Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4155

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
201001809/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Manger Cats 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001809/2/R2.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Manger Cats 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2010, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2010, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de Stichting Beheer 'Schietvereniging Driebergen-Rijsenburg', tennisvereniging 'Manger Cats', Dat Staat Vastgoed B.V. en [belanghebbende] (hierna de schietvereniging en anderen) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[verzoekers] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 april 2010, waar [verzoekers], in de persoon van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door G. Veenstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord de schietvereniging en anderen, vertegenwoordigd door mr. G.H. van der Waaij, advocaat te Leusden, en [belanghebbende].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet onder meer in het vernieuwen en uitbreiden van de bestaande schietbanen, de bouw van vijftien woningen en vier appartementen en het vernieuwen van de bestaande tennisbanen. [verzoekers] wonen in de directe omgeving ten noordwesten van het plangebied.

2.3. [verzoekers] betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Zij beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding van het plan te voorkomen. Zij wijzen er in dit verband op dat al bouwvergunningen zijn aangevraagd voor de bouw van de woningen, de appartementen en een gebouw ten behoeve van de schietbanen. Verder voeren [verzoekers] aan, samengevat weergegeven, dat het plan hun leefomgeving zal aantasten. Voorts brengen zij naar voren dat het plangebied van groot belang is voor bijzondere flora en fauna en dat de verleende ontheffing is gebaseerd op onzorgvuldig onderzoek. Tevens is binnen het plangebied sprake van bodemverontreiniging en is onduidelijk of dit risico's met zich brengt voor hun percelen en voor het nabij gelegen waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied, aldus [verzoekers] .

2.4. Vaststaat dat inmiddels bouwvergunningen zijn aangevraagd voor de veertien woningen, het appartementencomplex en een schietaccommodatie. Gelet hierop acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig, zodat in het navolgende zal worden onderzocht of aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Het plan voorziet achter de tuinen van [verzoekers] in veertien woningen en een appartementencomplex op een afstand van minimaal 38 meter van de woningen van [verzoekers]. De maximaal toegestane bouwhoogte is voor de woningen 6,5 meter en voor het appartementencomplex 8 meter. De aarden wal met beplanting achter de tuinen van [verzoekers] zal voor een groot deel behouden blijven. Mede in aanmerking genomen dat op grond van artikel 8, tweede lid, onder 2, sub d, van de planregels de niet-geschakelde zijde van de woningen op minstens twee meter van de zijdelingse perceelsgrens moet worden gesitueerd, is de voorzitter op voorhand van oordeel dat het plan niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de leefomgeving van [verzoekers].

2.5.1. In de bijlage bij de plantoelichting is het uitgevoerde natuuronderzoek opgenomen. Hierin is vermeld dat verspreid over vier maanden veldbezoeken in het plangebied hebben plaatsgevonden. In de conclusie is vermeld dat het plan niet in de weg staat aan de natuurlijke ontwikkeling van de nabijgelegen Ecologische Hoofdstructuur en dat met enkele maatregelen het leefgebied van beschermde soorten in stand kan worden gehouden. Voorts is bij besluit van 25 juli 2008 op grond van de Flora- en faunawet een ontheffing onder voorwaarden verleend voor het prachtklokje, het ruig klokje, de baardvleermuis en de hazelworm. De voorzitter is door hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd er niet van overtuigd geraakt dat zich naast genoemde soorten in het plangebied andere beschermde soorten bevinden en dat die in de weg zullen staan aan de uitvoering van het plan. Nu [verzoekers] pas op 1 februari 2010 bezwaar hebben gemaakt tegen de verleende ontheffing moet er op voorhand van worden uitgegaan dat de ontheffing onherroepelijk is, zodat vooralsnog geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren.

2.5.2. Volgens de plantoelichting heeft ter plaatse van de schietbanen een bodemonderzoek plaatsgevonden. Op basis hiervan is in de plantoelichting de conclusie opgenomen dat schietbaan 5 mogelijk ernstig is verontreinigd en dat nader onderzoek noodzakelijk is. Ter zitting is komen vast te staan dat de op grond van een nader onderzoek in het plangebied vastgestelde verontreiniging zal worden gesaneerd en dat het saneringsplan bijna gereed is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter zal de verontreiniging dan ook geen gevolgen hebben voor het nabijgelegen waterwingebied, het grondwaterbeschermingsgebied of de percelen van [verzoekers].

2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in hetgeen [verzoekers] thans hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in zoverre in de bodemprocedure zal worden vernietigd. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Langeveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

317-545.