Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM3256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
200807754/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Huizen (hierna: de raad) bij besluit van 24 januari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Natuurgebieden" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 10-98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807754/1/R2.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Huizen (hierna: de raad) bij besluit van 24 januari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Natuurgebieden" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2008, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 12 november 2008. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 27 november 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2009, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.W. Bos, advocaat te Amsterdam, vergezeld door [directeur] van [bouwmaatschappij], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. P.M.J. de Haan, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Riessen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door H.J. Brasser, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op de natuurgebieden ten zuiden en ten westen van de bebouwde kom van Huizen en op een deel van de oeverstrook van het Gooimeer en voorziet in een actualisatie van een verouderd bestemmingsplan. Het plan is conserverend van aard.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

2.3. Ter zitting hebben [appellant sub 1] en anderen het beroep ingetrokken voor zover gericht tegen de goedkeuring van artikel 8, derde lid, sub a, onderdeel 4, onder a, van de planvoorschriften.

2.4. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het bestemmingsplan onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de Stichting Gooisch Natuurreservaat (hierna: de Stichting) te veel invloed heeft gehad bij de totstandkoming van het plan. Het beheerplan van deze Stichting is ten onrechte als 'overig beleid' aangemerkt in de plantoelichting. [appellant sub 1] en anderen wijzen er bovendien op dat een wethouder blijkens de statuten lid is van het algemeen en dagelijks bestuur van de Stichting.

2.4.1. De Stichting is een samenwerkingsverband van de provincie Noord-Holland, zes Gooise gemeenten en de gemeente Amsterdam. De Stichting heeft het merendeel van de natuurgebieden in het plangebied in eigendom en daarom heeft in het kader van artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 overleg plaatsgevonden met de Stichting. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de Stichting een overheidsstichting is die in het leven is geroepen voor het beheer van de natuurgebieden. De raad heeft desgevraagd uiteengezet dat de bestuursleden van de Stichting worden benoemd door het college en door de colleges van burgemeester en wethouders van de zes gemeenten en dat middels de jaarstukken verantwoording wordt afgelegd over het gevoerde beleid. Dat in de plantoelichting een paragraaf is opgenomen over het beheerplan van de Stichting waaruit naar voren komt dat behoud, versterking en ontwikkeling van natuurgebieden wordt nagestreefd, betekent niet dat bij de planvaststelling met andere belangen dan het natuurbelang geen rekening is gehouden. Gelet hierop alsmede de aard van de Stichting ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de besluitvorming in zoverre onzorgvuldig is verlopen.

Landgoed

2.5. [appellant sub 1] en anderen, eigenaar en bewoners van [landgoed], komen in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Landgoed III" voor zover dit betrekking heeft op de gronden ten oosten van de bestemming "Landgoed II" waarop de villa en manege zijn gelegen. De gekozen grens tussen de bestemming "Landgoed II" en de bestemming "Landgoed III" is volgens [appellant sub 1] en anderen niet in overeenstemming met het door de raad gehanteerde uitgangspunt dat reeds gevestigde private belangen niet verder beperkt mogen worden. De toegekende bestemming leidt vanwege een bouwverbod en aanlegvergunningenstelsel tot vergaande beperkingen. Zij vinden de bestemming "Landgoed II" passend voor deze gronden, omdat de gronden zijn aan te merken als achtertuin en de bestemming overeenkomt met de vergelijkbare bestemming "Tuin II".

2.5.1. In navolging van de raad stelt het college dat voor de begrenzing van de bestemmingen "Landgoed II" en "Landgoed III" aansluiting is gezocht bij de bestaande woonsituatie waarbij rekening is gehouden met het omliggende waardevolle natuurgebied. Verder stelt het college dat er vanwege de begrenzing van de hoofdbebouwing - villa met aangrenzend paardencomplex - geen reden is om de bestemming "Landgoed II" aan de oostzijde van het paardencomplex te verruimen.

2.5.2. Op het landgoed staan twee woningen, een manegecomplex en enkele bijgebouwen. Aan het landgoed zijn de bestemmingen "Natuurgebied", "Landschappelijk gebied met natuurwaarden", "Landgoed I", "Landgoed II" en "Landgoed III" toegekend. Binnen de bestemming "Landgoed II" zijn drie bouwvlekken aangeduid ten behoeve van de twee woningen en een dressuurruimte.

