Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM3259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
200904074/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten onder meer krachtens artikel 83 van de Wet geluidhinder hogere grenswaarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, vanwege het wegverkeerslawaai vastgesteld voor zowel bestaande als nieuwe woningen ten behoeve van de aanleg van het Wansinktracé te Holten. Dit besluit is op 18 februari 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2010/3294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904074/1/M2.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten onder meer krachtens artikel 83 van de Wet geluidhinder hogere grenswaarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, vanwege het wegverkeerslawaai vastgesteld voor zowel bestaande als nieuwe woningen ten behoeve van de aanleg van het Wansinktracé te Holten. Dit besluit is op 18 februari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 30 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2010, waar [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door H.J. Hoksbergen en C. van Bart, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellanten] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit en dat hun beroep om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het college voert hierbij aan - samengevat weergegeven - dat het bestreden besluit niet voorziet in hogere geluidgrenswaarden voor de woningen van [appellanten]. [appellanten] hebben weliswaar tezamen met andere bewoners een zienswijze naar voren gebracht, maar zij hebben, nu zij geen schriftelijke machtiging hebben overgelegd, niet als vertegenwoordigers van deze groep bewoners beroep ingesteld, aldus het college.

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Het bestreden besluit is genomen om de aanleg van het Wansinktracé mogelijk te maken. Daarbij vindt een herinrichting plaats van de H.J. Wansinkstraat en de Industriestraat en wordt een nieuw wegvak aangelegd over een kleine afstand tussen de Oranjestraat en de H.J. Wansinkstraat. Ten behoeve van de aanleg van het tracé worden nieuwe (vervangende) woningen gebouwd. De overige woningen waarvoor de hogere waarden zijn vastgesteld zijn bestaande woningen. Het bestreden besluit is een noodzakelijke voorwaarde om de voorgenomen activiteiten te realiseren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 mei 2009 in zaak nr. 200805817/1/M2) zijn bij zo'n besluit rechtstreeks de belangen betrokken van iedere persoon die door de realisering van de voorgenomen activiteit rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt.

2.1.3. [appellanten] wonen in dezelfde straat en op zeer korte afstand van woningen waarvoor bij het bestreden besluit hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld. Onder die omstandigheid moet ervan worden uitgegaan dat [appellanten] - als direct omwonenden - door het besluit tot vaststelling van hogere geluidgrenswaarden rechtstreeks in hun belang worden geraakt.

Ten aanzien van het betoog van het college dat [appellanten] zonder schriftelijke machtiging niet als vertegenwoordigers van de groep bewoners die gezamenlijk een zienswijze naar voren heeft gebracht kunnen optreden, merkt de Afdeling op dat het door [appellanten] ingestelde beroep niet (mede) namens de bedoelde groep bewoners is ingesteld. Gelet op het voorgaande zijn [appellanten] belanghebbenden bij het bestreden besluit.

2.2. [appellanten] stellen dat het college onvoldoende heeft onderzocht of toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Er zijn volgens [appellanten] door het college ten onrechte geen bronmaatregelen betrokken bij het bestreden besluit. Zo heeft het college volgens [appellanten] niet onderzocht of het weren van vrachtverkeer tot een vermindering van de geluidbelasting zal leiden. Voorts voeren zij aan dat onduidelijk is op welke overwegende bezwaren van financiële aard het nemen van geluidreducerende maatregelen stuit.

2.2.1. Het college heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit gebaseerd op het door DHV uitgevoerde akoestisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 11 maart 2008 (hierna: het akoestisch rapport). Wat het toepassen van bronmaatregelen betreft, wordt in het akoestisch rapport vermeld dat de weg zal worden voorzien van zogenoemd stil asfalt, ZSA-SD. In het akoestisch rapport wordt verder vermeld dat het plaatsen van schermen langs de weg - bij wijze van maatregelen bij de overdracht - ter hoogte van de woningen op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en verkeerskundige aard stuit. Het terugbrengen van de maximumsnelheid is volgens het college bezwaarlijk met het oog op de doorstroming van het verkeer en stuit derhalve op overwegende bezwaren van verkeerskundige aard. In het akoestisch rapport wordt verder vermeld dat het aanbrengen van een nog stiller wegdek hoge kosten met zich brengt en slechts een beperkte geluidreductie oplevert.

2.2.2. Uit artikel 110a, eerste lid, van de Wet geluidhinder volgt dat burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd zijn tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Uit artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder volgt dat het college slechts toepassing kan geven aan de in het eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg, van de gevel van de betrokken woningen tot de hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.2.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voldoende onderzocht of toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg, van de gevel van de betrokken woningen tot de hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, of landschappelijke, of financiële aard. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is voor toepassing van nadere maatregelen. Anders dan [appellanten] stellen, zullen wel bronmaatregelen worden genomen, namelijk in de vorm van het aanbrengen van stil asfalt. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre geen toepassing heeft mogen geven aan zijn bevoegdheid om hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vast te stellen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.3. [appellanten] stellen dat het akoestisch onderzoek niet juist is uitgevoerd, zodat onzeker is of kan worden voldaan aan de vastgestelde hogere waarden. Zij voeren daartoe aan dat het onderzoek is gebaseerd op onjuiste verkeersaantallen en dat er een onjuist verkeersmodel is gehanteerd. Voorts blijkt volgens hen niet uit het onderzoek in hoeverre maatregelen ter beperking van de geluidhinder bij de ontvanger in de afweging zijn betrokken, zoals gevelisolatie of groencompensatie. Zij stellen tot slot dat de Stationstraat en de Waagweg ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten in het akoestisch onderzoek.

2.3.1. De bijlage van het bestemmingsplan Wansinktracé bevat de nadere onderbouwing van de in het akoestisch onderzoek gehanteerde verkeerscijfers, alsmede de onderbouwing van de aanpassingen van het verkeersmodel ten gevolge van verschillende nieuwe ontwikkelingen tussen de data van de bouw van het verkeersmodel en van het akoestisch onderzoek.

[appellanten] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in zoverre in het akoestisch rapport is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre niet van de conclusies in het akoestisch rapport heeft mogen uitgaan.

2.3.2. Ten aanzien van de stelling van [appellanten] dat de Stationstraat en de Waagweg ten onrechte niet bij het akoestisch onderzoek zijn betrokken, overweegt de Afdeling als volgt. Een besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden wordt genomen in het kader van een bestemmingsplan of een andere planologische ontwikkeling. Artikel 74, eerste lid, onder a 2˚, van de Wet geluidhinder bepaalt dat een weg in stedelijk gebied bestaande uit een of twee rijstroken een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de breedte aan weerszijden van de weg van 200 meter. De Stationstraat en de Waagweg zijn niet meegenomen in het akoestisch onderzoek omdat beide straten buiten voornoemde zone van 200 meter liggen. Voorts is voor de Stationstraat en de Waagweg geen bestemmingsplan vastgesteld, noch is anderszins sprake van planologische ontwikkelingen.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

407-632.