Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM3271

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
200905133/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2008 heeft het college een verzoek van [appellant sub 2] om het besluit van 10 oktober 2003, waarbij het college heeft geweigerd handhavend op te treden tegen de bouw van een stenen muur door [belanghebbende] op het perceel [locatie] te [plaats], en het besluit van 13 januari 2004, waarbij het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 10 oktober 2003 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard, in te trekken, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/549
Module Vastgoed en wonen 2010/299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905133/1/H1.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Heusden,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juni 2009 in zaak nrs. 08/2950 en 08/1966 in de gedingen tussen:

[appellant sub 2]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2008 heeft het college een verzoek van [appellant sub 2] om het besluit van 10 oktober 2003, waarbij het college heeft geweigerd handhavend op te treden tegen de bouw van een stenen muur door [belanghebbende] op het perceel [locatie] te [plaats], en het besluit van 13 januari 2004, waarbij het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 10 oktober 2003 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard, in te trekken, afgewezen.

[appellant sub 2] heeft daartegen bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het college heeft daarmee ingestemd.

Bij besluit van 11 januari 2008 heeft het college [belanghebbende] onder oplegging van een dwangsom gelast de opgerichte verlenging van de perceelafscheiding (de drie segmenten met een totale lengte van circa 8 meter in het verlengde van de eerder opgerichte, vergunningvrije perceelafscheiding) te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel aan te passen overeenkomstig de eisen voor vergunningvrij bouwen (hoogte terugbrengen tot maximaal 2 meter).

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard en het besluit van 11 januari 2008 ingetrokken.

Bij uitspraak van 9 juni 2009, verzonden op 10 juni 2009, heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 2 april 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard (zaak nr. 08/2950). Voorts heeft de rechtbank het tegen het besluit van 22 april 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover het college daarbij het bezwaar van [appellant sub 2] ongegrond heeft verklaard en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen (zaak nr. 08/1966). Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college voor zover deze zaak nr. 08/1966 betreft bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2009, en [appellant sub 2] voor zover deze zaak nr. 08/2950 betreft bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2009, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 28 augustus 2009.

[appellant sub 2] en het college hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Vught, zijn verschenen. Voorts is verschenen [belanghebbende].

2. Overwegingen

Hoger beroep van [appellant sub 2] tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 juni 2009 voor zover deze zaak nr. 08/2950 betreft

2.1. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de besluiten van 13 januari 2004 en 10 oktober 2003 op een onjuiste voorstelling van zaken zijn gebaseerd zodat het college deze had behoren in te trekken.

2.1.1. Bij uitspraak van 14 december 2005 in zaak nr. 200502776/1 heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellant sub 2] tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 februari 2005, waarbij het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 13 januari 2004 ingestelde beroep ongegrond is verklaard, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 maart 2007 in zaak nr. 200603543/1 heeft de Afdeling het door [appellant sub 2] tegen die uitspraak ingediende herzieningsverzoek afgewezen.

2.1.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.1.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ten aanzien van de in zijn ogen onjuiste vaststelling van de feiten op basis van een voorstelling van zaken door het college in de procedure die heeft geleid tot voormelde uitspraak van de Afdeling van 14 december 2005, niet als nieuwe feiten dan wel veranderde omstandigheden kan worden aangemerkt. Wat daar ook van zij, de vaststelling van de feiten is steeds onderdeel geweest van die procedure en [appellant sub 2] is in de gelegenheid geweest zijn standpunt daaromtrent naar voren te brengen.

Het betoog faalt.

2.2. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover deze zaak nr. 08/2950 betreft, te worden bevestigd.

Hoger beroep van het college tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 juni 2009 voor zover deze zaak nr. 08/1966 betreft

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor de verlenging van de perceelafscheiding geen bouwvergunning is vereist en het college aldus niet bevoegd was handhavend op te treden. Daartoe voert het college aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat tussen de op het perceel [locatie] staande woning en de garage/berging en de verlenging van de perceelafscheiding geen functionele relatie in planologische zin bestaat. Voorts heeft zij volgens het college ten onrechte aangenomen dat sprake is van een voor deze zaak relevante wijziging van de jurisprudentie van de Afdeling.

2.4. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb) wordt, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt:

het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1) niet hoger dan 1 meter, of

2) niet hoger dan 2 meter en gebouwd:

a) op een erf of perceel waarop reeds een gebouw staat,

b) meer dan 1 meter achter de voorgevelrooilijn, en

c) meer dan 1 meter van de weg of het openbaar groen.

Ingevolge artikel 20, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) blijven de voorschriften van het bestemmingsplan buiten toepassing voor zover deze betrekking hebben op bouwen waarvoor krachtens artikel 43, eerste lid, van de Woningwet, geen bouwvergunning is vereist.

