdeling het besluit van 16 december 2008 vernietigd. Bij brief van 14 januari 2010 heeft Afvaloven Nee het college verzocht handhavend op te treden tegen Omrin wegens het verrichten van bouwactiviteiten ten behoeve van het oprichten van de reststoffen-energiecentrale zonder milieuvergunning.

2.2. Afvaloven Nee betoogt dat het college haar verzoek om handhavend op te treden ten onrechte heeft afgewezen. Volgens Afvaloven Nee is er geen sprake van concreet zicht op legalisatie. In dit verband voert zij aan dat er geen volledige aanvraag ligt en de volgens haar geïndiceerde nieuwe aanvraag zal moeten worden getoetst op nog niet eerder beoordeelde punten, zoals het te zijner tijd geldende bestemmingsplan, waarmee volgens Afvaloven Nee strijd zal ontstaan. Ook kan volgens haar aanpassing van de bouwvergunning nodig zijn. Verder is volgens Afvaloven Nee niet gebleken dat handhavend optreden zodanig onevenredig is dat daarvan bij afweging van de daarmee te dienen belangen behoorde te worden afgezien. In dit verband voert zij aan dat investeringen door Omrin niet ter zake doen, aangezien Omrin op eigen risico handelt. Daarentegen betekent het oprichten van een zo omvangrijke inrichting als deze volgens haar altijd milieuhinder. Voor zover een relevant belang van Omrin is gelegen in het veiligstellen van de bouwstop (door het gebouw water- en winddicht te maken), betoogt Afvaloven Nee dat dit inmiddels is geschied. Wanneer Omrin niet wordt verplicht te stoppen, dreigt de situatie volgens Afvaloven Nee onomkeerbaar te worden.

2.2.1. Het college betoogt dat op 13 januari 2010 is besloten een handhavingstraject op te starten. In dat kader is op 25 februari 2010 een voorwaarschuwing aan Omrin gezonden, met daarin een termijn van twee maanden om een ontvankelijke aanvulling op de aanvraag in te dienen dan wel te stoppen met de oprichting van de installatie. Afvaloven Nee heeft volgens het college geen belang getoond waaruit zou blijken dat al vóór het verstrijken van die termijn een last onder dwangsom of bestuursdwang zou moeten worden opgelegd, laat staan dat tot onmiddellijke stillegging van de oprichting zou moeten worden overgegaan. In dit verband voert het college aan dat gedurende de oprichtingsfase geen concrete milieubelangen in het geding zijn, terwijl Omrin financieel nadeel zou lijden door stillegging van de oprichting. Voorts betoogt het college dat, indien een ontvankelijke aanvulling op de aanvraag wordt ingediend, de door de Afdeling geconstateerde gebreken in het besluit van 16 december 2008 reparabel zijn.

2.2.2. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort op te richten

2.2.3. Het college heeft tijdens controlebezoeken op 15 januari 2010 en 20 januari 2010 geconstateerd dat verscheidene werkzaamheden werden uitgevoerd, waaronder het installeren van de schoorsteen, het uitvoeren van las- en slijpwerkzaamheden aan installatieonderdelen, het plaatsen van installatieonderdelen en het plaatsen van een staalconstructiegebouw. Naar het oordeel van de voorzitter bestaat er een nauwe samenhang tussen de bouwactiviteiten en hetgeen de inrichting ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vergunningplichtig maakt, namelijk de opwekking van energie door verbranding van reststoffen. Onder deze omstandigheden moeten de bouwactiviteiten worden aangemerkt als oprichten in de zin van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, zodat het college bevoegd was terzake handhavend op te treden.

2.2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.5. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat het college Omrin bij brief, verzonden op 25 februari 2010, de voorwaarschuwing heeft gedaan over te gaan tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie indien niet binnen twee maanden na verzending van deze brief een ontvankelijke aanvulling op de aanvraag wordt ingediend dan wel met de oprichting van de installatie wordt gestopt. Bij brief van 5 maart 2010 heeft het college aan Omrin een lijst toegezonden met daarin een niet-uitputtend overzicht van onderwerpen waarover aanvullende informatie moet worden verstrekt alvorens tot een ontvankelijk aanvraag kan worden geconcludeerd. Niet in geschil is dat ten tijde van het besluit van 9 maart 2010 de werkzaamheden niet waren stilgelegd en door Omrin nog geen aanvullingen op de aanvraag waren ingediend.

2.2.6. De voorzitter overweegt dat Afvaloven Nee niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij voortzetting van de bouwactiviteiten een milieubelang als bedoeld in de Wet milieubeheer wordt geschonden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraken van 13 januari 2000 in zaak nr. E03.97.1595, BR 2000, 234, en van 17 februari 2010 in zaak nr. 200901215/1/M1) is met de Wet milieubeheer niet beoogd om bescherming te bieden tegen nadelige gevolgen voor het milieu die bouwactiviteiten met zich kunnen brengen. Gelet hierop kunnen zulke gevolgen bij de beoordeling van het bestreden besluit evenmin een rol spelen. De milieugevolgen in verband waarmee de vergunningplicht is gesteld, doen zich niet voor.

Voorts is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter op grond van hetgeen Afvaloven Nee heeft aangevoerd niet aannemelijk geworden dat de door de Afdeling in haar uitspraak van 13 januari 2010 in zaak nr. 200900542/1 in het besluit van 16 december 2008 geconstateerde gebreken niet reparabel zijn dan wel dat artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, welke bepaling hoe dan ook slechts een bevoegdheid en geen verplichting omvat, wegens beweerdelijke strijd met het betrokken bestemmingsplan vergunningverlening zal belemmeren. Verder is voorshands niet aannemelijk dat aanvulling van de aanvraag noopt tot wijziging van de bouwvergunning.

Voor zover Afvaloven Nee betoogt dat mogelijk een onomkeerbare situatie ontstaat, overweegt de voorzitter dat op grond van hetgeen Afvaloven Nee heeft aangevoerd niet aannemelijk is geworden dat voortzetting van de bouw leidt tot een situatie die zich niet zou verdragen met of slechts bezwaarlijk zou kunnen worden aangepast aan het besluit op de aangevulde aanvraag, zodat niet hoeft te worden gevreesd dat door de voortzetting van de bouw een situatie zal ontstaan die in de praktijk onomkeerbaar is.

Tot slot volgt uit het door PRC op 28 januari 2010 opgestelde rapport van bouwkundige opname van de reststoffen-energiecentrale dat niet uitgesloten moet worden geacht dat bij niet-ordentelijke stillegging van de bouwactiviteiten risico's voor de veiligheid op de bouwlocatie ontstaan, zoals (gedeeltelijke) instorting of degradatie van (delen van) het bouwwerk. Om deze risico’s te minimaliseren dienen maatregelen te worden genomen, waarmee volgens PRC een termijn van ongeveer vijf weken is gemoeid. In hetgeen Afvaloven Nee in dit verband heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de conclusies in dit rapport onjuist zijn.

Onder deze omstandigheden ziet de voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

2.3. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

271-489.