2.5.3. In de plantoelichting staat dat getracht is om vanuit de Tuin I, II en III bestemmingen voor de bestemming landgoed eveneens een gradatie aan te brengen in Landgoed I, II en III. Verder staat in de plantoelichting dat de bestemming Landgoed I geldt voor de voortuinsituatie waar niet mag worden gebouwd. Binnen de bestemming Landgoed II, die in de regel op drie meter achter de voorgevel ligt, is wel bebouwing toegestaan. Binnen de bestemming Landgoed III is, behoudens erfafscheidingen, geen bebouwing toegestaan. Volgens de plantoelichting vormt de bestemming daarmee een overgangssituatie tussen de tuin en het aangrenzende waardevolle gebied.

2.5.4. Het huidige gebruik staat volgens de plantoelichting centraal en er wordt zeer terughoudend ingespeeld op ruimtelijke ontwikkelingen. De villa, het manegecomplex en de omliggende gronden zijn grotendeels bestemd als "Landgoed II" waar het bouwen van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is toegestaan. Aan de gronden ten oosten van deze bestemming, niet direct grenzend aan de bouwvlekken, is de bestemming "Landgoed III" toegekend ten behoeve van de overgang tussen de tuin en het aangrenzende natuurgebied. Op gronden met de bestemming "Landgoed III" mag op grond van artikel 8, derde lid, onder d, van de planvoorschriften, behoudens erf- en perceelsafscheidingen, niet worden gebouwd. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkter dan de bouwmogelijkheden bij de bestemming "Landgoed II". De Afdeling acht het vanwege de gewenste overgang tussen de bebouwing en het natuurgebied niet onredelijk dat het college heeft ingestemd met de bestemming "Landgoed III". Daarbij heeft het college tevens van belang kunnen achten dat met de bestemming "Landgoed II" rondom de bebouwing is aangesloten bij de bestaande situatie. Nu rekening is gehouden met de bestaande situatie en [appellant sub 1] en anderen ter zitting hebben toegelicht dat met de reeds gevestigde private belangen de feitelijke situatie wordt bedoeld, faalt het betoog dat sprake is van een beperking van de gevestigde private belangen. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen aanvoeren heeft het college geen aanleiding hoeven zien om de bestemming "Landgoed II" te verruimen in oostelijke richting.

2.5.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen op dit punt hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Landgoed III" voor zover dit betrekking heeft op de gronden ten oosten van de bestemming "Landgoed II" waarop de villa en manege zijn gelegen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op dit onderdeel ongegrond.

2.6. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" voor zover dit betrekking heeft op het gebied tussen het manegecomplex en het ten noordoosten daarvan gelegen Flevo-oord. Zij voeren daartoe aan dat dit gebied historisch en feitelijk gezien deel uitmaakt van het landgoed. Onder verwijzing naar perceel 7989 op een kadastrale kaart, stellen [appellant sub 1] en anderen dat het landgoed zich uitstrekt tot Flevo-oord. Van oudsher vormt Flevo-oord een functionele eenheid met het landgoed, omdat het gehele gebied vroeger een zorgfunctie had. Daarnaast wijzen zij op de privé weg tussen Flevo-oord en de rest van het landgoed, waarlangs een 2 meter hoog hek staat. Volgens hen is historisch gezien ook sprake van een eenheid, nu sinds 1921 een recht van overpad is gevestigd op de ten oosten van Flevo-oord gelegen ontsluitingsweg. [appellant sub 1] en anderen bestrijden het standpunt van het college dat het gebied een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het natuurgebied. Het ligt volgens hen in de rede om aan perceel 7989 de bestemming "Landgoed III" toe te kennen.

2.6.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat het perceel 7989 als wezenlijk onderdeel van het gebied met de bestemming "Natuurgebied" dient te worden beschouwd. Verder stelt het college dat de locatie Flevo-oord nimmer een samenhangende eenheid met het landgoed heeft gevormd.

2.6.2. Het perceel 7978 is - zoals blijkt uit de door [appellant sub 1] en anderen overgelegde kadastrale kaart - op de plankaart bestemd als "Natuurgebied" en ligt tussen het manegecomplex en het gebied Flevo-oord. De kadastrale kaart maakt niet duidelijk welke gronden tot het landgoed behoren, maar laat wel zien dat het afzonderlijke percelen betreft. Aan de enkele omstandigheid dat het perceel in eigendom is van [appellant sub 1] en anderen kan geen aanspraak worden ontleend op een landgoedbestemming, aangezien eigendomsverhoudingen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet van doorslaggevende betekenis zijn. Niet in geschil is dat op de gronden bomen aanwezig zijn, alsmede een verhard pad en een hekwerk ter afscheiding van het perceel. Dit betekent niet, anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, dat dit perceel daarmee onderdeel uitmaakt van het landgoed. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat deze gronden feitelijk gezien deel uit maken van het landgoed. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat de gronden historisch gezien deel uitmaken van het landgoed vanwege een sinds 1921 gevestigde recht van overpad, overweegt de Afdeling dat hieruit evenmin volgt dat de gronden een eenheid vormen met het landgoed, omdat het recht op overpad alleen van belang is voor de wijze waarop het landgoed bereikt kan worden.

