Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM3273

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
200903716/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2009, zaaknummer 2006-007797, heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maasdriel bij besluit van 22 februari 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Binnendijks deel".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903716/1/R1.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2009, zaaknummer 2006-007797, heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maasdriel bij besluit van 22 februari 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Binnendijks deel".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2009, en [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2009, beroep ingesteld. [appellante sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 22 juni 2009.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2010, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [maat B], [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. W. Braam, juridisch adviseur, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door A.G. van Liempt, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in een planologische regeling voor de binnendijks gelegen gronden van het buitengebied van de gemeente Maasdriel, met uitzondering van de intensiveringszones voor glastuinbouw.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.3. [appellante sub 1] betoogt in beroep dat het college de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2008, zaaknr. 200608739/1, onvoldoende in acht heeft genomen nu het college opnieuw goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met, voor zover thans van belang, de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "3-toegestane hogere milieucategorie" ter plaatse van haar bedrijf in [plaats]. In dit verband voert zij aan dat zij door de gekozen bestemming in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd, omdat nieuwe activiteiten op haar perceel binnen het bedrijf slechts zijn toegestaan in de milieucategorieën 1 en 2. Het bedrijf is reeds meer dan 30 jaar ter plaatse gevestigd en een wijziging van de bedrijfsactiviteiten zal niet leiden tot een aantasting van de natuurwaarden, aldus [appellante sub 1].

2.3.1. Het college heeft opnieuw goedkeuring verleend aan het plandeel waarbij het zich op het standpunt heeft gesteld dat de bestaande bedrijfsactiviteiten mogen worden voortgezet, maar dat een beperking van nieuwe categorie 3 bedrijfsactiviteiten gerechtvaardigd is, omdat het plandeel is gelegen binnen de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) waarvoor de 'nee-tenzij'-benadering geldt. Dit houdt volgens het college in dat bestemmingsplanwijziging niet mogelijk is als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. [appellante sub 1] heeft wel mogelijke nieuwe bedrijfsactiviteiten aangedragen, maar heeft niet met een onderzoek onderbouwd dat deze activiteiten de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet aantasten, aldus het college. Het college wijst in dit verband op de vrijstellingsregeling in artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften.

2.3.2. Het bedrijf van [appellante sub 1] is gevestigd op het bedrijventerrein De Hogewaard ten zuidwesten van de kern Heerewaarden. Aan het perceel is, voor zover thans van belang, de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduidingen "3-toegestane hogere milieucategorie", "DH-De Hogewaard" toegekend.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, zijn, voor zover thans van belang, op de tot "Bedrijventerrein" bestemde gronden, uitsluitend bedrijven toegestaan in de categorieën 1 en 2 van de bijgevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften geldt het bepaalde onder a niet ter plaatse van de aanduiding "toegestane hogere milieucategorie". Ter plekke mag volgens het planvoorschrift het bestaande bedrijf worden gehandhaafd en wel in de op de kaart vermelde hogere milieucategorie; bij omschakeling naar een ander bedrijfstype dient te worden voldaan aan het bepaalde onder a.

Ingevolge artikel 7, vierde lid, onder 1, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onder a en b, teneinde bedrijven toe te staan tot maximaal categorie 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten ingevolge artikel 7, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden plaats;

b. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het woon- en leefmilieu;

Hiertoe wordt door het college van burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige op het gebied van milieu. Deze vrijstelling wordt niet eerder verleend dan nadat van het college een verklaring van geen bezwaar is ontvangen.

2.3.3. Zoals de Afdeling reeds in voormelde uitspraak van 13 februari 2008 heeft overwogen is uit het deskundigenbericht af te leiden dat [appellante sub 1] sinds 1977 ter plaatse is gevestigd en dat zij ter plaatse een straalapparatuurbedrijf exploiteert. Niet in geschil is dat deze activiteiten vallen onder milieucategorie 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en dat [appellante sub 1] de bestaande activiteiten op grond van het plan mag voortzetten.

Indien [appellante sub 1] ter plaatse andere activiteiten wenst te ontplooien of toe te laten zijn op grond van artikel 7, tweede lid, onder a en b, van de planvoorschriften bij recht slechts bedrijfsactiviteiten toegestaan in de milieucategorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten.

