Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4159

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
201003892/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2010 heeft het college aan [verzoekster] lasten onder dwangsom opgelegd terzake van het in strijd met de vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer in werking zijn van haar inrichting voor de opslag, overslag en het bewerken van grondstoffen, bouwstoffen, afvalstoffen en mest en loonwerk en aanverwante werkzaamheden, gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003892/1/M1.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2010 heeft het college aan [verzoekster] lasten onder dwangsom opgelegd terzake van het in strijd met de vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer in werking zijn van haar inrichting voor de opslag, overslag en het bewerken van grondstoffen, bouwstoffen, afvalstoffen en mest en loonwerk en aanverwante werkzaamheden, gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2010, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 april 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. A.S. Hessel, ing. H.H. Neelen en A.T.M. Liebregts, en het college, vertegenwoordigd door Y.G.E. Weijns-Maréchal en mr. J.W.M. van de Coevering-van Herpen, A.W. Adriaanse en S.W. Adelaar, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit zijn lasten opgelegd wegens het in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer veranderen van een inrichting en het overtreden van voorschriften die zijn verbonden aan de bij besluit van 9 november 2006 krachtens de Wet milieubeheer aan [verzoekster] verleende vergunning. De dwangsommen worden verbeurd indien overtredingen worden geconstateerd na het verstrijken van een begunstigingstermijn van vijf weken na de datum van verzending van het besluit.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Gelast is het gebruik van een afvalwaterbassin van 7000 m3 dat is gerealiseerd zonder vergunning, en deels in gebruik is genomen voor de opslag van mestwater, te beëindigen.

Voorts is gelast het gebruik van een zonder vergunning gerealiseerde (bijna voltooide) waterzuiveringsinstallatie te beëindigen.

Voorts is gelast het niet vergunde gebruik van een mestzak van 4000 m3 voor de opslag van terreinwater te beëindigen.

Voorts is gelast het gebruik van een mobiele waterzuiveringsinstallatie te beëindigen.

2.4. [verzoekster] betoogt dat zij een melding heeft gedaan van de uitbreiding van het bassin en van het gebruik van de mestzak. Voorts betoogt zij dat de waterzuiveringsinstallatie voor haar eigen rekening en risico wordt gerealiseerd, vooruitlopend op de aanvraag van een veranderingsvergunning waarmee ook het gebruik van deze installatie gelegaliseerd zal worden. Zij betoogt voorts dat zij tot de opslag en zuivering van terreinwater is overgegaan omdat zij geen gebruik meer kan maken van haar vergunning om dit water te lozen op het oppervlaktewater, aangezien het te sterk vervuild is, terwijl het water ook niet geloosd mag worden op de rioolwaterzuiveringsinstallatie, omdat het daarvoor te licht vervuild is. Afvoer door een verwerker zal volgens [verzoekster] inhouden dat het water verdund wordt en alsnog geloosd. Volgens haar verdient haar oplossing, opslag en zuivering door middel van een (mobiele) waterzuiveringsinstallatie, vanuit milieuhygiënisch oogpunt de voorkeur.

2.4.1. Het college heeft ter zitting gesteld dat een melding van de uitbreiding van het bassin en het gebruik van de mestzak van 4000 m3 momenteel wordt beoordeeld en dat legalisatie niet onmogelijk is. Totdat daarover een besluit zal zijn genomen zullen geen dwangsommen worden geïnd, aldus het college. De (mobiele) waterzuiveringsinstallatie is niet gemeld, aldus het college.

2.4.2. De voorzitter overweegt dat het, gelet op het verhandelde ter zitting, aannemelijk is dat er voor de uitbreiding van het bassin en het gebruik van de mestzak zicht is op legalisatie. Gelet daarop ziet de voorzitter aanleiding om het besluit in zoverre te schorsen.

Ten aanzien van het gebruik van de (mobiele) waterzuiveringsinstallatie is er naar het oordeel van de voorzitter geen zicht op legalisatie. De voorzitter overweegt echter in dit verband dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat het gebruik van de mobiele waterzuiveringsinstallatie een andere overtreding is dan het gebruik van de waterzuiveringsinstallatie. De voorzitter ziet in deze omstandigheid aanleiding het besluit te schorsen voor zover het betrekking heeft op het gebruik van de mobiele waterzuiveringsinstallatie.