Gelet op het voorgaande, alsmede de omstandigheid dat de bescherming van de natuur in het plan centraal staat, heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad om de bestemming "Natuurgebied" toe te kennen aan het plandeel.

2.6.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" voor zover dit ziet op het gebied tussen het manegecomplex en het ten noordoosten daarvan gelegen Flevo-oord niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op dit onderdeel ongegrond.

2.7. [appellant sub 1] en anderen komen voorts in beroep tegen het plandeel met de dubbelbestemming "Bodembeschermingsgebied", voor zover dit samenvalt met de plandelen met de bestemmingen "Landgoed I, II en III". Deze bestemming heeft een zeer restrictief karakter met een bouwverbod en aanlegvergunningenstelsel en is volgens hen niet passend bij de landgoedbestemming. [appellant sub 1] en anderen betwisten dat de gronden met de dubbelbestemming in het streekplan zijn aangewezen als bodembeschermingsgebied. Verder stellen zij dat het bij deze dubbelbestemming behorende regime strenger is dan uit het streekplanbeleid voort vloeit.

2.7.1. Het college onderschrijft het standpunt van de raad dat de begrenzing van de dubbelbestemming "Bodembeschermingsgebied" in overeenstemming is met de streekplankaart. Het college stelt dat het strenge beschermingsregime gerechtvaardigd is vanwege de ter plaatse aanwezige aardkundige monumenten en dat het bouwverbod vanwege de vrijstellingsbevoegdheid niet leidt tot een onevenredige last.

2.7.2. Volgens de plantoelichting zijn delen van het plangebied in het streekplan aangewezen als bodembeschermingsgebied. In bodembeschermingsgebieden zijn, behoudens aanlegvergunningplichtige activiteiten, geen activiteiten toegestaan die de bodemopbouw aantasten of het reliëf ongedaan maken, bijvoorbeeld door egalisering, dempen en scheuren ten bate van permanent ander gebruik, alsmede activiteiten die processen in de bodem, zoals kwelstromen, verstoren. De plantoelichting vermeldt dat het beleid van de provincie is gericht op het versterken van de bescherming van bodembeschermingsgebieden.

2.7.3. Ter zitting heeft het college aan de hand van de bij het Streekplan Noord-Holland Zuid (hierna: het streekplan) behorende kaart 'groene en cultuurhistorische waarden en milieubeschermingsgebieden' aangetoond dat de percelen met de landgoedbestemming zijn gesitueerd in een bodembeschermingsgebied. In het streekplan staat dat de bescherming van bodembeschermingsgebieden is geregeld in het Provinciaal Milieubeleidsplan 2002-2006. Ten aanzien van de bodembeschermingsgebieden staat in paragraaf 5.2 van het Provinciaal Milieubeleidsplan 2002-2006, voor zover hier van belang, dat het doel van het beleid is: de duurzame instandhouding van gebieden die extra bescherming behoeven vanwege hun waardevolle bodem en/of (te ontwikkelen) waardevolle elementen die primair bepaald zijn door de bodem. Er is volgens dit beleid sprake van een gedifferentieerd beschermingsniveau in de bodembeschermingsgebieden, waarbij het beleid voor de meest kwetsbare gebieden is gericht op het vrijwaren van iedere vorm van aantasting. Ter zitting heeft het college benadrukt dat een streng beschermingsregime met een bouwverbod gerechtvaardigd is, omdat ter plaatse aardkundige monumenten aanwezig zijn. [appellant sub 1] en anderen hebben dit niet gemotiveerd betwist. In het op dit punt aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het in de planvoorschriften opgenomen aanlegvergunningstelsel en bouwverbod bij de bestemming "Bodembeschermingsgebied" stringenter is dan uit het provinciaal beleid voortvloeit.