2.3.4. In tegenstelling tot de in het bestreden besluit gegeven motivering heeft het college zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bedrijventerrein De Hogewaard niet is gelegen in het gebied dat op de Beleidskaart Ruimtelijke Structuur van het Streekplan Gelderland 2005 is aangeduid als EHS, maar binnen de op deze Beleidskaart gelegen aanduidingen "multifunctioneel gebied" en "bebouwd gebied 2000". Gelet hierop berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Voorts volgt, anders dan het college ter zitting heeft betoogd, niet uit het voornoemde streekplan dat de daarin opgenomen 'nee-tenzij'-benadering ook van toepassing is op gronden die buiten de EHS zijn gelegen, ook als deze gronden wel zijn omgeven door de EHS.

Gelet hierop is de conclusie dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduidingen "3-toegestane hogere milieucategorie", "DH-De Hogewaard" ter plaatse van het bedrijf van [appellante sub 1] op het bedrijventerrein De Hogewaard te Heerewaarden niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient op dit punt wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.3.5. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat in het plan is gekozen voor een beperking van categorie 3 bedrijfsactiviteiten op het bedrijventerrein De Hogewaard, omdat de aangrenzende gronden tot de EHS behoren en niet is uitgesloten dat activiteiten op De Hogewaard kunnen leiden tot een aantasting van de EHS. Gelet op de omstandigheid dat De Hogewaard grenst aan de EHS heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de bescherming van de waarden van de EHS meer gewicht mag worden toegekend dan aan de belangen van [appellante sub 1] bij het onbeperkt omschakelen van de bedrijfsactiviteiten en dat derhalve het in artikel 7 van de planvoorschriften neergelegde regime niet onredelijk is. Hierbij heeft het college van belang kunnen achten dat het bestaande gebruik van het bedrijf kan worden voortgezet en dat gelet op de vrijstellingsmogelijkheid in artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften niet is uitgesloten dat, indien wordt voldaan aan de aldaar genoemde voorwaarden, vrijstelling kan worden verleend van het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onder a en b, van de planvoorschriften. Hierdoor is niet uitgesloten dat [appellante sub 1] na vrijstelling ook andere bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3 kan uitoefenen. Aan deze beperking van de bedrijfsactiviteiten liggen, anders dan [appellante sub 1] betoogt, ruimtelijke motieven ten grondslag. Voorts is, anders dan in de uitspraak van 13 februari 2008 is overwogen, thans niet gebleken van concrete plannen voor het ontplooien van andere bedrijfsactiviteiten waar het college rekening mee diende te houden bij het nemen van het hernieuwde besluit tot goedkeuring. In dit verband overweegt de Afdeling dat [appellante sub 1] de toen bestaande plannen voor het ontplooien van andere bedrijfsactiviteiten niet heeft uitgevoerd en dat ter zitting is gebleken dat hiertoe ook geen voornemen meer bestaat. Voorts is ter zitting onweersproken gesteld dat de plannen die [appellante sub 1] heeft voor op- en overslag van containers niet zien op gronden die behoren tot onderhavig plangebied.

2.3.6. Ten aanzien van de door [appellante sub 1] gemaakte vergelijking met de omstandigheid dat het naastgelegen [bedrijf] enige jaren geleden mocht uitbreiden wordt overwogen dat ter zitting onweersproken is gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie van [appellante sub 1], omdat [bedrijf] op grond van het toen geldende planologische regime zijn bedrijfsactiviteiten heeft kunnen uitbreiden. Het betoog faalt derhalve.

Het beroep van [appellante sub 2]

2.4. [appellante sub 2] heeft in beroep allereerst verwezen naar haar beroepschrift in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2008. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat in die uitspraak is ingegaan op alle beroepsgronden van [appellante sub 2] en dat thans een ander besluit tot goedkeuring voorligt. De Afdeling zal slechts over die beroepsgronden een oordeel geven die zien op het hernieuwde besluit tot goedkeuring.

2.5. Anders dan [appellante sub 2] veronderstelt, heeft het college in het bestreden besluit niet besloten over de goedkeuring van het in artikel 3, zesde lid van de planvoorschriften, opgenomen aanlegvergunningenstelsel voor zover het betreft de passage "wandelkappen, vanwege vruchtwisselingseis bij teelt in de grond, aansluitend aan het bouwblok tot een maximum van 2 ha.". Het college heeft met betrekking tot het perceel van [appellante sub 2] besloten over de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" ter plaatse van het perceel van [appellante sub 2] tussen de Steenbeemdstraat en de Berm te Kerkdriel. Voormelde uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2008 strekt, anders dan [appellante sub 2] betoogt, niet zover dat het college over dat plandeel geen besluit meer kon nemen.