2.5. Voorts is volgens het bestreden besluit geconstateerd dat verontreinigd afvalwater is geloosd in de opslag van puin en zeefzand. Gelast is verdere lozingen na te laten.

2.5.1. [verzoekster] betoogt dat zij heeft aangevraagd om terreinwater te mogen gebruiken voor diverse toepassingen, waaronder stofbestrijding. Uit de controlerapporten blijkt volgens [verzoekster] niet of en hoeveel water is opgeslagen.

2.5.2. Volgens het college is bevochtigen toegestaan, hetgeen inhoudt: licht bevochtigen. Het op een klein oppervlak inbrengen van een grote hoeveelheid afvalwater kan niet als zodanig worden aangemerkt.

2.5.3. Gelet op de stukken, onder meer de weergave van een onderzoekverslag van het waterschap Dommel van 16 december 2009, en het verhandelde ter zitting acht de voorzitter het voldoende aannemelijk dat geconstateerd is dat een aanmerkelijke hoeveelheid vervuild water in de opslag van puin is gebracht. Ook is niet bestreden dat vergelijkbare hoeveelheden zijn geloosd in opgeslagen zeefzand. In zoverre ziet de voorzitter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Volgens het bestreden besluit is de maximaal toegestane hoeveelheid opslag van afvalstoffen binnen de inrichting overschreden. De overschrijding dient te worden beëindigd op verbeurte van een dwangsom per keer dat wordt geconstateerd dat meer afvalstoffen zijn opgeslagen dan is vergund.

2.6.1. [verzoekster] betoogt dat binnen de grenzen van de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, wordt gebleven. Volgens haar is in de vergunning maar met een deel van de aanvraag rekening gehouden.

2.6.2. De voorzitter overweegt dat ingevolge het dictum van het besluit van 9 november 2006 waarmee de vergunning is verleend de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning voor zover de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet anders bepalen. Het college mocht gelet daarop naar het oordeel van de voorzitter uitgaan van de volgens de vergunning toegestane hoeveelheid, ook als deze een beperking ten opzichte van de aangevraagde hoeveelheid inhoudt. Gelet daarop ziet de voorzitter in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Geconstateerd is dat de (vergunde) beluchtingsventilatoren en beluchtingsunit zijn aangesloten op een niet vergund aggregaat. Gelast wordt het gebruik van het aggregaat te beëindigen, op verbeurte van een dwangsom per constatering dat het aggregaat in gebruik is.

2.7.1. [verzoekster] betoogt dat de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, onder meer betrekking heeft op de aanwezigheid van elektro- en verbrandingsmotoren als bedoeld in categorie 1.1.b van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, en dat het aggregaat één van deze motoren is. De milieugevolgen van deze motoren zijn volgens haar betrokken bij de beschouwing van de installaties waaraan zij ondersteuning bieden.

2.7.2. Naar het oordeel van de voorzitter blijkt niet uit de aanvraag om vergunning dat is uitgegaan van het gebruik van een aggregaat voor de aandrijving van de beluchtingsventilatoren en beluchtingsunit. De voorzitter overweegt in dit verband dat deze apparatuur ook kan worden aangedreven met gebruik van het elektriciteitsnet. Gelet daarop geeft hetgeen [verzoekster] aanvoert in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.8. Voorts zijn lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.1, 2.2.1, 2.2.2, 2.2.3, 2.3.1, 2.3.2, 2.3.3, 4.1.10 en 4.1.11.

2.9. In voorschrift 1.1 is, samengevat, bepaald dat de inrichting in werking mag zijn van 7.00 tot 23.00 uur ten behoeve van, onder meer, het bieden van weegbrugdiensten aan derden. Dit voorschrift zou zijn overtreden omdat de weegbrug tussen 23.00 en 7.00 uur in bedrijf zou zijn geweest.

