Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM3268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
200908295/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2006 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een dubbel woonhuis op het perceel [locatie] te Baarn (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908295/1/H1.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), wonend te Baarn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) van 17 september 2009 in zaak nr. 08/1311 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2006 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een dubbel woonhuis op het perceel [locatie] te Baarn (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 april 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2009, verzonden op 18 september 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2010, waar

[een van de appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. L.E. de Geer, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door P. Janse en

H. van Ravenswaaij, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een dubbele woning op het perceel.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat op het perceel ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Noord/Noord-West" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Tuin, erf" rust met de aanduiding "beeldbepalend pand" en niet de bestemming "Woningen (W)". Zij wijst erop dat op de bestemmingsplankaart in het betrokken bestemmingsvlak de lettercode "W" niet is opgenomen.

2.2.1. Dit betoog faalt. Gelet op de systematiek van kleuraanduiding en arceringen op de plankaart is aan het perceel een woonbestemming toegekend, nu het perceel is voorzien van een geelgestippeld kleurvlak. Anders dan [appellant] heeft gesteld, kent het bestemmingsplan niet de bestemming "Tuin, erf". Weliswaar wordt in de legenda van de plankaart een onderscheid gemaakt tussen "tuin" en "erf", waarbij voor "erf" dezelfde kleuraanduiding en arcering wordt gebruikt als voor gronden met een woonbestemming, maar nu het bestemmingsplan ter zake geen voorschriften bevat, komt aan genoemde duidingen geen betekenis toe.

Verder betekent het ontbreken van de aanduiding "W" op de plankaart wat het perceel en aangrenzende gronden betreft niet dat geen woonbestemming op het perceel rust, dan wel dat er geen woningen gebouwd mogen worden. Dit te minder, nu op de aan het perceel grenzende gronden reeds, in overeenstemming met de bestemming, twee woningen, waaronder de woning van [appellant], aanwezig zijn.

2.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder A, aanhef en onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) is, voor zover thans van belang, aan de gronden die volgens de plankaart zijn bestemd voor "Woningen (W)" het doeleinde wonen toegekend.

Ingevolge het bepaalde onder C, aanhef en onder a, zijn voor zover thans van belang, ten dienste van en in verband met deze bestemming toegelaten: woningen.

Ingevolge het bepaalde in het tweede lid, aanhef, mag op de in dit artikel bedoelde gronden, voor zover thans van belang, slechts worden gebouwd onder de volgende voorwaarden:

a. voor zover op de plankaart bouwgrenzen voorkomen zullen de hoofdgebouwen in of ten hoogste 2 m achter deze bouwgrenzen worden gebouwd;

b. voor zover op de plankaart bouwvlakken voorkomen zullen de gebouwen uitsluitend in deze bouwvlakken worden gebouwd;

(…);

d. het aantal bouwlagen per hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan op de plankaart staat aangegeven;

k. de diepte van het hoofdgebouw mag niet meer dan 10 m bedragen, met dien verstande, dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn nadere eisen te stellen, waarbij een geringere diepte kan worden verlangd indien dit in verband met de bestaande situatie, de bruikbaarheid van aangrenzende percelen en de in artikel 4 opgenomen Beschrijving in Hoofdlijnen noodzakelijk is.

In het derde lid, aanhef en onder E, is bepaald dat het college bevoegd is vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het tweede lid, onder k, ten behoeve van het bouwen van een hoofdgebouw met een diepte van maximaal 12 m, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Artikel 15, aanhef en onder b, bevat een algemene vrijstellingsbepaling indien het betreft overschrijding van bestemming- en bouwgrenzen met ten hoogste 1,50 m.

In artikel 4, inhoudende de "Algemene beschrijving in hoofdlijnen", voor zover thans van belang, is bepaald op welke wijze de onder 1 van artikel 5, genoemde doeleinden worden nagestreefd. In het tweede lid, onder a en b, is bepaald dat bouwplannen gericht dienen te zijn op het in stand houden van en waar nodig het terugbrengen en versterken van de in het plangebied aanwezige beeldkwaliteit, zoals beschreven in de toelichting onder 3.6., en dat de plaatsing en inrichting van het terrein zodanig gekozen worden dat sprake is van zorgvuldige inpassing in de ruimtelijke structuur.

2.4. Het voorziene bouwwerk is in strijd met het bestemmingsplan omdat de erkers de op de plankaart aangegeven bouwgrens met 0,75 m overschrijden. Tevens overschrijdt het bouwplan de toegestane diepte van het hoofdgebouw van 10 m met 1,60 m.

Het college heeft vrijstelling van het bestemmingsplan verleend ingevolge artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), teneinde het bouwplan mogelijk te maken.