2.6. [appellante sub 2] betoogt voorts dat het college voormelde uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2008 onvoldoende in acht heeft genomen, omdat volgens haar bij de hernieuwde goedkeuring niet is getoetst aan het beleid in het streekplan Gelderland 2005. Voorts betoogt zij dat ten onrechte geen agrarisch bouwperceel op het plandeel is voorzien, omdat zij thans geen wandelkappen met een hoogte van 4,20 meter op het perceel kan oprichten.

2.6.1. Het college heeft opnieuw goedkeuring verleend aan het plandeel. Hierbij heeft het zich op het standpunt gesteld dat het gemeentelijk en provinciaal beleid gericht is op het concentreren van glastuinbouwbedrijven en dat het toekennen van een bouwperceel aan het perceel daar niet in past. Voort wijst het college op het beleid in het streekplan dat inhoudt dat de aanvaardbaarheid van teeltondersteunende voorzieningen in een gebied mede afhankelijk is van de aard en de verschijningsvorm in relatie tot de benoemde kwaliteit van het gebied. De ter plaatse reeds aanwezige teeltondersteunende voorzieningen kunnen, gelet op hun geringe afmeting, blijven bestaan, aldus het college.

2.6.2. [appellante sub 2] exploiteert een glastuinbouwbedrijf op gronden aan de Grote Inghweg en Steenbeemdstraat te Kerkdriel. Slechts een klein deel van haar gronden is in het plangebied opgenomen. Dit zijn de gronden tussen de Steenbeemdstraat en de Berm. Deze gronden hebben, voor zover thans van belang, de bestemming "Agrarisch gebied" gekregen. Een agrarisch bouwperceel is aan deze gronden niet toegekend.

2.6.3. In artikel 3, derde lid, onder 1, van de planvoorschriften is, voor zover thans van belang, bepaald dat op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" gebouwen uitsluitend binnen het agrarisch bouwperceel mogen worden opgericht.

Ingevolge artikel 3, derde lid, onder 2, van de planvoorschriften zijn, voor zover van belang, andere bouwwerken met een maximale bebouwingshoogte van 2 meter binnen de gehele bestemming toegestaan, met dien verstande dat voor teeltondersteunende voorzieningen op het agrarisch bouwperceel een hoogte van maximaal 6 meter geldt.

Nu aan het perceel geen agrarisch bouwperceel is toegekend, is het voor [appellante sub 2] niet mogelijk om de door haar gewenste wandelkappen op te richten.

2.6.4. In het streekplan Gelderland 2005 staat dat de aanvaardbaarheid van teeltondersteunende voorzieningen in een gebied mede afhankelijk is van de aard en de verschijningsvorm in relatie tot de benoemde kwaliteit van het gebied. Voorts worden daar enige ruimtelijke criteria opgesomd die in de overweging dienen te worden betrokken. Voorts staat in het streekplan dat het aan de gemeente is om verder invulling aan het beleid te geven. De raad heeft invulling aan dit beleid gegeven door voor het perceel van [appellante sub 2] geen bouwperceel op te nemen, waardoor het oprichten van bouwwerken met een hoogte van meer dan 2 meter, zoals de door [appellante sub 2] gewenste wandelkappen, niet mogelijk is. Het college heeft in onderhavig geval met de keuze van de raad ingestemd. Deze keuze is volgens het college gebaseerd op het in het provinciale beleid neergelegde uitgangspunt van concentratie van glastuinbouwbedrijven, de omstandigheid dat deze gronden in het voorheen geldende plan niet waren gelegen in een intensiveringsgebied en de omstandigheid dat de gronden op korte afstand van de EHS zijn gelegen. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiermee niet wordt voldaan aan het provinciaal beleid, noch heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij hierdoor onevenredig in haar bedrijfsvoering zal worden belemmerd.

2.6.5. [appellante sub 2] heeft zich in het beroepschrift overigens beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de bedenkingen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze bedenkingen. [appellante sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" ter plaatse van het perceel van [appellante sub 2] tussen de Steenbeemdstraat en de Berm te Kerkdriel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.

Proceskosten

2.8. Ten aanzien van [appellante sub 1] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellante sub 2] geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 1] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 3 april 2009, kenmerk 2006-007797, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduidingen "3-toegestane hogere milieucategorie", "DH-De Hogewaard" ter plaatse van het bedrijf van [appellante sub 1] op het bedrijventerrein De Hogewaard te Heerewaarden;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover vernietigd onder II;

IV. verklaart het beroep van [appellante sub 2] ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Huszar

voorzitter

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

533.