2.5. In de uitspraak van 5 oktober 2005 in zaak nr. 200410184/1 waarnaar de rechtbank heeft verwezen, heeft de Afdeling geoordeeld dat tussen de in geding zijnde damwand en de aanwezige woning geen functionele relatie kan worden onderkend, zodat niet wordt voldaan aan het in artikel 2, aanhef en onder e, ten tweede, sub a, van het Bblb gestelde kenmerk. In de uitspraak van 20 augustus 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200708440/1">200708440/1</a> is geoordeeld dat uit de uitspraak van 5 oktober 2005 en de uitspraken van 14 februari 2007 in zaak nr. 200603920/1 en 5 december 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200702720/1">200702720/1</a> volgt dat bij de beoordeling of sprake is van een functionele relatie tussen de terreinafscheiding en de woning grote, zo niet doorslaggevende betekenis toekomt aan de voor het perceel geldende planologische regeling.

2.6. Ingevolge de bestemmingsplannen "Buitengebied Vlijmen" en "Uitbreidingsplan in hoofdzaak 1965" rusten op het perceel de bestemmingen "Agrarisch gebied A (primair gebied)" en "Landelijk gebied II".

2.7. In de uitspraak van 14 december 2005 heeft de Afdeling ten aanzien van de muur overwogen dat het hier niet gaat om een muur waarmee een erf binnen een perceel wordt afgescheiden maar om een afscheiding van het perceel zelf waarop een woning is gesitueerd zodanig, dat de perceelafscheiding kan worden aangemerkt als daarbij behorend.

Bij besluit van 7 december 2005 heeft het college aan [belanghebbende] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een garage/berging op het perceel. In de uitspraak van 21 maart 2007 in zaak nr. 200701064/1 en 200701064/2 heeft de Afdeling ten aanzien van dat bouwwerk, dat is gerealiseerd op een afstand van circa 28 meter van het woonhuis van [belanghebbende], geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat het bouwwerk zal worden gebruikt voor andere dan privédoeleinden.

2.8. De thans in geding zijnde verlenging van de perceelafscheiding sluit aan op de in de uitspraak van 14 december 2005 aan de orde zijnde muur en sluit nagenoeg aan op de in de uitspraak van 21 maart 2007 aan de orde zijnde garage/berging. Gelet op het vorenstaande kan een functionele samenhang worden onderkend tussen het woonhuis, de garage/berging en de verlenging van de muur. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, ziet de Afdeling voor wat betreft de verlenging van de perceelafscheiding geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat ten aanzien van de muur bij uitspraak van 14 december 2005 is gegeven. Die uitspraak is niet op andere uitgangspunten gebaseerd dan de uitspraak van 5 oktober 2005 en de uitspraken waarin daarbij is aangesloten. Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat voor het perceelsgedeelte een bestemmingsregeling geldt die het oogmerk heeft om de betrokken gronden landelijk te houden volgt de Afdeling de rechtbank daarin niet, nu het Bblb slechts de eis stelt dat het gaat om erf of perceel waarop reeds een gebouw staat, niet om een bestemming die een gebouw toestaat. De uitspraak van de Afdeling van 23 april 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200705547/1">200705547/1</a> waarnaar [appellant sub 2] heeft verwezen ziet met name op de definitie van 'Erf' in het Bblb, en, zoals in de uitspraak van 14 december 2005 is vastgesteld, gaat het hier niet om een muur waarmee een erf binnen een perceel wordt afgescheiden. Dat het woonhuis, de garage/berging en de (verlenging van de) muur volgens [appellant sub 2] (deels) op verschillende bestemmingen zijn gelegen, kan daaraan niet afdoen, nu deze bestemmingen in dit licht als soortgelijk kunnen worden bezien. Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat het perceel deels wordt gebruikt als bedrijfsterrein voor het cateringbedrijf van [belanghebbende] maakt dit het evenmin anders, nu dit gebruik slechts mogelijk is door het ontbreken van een gebruiksverbod. De verlenging van de perceelafscheiding met een hoogte van 2 meter voldoet aan de omschrijving van artikel 2, aanhef en onder e, van het Bblb zodat daarvoor op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist. Het college heeft zich dan ook terecht niet bevoegd geacht om in zoverre handhavend op te treden tegen de verlenging van de perceelafscheiding. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.

2.9. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover deze zaak nr. 08/1966 betreft, te worden vernietigd.

2.10. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat het verslag van de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie onvolledig is, faalt dit. De Afdeling stelt vast dat van de hoorzitting, die op 1 april 2008 heeft plaatsgevonden, een verslag is gemaakt, waarmee is voldaan aan de eisen van artikel 7:7 van de Awb. De omstandigheid dat het verslag, naar [appellant sub 2] stelt, een onvolledige weergave is van hetgeen is gezegd tijdens de hoorzitting kan als zodanig niet leiden tot vernietiging van het besluit. Voor zover de gestelde onvolledigheid dan wel onjuistheid van belang kan zijn voor de beoordeling van het onderhavige geding, betrekt de Afdeling deze opmerkingen in haar oordeel.

Dit in aanmerking nemende en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding het inleidende beroep ongegrond te verklaren.

2.11. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb door [appellant sub 2] zodat voor een veroordeling van [appellant sub 2] in de proceskosten, zoals door het college verzocht, geen aanleiding bestaat. Ook overigens bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Heusden gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juni 2009 voor zover deze zaak nr. 08/1966 betreft;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze zaak nr. 08/2950 betreft.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

444