Volgens [verzoekster] is het toelaten van vrachtwagens voor 7.00 uur 's ochtends nodig in verband met de verkeersveiligheid, en wordt geen milieubelang geschaad. Volgens haar is de inrichting niet in bedrijf, er vindt alleen een aantal vrachtwagenbewegingen plaats, hetgeen in overeenstemming is met de aanvraag en uitgangspunt is voor het akoestisch rapport waarop de geluidvoorschriften zijn gebaseerd. Weliswaar maken deze vrachtwagens dan ook gebruik van de weegbrug, maar dat is akoestisch niet relevant, aldus [verzoekster].

2.9.1. Het college heeft ter zitting gesteld dat een melding van het gebruik van de wegbrug tussen 23.00 uur en 7.00 uur momenteel wordt beoordeeld en dat legalisatie wellicht mogelijk is. Totdat daarover een besluit zal zijn genomen zullen geen dwangsommen worden geïnd, aldus het college.

2.9.2. De voorzitter overweegt dat het, gelet op het verhandelde ter zitting, aannemelijk is dat er voor deze activiteit zicht is op legalisatie. Gelet daarop ziet de voorzitter aanleiding om het besluit in zoverre te schorsen.

2.10. De voorschriften 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.3, die volgens het bestreden besluit worden overtreden, bevatten normen voor de geurimmissie, bepaald als uurgemiddelde concentratie, respectievelijk met betrekking tot het 98 percentiel en het 99,99 percentiel ter plaatse van aaneengesloten woonbebouwing en het 98 percentiel ter plaatse van verspreid liggende woningen.

2.10.1. [verzoekster] bestrijdt niet dat de voorschriften zijn overtreden, maar stelt deze te kunnen beëindigen door afdekken van het mestwaterbassin of opslaan van mestwater in mestzakken, waarvoor een termijn wordt gevraagd. [verzoekster] voert voorts aan dat alle overtredingen door dezelfde handeling worden veroorzaakt, zodat een cumulatie van sancties optreedt.

2.10.2. De voorzitter overweegt dat in de begunstigingstermijn rekening is gehouden met de termijn die [verzoekster] stelt nodig te hebben om de overtredingen te beëindigen. De voorzitter overweegt voorts dat de voorschriften verschillende normen stellen, die ieder afzonderlijk kunnen worden overtreden. Naar het oordeel van de voorzitter mocht het college terzake van elke overtreding handhavend optreden. Dat het mogelijk is dat meerdere overtredingen zijn terug te voeren op één handeling maakt dat niet anders. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.10.3. Voorschrift 2.3.1 bepaalt dat het percolaatbassin ter voorkoming van geuroverlast op doelmatige wijze moet worden belucht en afgedekt.

Naar blijkt uit de motivering bij het bestreden besluit heeft het college ingestemd met de zienswijze van [verzoekster] dat dit voorschrift innerlijk tegenstrijdig is omdat niet zowel belucht als afgedekt kan worden, en heeft het ingestemd met een werkwijze waarbij het bassin voor een derde deel wordt belucht en voor twee derde deel afgedekt. Uit de last onder dwangsom blijkt echter niet dat met deze werkwijze is ingestemd. Naar het oordeel van de voorzitter is gelet daarop niet duidelijk welke maatregelen gelast worden. De voorzitter ziet daarin aanleiding het besluit in zoverre te schorsen.

2.11. Voorschrift 2.3.2 bepaalt dat aanvoer en overslag van dierlijke mest en organische (afval)stoffen plaats dient te vinden middels een gesloten systeem, waarbij deze stoffen vanuit de tankwagens worden overgepompt naar een gesloten silo of de vergistingstank of worden gelost in de opslaghal. De verdringingslucht dient in de WKK te worden benut als verbrandingslucht.

2.11.1. Volgens [verzoekster] blijkt uit de controleverslagen dat het uitvoeren van de activiteiten aanvoer en overslag niet is geconstateerd, zodat overtreding van het voorschrift voor zover betrekking hebbend op aanvoer en overslag ook niet kan zijn geconstateerd.