2.5. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat wat betreft de bouwhoogte het in het bouwplan voorziene bouwwerk in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Volgens haar zijn niet meer dan twee bouwlagen toegestaan.

2.5.1. Dit betoog faalt. Het college heeft zich, wat het toegestane aantal bouwlagen betreft, op het standpunt gesteld dat in het bestemmingsplan het uitgangspunt is neergelegd dat het aantal bouwlagen van bestaande bouwwerken wordt toegestaan. Vast staat dat op de gronden, grenzend aan de noordzijde van het perceel, overeenkomstig het aantal bouwlagen van de daarop aanwezige bouwwerken ingevolge het bestemmingsplan twee bouwlagen zijn toegestaan. Op de aan de zuidzijde van het perceel grenzende gronden staan twee woningen, waaronder die van [appellant], met drie bouwlagen. Vaststaat dat deze gronden met het perceel voorheen één kadastraal perceel vormden. Mede gelet op het conserverende karakter van het bestemmingsplan en de aanwezige woningen, moet worden aangenomen dat, anders dan [appellant] betoogt, op het perceel niet slechts twee bouwlagen zijn toegestaan.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het bestemmingsplan zich niet verzet tegen realisering van twee woningen op het perceel dat voorheen onderdeel uitmaakte van een ander kadastraal perceel en thans daarvan is afgesplitst. Zij stelt dat artikel 4 van de planvoorschriften ertoe verplicht om een perceelsplitsing, indien die leidt tot het ontstaan van meer bouwmogelijkheden dan in het bestemmingsplan voorzien, te toetsen aan de ruimtelijke karakteristiek van het plan. Deze ruimtelijke karakteristiek laat, zeker in dit geval, geen splitsing van percelen toe die extra bebouwingsmogelijkheden tot gevolg heeft.

2.6.1. Het betoog faalt. In het bij de rechtbank bestreden besluit is de perceelsplitsing als zodanig niet aan de orde, maar gaat het om de vraag of het college in redelijkheid vrijstelling en bouwvergunning heeft kunnen verlenen voor de bouw van twee woningen op het perceel.

Ingevolge het bestemmingsplan is het toegestaan woningen te bouwen op gronden met de bestemming "Woningen (W)". De planvoorschriften stellen, anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, geen beperkingen aan het aantal toegestane woningen per perceel. Aan de begripsomschrijving van "perceel" in de planvoorschriften komt in dit verband dan ook geen betekenis toe. De omstandigheid dat het perceel voorheen onderdeel uitmaakte van een of meer andere kadastrale percelen is evenmin relevant. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Voor zover [appellant] met haar betoog beoogt te stellen dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat het college het bouwplan ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 4 van de planvoorschriften, zijnde de algemene beschrijving in hoofdlijnen, waarmee het bouwplan volgens haar in strijd is, wordt overwogen dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat dit artikel niet zodanig duidelijk en concreet geformuleerd is dat dit als toetsingskader voor bouwaanvragen kan dienen.

2.7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om nadere eisen te stellen ingevolge artikel 5, tweede lid, onder k, en onder l, van de planvoorschriften. Het college had hiertoe volgens [appellant] aanleiding moeten zien, gelet op de welstandsadviezen en de toelichting op en het conservatieve karakter van het bestemmingsplan, zoals dat blijkt uit artikel 4 van de planvoorschriften.

2.7.1. Nog daargelaten dat genoemd artikel een bevoegdheid geeft en geen verplichting voor het college behelst om nadere eisen te stellen, wordt overwogen dat [appellant] deze grond eerst in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant] voert op zichzelf met juistheid aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar stelling dat de bouwvergunning voor het bouwplan in strijd met de zogenoemde dubbeltelbepaling, opgenomen in artikel 3 van het bestemmingsplan, is verleend. Dit leidt echter niet tot het daarmee beoogde doel. De bouwtekening bevat ook een situatietekening. Uit de bijbehorende berekening volgt dat met de bouw van de voorziene woningen niet meer dan 50 procent van het perceel is bebouwd. Niet aannemelijk is geworden dat het bouwplan in strijd is met artikel 3 van het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

2.9. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet heeft overwogen dat het college door vrijstelling te verlenen, heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij wijst erop dat het college zich op het standpunt stelt dat op percelen aan de Eemnesserweg op de ruime achterterreinen geen bebouwing toegelaten is, terwijl die situaties in ruimtelijk relevante zin niet afwijken van de situatie ter plaatse van het bouwplan.

2.9.1. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Ter zitting is door het college onweersproken gesteld dat ter zake geen besluiten zijn genomen. Voor het college bestond dan ook in het door [appellant] gestelde geen aanleiding om medewerking te onthouden aan het bouwplan.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

163-640.