2.7.4. Voor zover [appellant sub 1] en anderen stellen dat de dubbelbestemming leidt tot een beperking omdat op korte afstand van de villa en de manege niet meer gebouwd mag worden, overweegt de Afdeling dat via de vrijstellingsbevoegdheid in artikel 16, vierde lid, van de planvoorschriften alsnog de mogelijkheid bestaat om bebouwing te realiseren. Gelet hierop is niet aannemelijk dat [appellant sub 1] en anderen onevenredig in hun bouwmogelijkheden worden belemmerd. Voorts is niet aannemelijk dat het aanlegvergunningstelsel tot een onevenredige belemmering van het gebruik van de gronden rond het landgoed zal leiden, nu het aanlegvergunningstelsel op grond van het zevende lid van artikel 16 van de planvoorschriften niet van toepassing is op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud betreffen dan wel noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond. Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid de belangen bij bescherming van de kwaliteit van de bodem zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van [appellant sub 1] en anderen bij rechtstreekse bouw- en gebruiksmogelijkheden.

2.7.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bodembeschermingsgebied (dubbelbestemming)" voor zover dit samenvalt met de plandelen met de bestemmingen "Landgoed I, II en III" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op dit onderdeel ongegrond.

Flevo-oord

2.8. [appellant sub 1] en anderen richten zich tegen de goedkeuring van de aanduiding 'bouwvlek' binnen de op de plankaart opgenomen wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van twee woningen in Flevo-oord en de bouwmogelijkheden zoals neergelegd in de wijzigingsvoorwaarden in artikel 5, negende lid, van de planvoorschriften. Volgens hen dient de bouwvlek verruimd te worden in zuidelijke richting tot aan de aangeduide natuurcompensatielijn. Om de natuur zoveel mogelijk te ontzien, is het wenselijk om de villa's te realiseren op de aanwezige open plekken op het perceel, welke zich ten noorden van de natuurcompensatielijn bevinden, maar niet geheel binnen de bouwvlek. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de raad heeft miskend dat de huidige invulling een forse beperking inhoudt van bestaande rechten, nu het voorgaande plan aanzienlijk meer bebouwing toeliet. Bovendien leidt een grotere bouwvlek ertoe dat minder bomen gekapt zullen worden, waardoor voldaan kan worden aan de Flora- en faunawet.

[appellant sub 1] en anderen stellen dat de in de wijzigingsvoorwaarden opgenomen bouwmogelijkheden in strijd zijn met gemaakte afspraken tussen [appellant sub 1] en het gemeentebestuur. Daartoe voeren zij onder meer aan dat het plan ten onrechte voorziet in een oppervlakte van 450 m² per woning, terwijl een oppervlakte van 750 m² per woning was overeengekomen. De raad heeft volgens hen gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

2.8.1. Het college heeft ingestemd met de reactie van de raad op de bedenkingen. In deze reactie staat dat de begrenzing van de bouwvlek zorgvuldig is gekozen waarbij de belangen van natuur- en landschapsbehoud zijn gerespecteerd. Verschuiving van de bebouwingsgrens is in strijd met de conserverende doelstelling van het plan en onwenselijk vanwege het aangrenzende beschermde, openbare natuurgebied.

2.8.2. Ten aanzien van Flevo-oord staat in de plantoelichting dat uitgangspunten zijn geformuleerd die bij een invulling in acht moeten worden genomen en dat het stringente beleid ten aanzien van Flevo-oord moet worden gehandhaafd. De plantoelichting vermeldt dat dit stringente beleid het volgende betekent:

- op grond van de huidige bestemming, de ligging alsmede de wijze van ontsluiting van het perceel, zal de gemeente op geen enkele wijze medewerking verlenen aan grootschalige ontwikkelingen;

- op het noordelijk terrein mogen maximaal 1 á 2 woningen worden gerealiseerd;

- het resterende c.q. zuidelijke gedeelte van het terrein dient weer een natuurbestemming te krijgen, hetgeen inhoudt dat de bestaande bebouwing geamoveerd dient te worden en waarbij als uitgangspunt geldt dat een zo groot mogelijk deel van dit onbebouwd blijvende terreingedeelte aan het nabijgelegen natuurgebied wordt toegevoegd; bij voorkeur door overdracht aan het Goois Natuurreservaat;

- de herontwikkeling en inrichting van het noordelijk gedeelte van het terrein dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de natuurwaarden van het omliggende natuurgebied.

2.8.3. Blijkens de plankaart is aan de locatie Flevo-oord de bestemming "Natuurgebied" toegekend alsmede een aanduiding 'gebied waarvoor wijzigingsbevoegdheid geldt' rond het perceel met daarbinnen de aanduidingen 'bouwvlek' en 'natuurcompensatielijn'.