2.11.2. Het college stelt dat aanvoer wellicht is geschied door een tankwagen met een gesloten systeem, maar dat geen gebruik wordt gemaakt van een gesloten silo, vergistingstank of geschikte open opslaghal, waarbij de verdringingslucht wordt benut als verbrandingslucht. Daarom kon volgens het college wel degelijk worden geconstateerd dat het voorschrift werd overtreden.

2.11.3. De voorzitter ziet in hetgeen [verzoekster] aanvoert geen aanleiding het hiervoor weergegeven standpunt van het college onjuist te achten. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is gelet daarop geen aanleiding.

2.12. Voorschrift 2.3.3 bepaalt dat alle laad-, los-, opslag en bewerkingsactiviteiten van dierlijke mest, organische (afval)stoffen en het digistaat inpandig dienen plaats te vinden. Dit voorschrift is volgens het bestreden besluit overtreden doordat mestwater is opgeslagen in een open opslagbassin.

2.12.1. [verzoekster] betoogt dat meerdere lasten worden opgelegd met betrekking tot één en hetzelfde feit. Volgens haar is de opslag van mestwater in een open opslagbassin van 7000 m3 beschouwd als een overtreding van zowel artikel 8.1 van de Wet milieubeheer als van voorschrift 2.3.3.

[verzoekster] betoogt voorts dat opslag zal plaats vinden in de gemelde mestzakken, die kunnen worden aangemerkt als een gesloten opslagsysteem, zodat van overtreding geen sprake meer is.

2.12.2. De voorzitter overweegt dat het niet naleven van het voorschrift om mest in een gesloten systeem op te slaan een andere overtreding is dan het in strijd met de vergunning realiseren en gebruiken van een niet vergund bassin. Dat de open opslag van mest plaats kan vinden met gebruik van het niet vergunde bassin maakt dat niet anders.

De voorzitter overweegt voorts dat indien de overtreding van het voorschrift beëindigd is, zoals [verzoekster] stelt, geen dwangsommen verbeurd zullen worden. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.13. Voorschriften 4.1.10 bepaalt dat overtollig water uit de bassins overeenkomstig de wettelijke voorschriften in een gesloten tankwagen uit de inrichting moet worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Voorschrift 4.1.11 bepaalt dat de bassins zodanig gedimensioneerd dienen te zijn dat een neerslagoverschot en percolaat/afvalwater kan worden opgevangen. Volgens het bestreden besluit worden deze voorschriften overtreden doordat afvalwater wordt opgeslagen in niet-vergunde opslagbassins.

2.13.1. [verzoekster] bestrijdt niet dat afvalwater wordt opgeslagen in niet-vergunde opslagbassins, maar stelt dat dit te wijten is aan de eerder genoemde omstandigheid dat het water niet meer geloosd kan worden op het oppervlaktewater, en evenmin op de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Voorts stelt zij dat het bassin van 7000 m3 en de mestzak van 4000 m3 gelegaliseerd kunnen worden, waarna voldoende capaciteit beschikbaar zal zijn.

2.13.2. De voorzitter overweegt dat het besluit tot oplegging van een dwangsom wegens het gebruik van het niet vergunde bassin van 7000 m3 en de mestzak van 4000 m3, zoals eerder werd overwogen, geschorst zal worden. Nu de geconstateerde overtreding van de voorschriften 4.1.10 en 4.1.11 door gebruik van deze voorzieningen is veroorzaakt, acht de voorzitter het aannemelijk dat de overtreding na legalisatie van deze voorzieningen is beëindigd. In deze omstandigheid ziet de voorzitter aanleiding het bestreden besluit ook in zoverre te schorsen.

2.14. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen, en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening voor het overige af te wijzen.

2.15. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 26 maart 2010, kenmerk 1666051, voor zover lasten onder dwangsom zijn opgelegd vanwege het in gebruik hebben van een bassin van 7000 m3, het in gebruik hebben van een mestzak van 4000 m3, het gebruik van een mobiele waterzuiveringsinstallatie, en voor zover lasten onder dwangsom zijn opgelegd vanwege de overtreding van de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.1, 2.3.1, 4.1.10 en 4.1.11, en bepaalt dat deze voorziening geldt tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 912,25 (zegge: negenhonderdtwaalf euro en vijfentwintig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

539.