Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4157

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
201003022/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het college aan MVG een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003022/2/M1.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mengvoeder Groep B.V. (hierna: MVG), gevestigd te Holten, gemeente Rijssen-Holten,

en

het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het college aan MVG een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

Tegen dit besluit heeft MVG bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2010, heeft MVG de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 april 2010, waar MVG, vertegenwoordigd door [eigenaar] en [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door C. van Bart, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.11, derde lid, van het Activiteitenbesluit wordt, indien in de inrichting een bodembedreigende activiteit is verricht, uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting of na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof of afgewerkte olie in een ondergrondse opslagtank, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit toegezonden aan het bevoegd gezag. In dit rapport wordt ten minste vermeld:

a. de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

b. de wijze waarop het onderzoek is verricht;

c. de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigende stoffen en de herkomst daarvan;

d. de mate waarin de bodemkwaliteit is gewijzigd ten opzichte van de situatie bij de oprichting of de verandering van de inrichting voor zover die situatie is vastgelegd in een rapport;

e. de wijze waarop en de mate waarin de bodemkwaliteit wordt hersteld als bedoeld in het vijfde lid.

2.2. Volgens het college is in juni 2009 bericht ontvangen van MVG dat haar bedrijfsactiviteiten aan de Larenseweg 48 te Holten worden beëindigd. Deze activiteiten omvatten volgens het college mede een tankstation. Er is geconstateerd dat er geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaatsvinden. Oliecentrale Nederland B.V. heeft in samenspraak met MVG een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit ingediend. Bij brief van 27 augustus 2009 heeft het college MVG meegedeeld dat het ingediende rapport niet voldoet aan de criteria van het Activiteitenbesluit. In het bestreden besluit wordt MVG gelast een rapport met de resultaten van een aanvullend onderzoek naar de bodemkwaliteit in te dienen vóór 7 mei 2010 op verbeurte van een dwangsom per week dat de rapportage niet is ingediend.

2.3. Bij uitspraak van 9 februari 2010 in zaaknr. 200910062/1/M1 heeft de voorzitter het besluit van het college van 1 december 2009 waarbij MVG een last onder dwangsom is opgelegd wegens overtreding van artikel 3.37, derde lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, geschorst, omdat de vraag of MVG of haar huurster sinds 1 juni 1999 als drijver van de inrichting is opgetreden in het kader van die procedure niet met voldoende zekerheid was te beantwoorden. Naar het oordeel van de voorzitter moest in het kader van de behandeling van het bezwaar nader onderzoek naar de feiten worden gedaan. De voorzitter zag, gelet op het feit dat mogelijk sprake is van ernstiger verontreiniging van de bodem dan blijkt uit het bodemonderzoek, aanleiding voor twijfel of van MVG gevergd kon worden dat zij zonder nader onderzoek overgaat tot verwijdering van de ondergrondse tanks, leidingen en appendages.

2.4. MVG betoogt dat zij sinds 1 juni 1999 niet de drijver van het tankstation is geweest. Per die datum heeft zij het tankstation verhuurd aan [huurster]. [huurster] en haar rechtsopvolgster, Oliecentrale Nederland B.V. (hierna: OCN) hebben volgens MVG het tankstation voor hun rekening en risico geëxploiteerd, totdat OCN per 31 mei 2009 de huur en de exploitatie heeft beëindigd. Daarbij heeft OCN een eindsituatie bodemonderzoek doen verrichten en het rapport "Eindsituatie bodemonderzoek ter plaatse van het Brandstof Service Punt aan de Larenseweg 48 te Holten", gedateerd mei 2009 (hierna: het bodemonderzoek), aan het college toegezonden. Daarmee is volgens MVG tevens gemeld dat OCN de exploitatie van het tankstation heeft beëindigd. Volgens MVG volgt uit het vorenstaande dat niet zij, maar OCN de opslag van vloeibare brandstoffen heeft beëindigd.

MVG betoogt dat uit het bodemonderzoek is gebleken dat het gehalte aan MTBE is verhoogd. Tevens is verontreiniging aangetroffen onder de Larenseweg, eigendom van de gemeente Rijssen-Holten. Volgens MVG is OCN verantwoordelijk voor de verontreiniging en kon OCN passende maatregelen treffen voor het einde van de huurovereenkomst. Volgens MVG kan dit van haar niet worden gevergd.

Volgens MVG heeft er sinds de uitspraak van 9 februari 2010 met zaaknr. 200910062/1/M1 geen onderzoek naar nieuwe feiten plaatsgevonden.

MVG voert aan dat zij schade lijdt doordat onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor de verontreiniging, waardoor zij de locatie niet opnieuw kan verhuren.

2.5. Het college betoogt dat MVG zich steeds als drijver van de inrichting heeft opgesteld. Het college wijst op een aantal aanschrijvingen waaruit blijkt dat MVG steeds is aangesproken op naleving van de milieuwetgeving en daadwerkelijk ook de voor naleving benodigde handelingen heeft verricht. Tevens heeft MVG een aantal verplichte meldingen gedaan, aldus het college. MVG heeft het drijverschap volgens het college ook nooit betwist. Het college wijst er voorts op dat MVG in 1999 geen eindsituatie bodemonderzoek heeft ingeleverd en OCN de oprichting van een nieuwe inrichting niet heeft gemeld.

Volgens het college heeft OCN slechts op privaatrechtelijke basis het bodemonderzoek aangeleverd. Het college wijst erop dat de bezwaarcommissie uit de huurovereenkomst heeft afgeleid dat MVG als drijver moet worden aangemerkt.

Volgens het college lijdt MVG geen schade, omdat zij volgens het college op grond van de wet en vaste jurisprudentie altijd al gehouden was aan de verplichtingen op grond van het Activiteitenbesluit te voldoen.

Het college voert aan dat het niet over meer gegevens beschikt dan ten tijde van de uitspraak van 9 februari 2010.

2.6. De voorzitter overweegt dat tussen OCN en het college niet in geschil is dat in deze procedure net als in de in rechtsoverweging 2.3 genoemde zaak 200910062/1/M1 de vraag aan de orde is of MVG of haar huurster sinds 1 juni 1999 als drijver van de inrichting is opgetreden. Tussen OCN en het college is evenmin in geschil dat sinds de uitspraak van 9 februari 2010 in zaaknr. 200910062/1/M1 geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen en dat het college daar ook geen onderzoek naar heeft verricht. Derhalve valt ook in de onderhavige procedure niet met voldoende zekerheid vast te stellen of MVG of haar huurster sinds 1 juni 1999 als drijver van de inrichting is opgetreden. In het kader van de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2010 zal het college ter zake nader onderzoek moeten verrichten.

2.7. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter bij afweging van belangen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten van 11 maart 2010, kenmerk 1742-PMC-0990162, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op het gemaakte bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mengvoeder Groep B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

433.