[appellant sub 1] is sinds 1996 eigenaar van Flevo-oord. In de thans ter plaatse aanwezige bebouwing was voorheen het blindeninstituut Visio gevestigd.

2.8.4. Ingevolge artikel 5, negende lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad overeenkomstig artikel 11 van de WRO het plan wijzigen voor de gronden die op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding wijzigingsbevoegdheid in die zin dat:

a. er mogen maximaal 2 woningen worden gebouwd;

b. de maximale goothoogte per eengezinshuis bedraagt 6,5 m, de maximale bouwhoogte bedraagt 11 m;

c. de oppervlakte per eengezinshuis bedraagt maximaal 450 m²;

d. per eengezinshuis mag maximaal 50 m² aan bijgebouwen worden opgericht met een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 5,5 m;

(…)

g. als uitgangspunt geldt dat er minimaal 10.000 m² van het totale perceel ten zuiden van de op de plankaart aangeduide lijn voor natuurcompensatie moet worden gebruikt;

h. de herontwikkeling en inrichting van het noordelijke gedeelte binnen de bouwvlek dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de natuurwaarden van het omliggende natuurgebied;

i. voldaan moet worden aan de vereisten inzake de bodemkwaliteit, water, lucht, externe veiligheid, ecologie (Flora- en Faunawet) en economische uitvoerbaarheid.

2.8.5. Niet in geschil is dat [appellant sub 1] in overleg is getreden met het college van burgemeester en wethouders over het realiseren van villa's voor de locatie Flevo-oord. Onder verwijzing naar een brief van 7 oktober 2003 van het college van burgemeester en wethouders beroepen [appellant sub 1] en anderen zich op een toezegging dat medewerking wordt verleend aan een vrijstellingsprocedure waarbij gedacht wordt aan maximaal drie woningen met een oppervlakte van 475 m² dan wel twee woningen met oppervlakte van 750 m². Ter onderbouwing van hun standpunt dat overeenstemming is bereikt over de invulling van Flevo-oord wordt voorts gerefereerd aan een brief van 23 maart 2007 van [appellant sub 1] gericht aan het college van burgemeester en wethouders. Hierin staat dat het college van burgemeester en wethouders bij brief van 8 december 2003 kenbaar heeft gemaakt dat dit college in de raadsvergaderingen van 23 en 24 oktober 2003 is teruggefloten door de raad, omdat de raad niet van het stringente beleid ten aanzien van Flevo-oord wil afwijken. Verder staan in deze brief de in overweging 2.8.2 genoemde voorwaarden vermeld. Aangezien de raad al in 2003 kenbaar heeft gemaakt niet akkoord te zijn met de gemaakte afspraken, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van gewekt vertrouwen dat het bestemmingsplan zou voorzien in ruimere bouwmogelijkheden ten aanzien van Flevo-oord. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

Bij de vaststelling van het plan dient de raad evenwel de bij het besluit betrokken belangen af te wegen, in welk kader de belangen van [appellant sub 1] en anderen dienen te worden meegewogen. Naar aanleiding van de zienswijze is de grens van de bouwvlek in zuidelijke richting verschoven. De natuurcompensatielijn is eveneens in diezelfde richting verschoven, maar de overgangszone, dit is de zone tussen de bouwvlek en de natuurcompensatielijn, is behouden. Bij de belangenafweging heeft de raad rekening gehouden met de belangen van [appellant sub 1] en anderen, nu het plan voorziet in een wijzigingsbevoegdheid waardoor onder voorwaarden twee villa's kunnen worden gerealiseerd. Met betrekking tot de situering van de bouwvlek heeft de raad echter een zwaarder gewicht kunnen toe kennen aan de natuurbelangen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de overgangszone is opgenomen ten behoeve van natuurcompensatie en blijkens de plantoelichting veel waarde wordt gehecht aan natuurcompensatie. Voorts is niet gebleken dat de woningen niet binnen de bouwvlek gerealiseerd kunnen worden.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat de conclusie uit het onderzoek naar de flora en fauna aanleiding geeft voor een grotere bouwvlek zodat de woningen op de in de overgangszone gelegen open plekken gebouwd kunnen worden overweegt de Afdeling het volgende. Ten behoeve van het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid is onderzoek gedaan naar de in het gebied aanwezige natuurwaarden. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in het rapport "Quickscan flora en fauna Natuurgebieden Huizen" (hierna: de quickscan). In de quickscan wordt onder meer geconcludeerd dat aannemelijk is dat er vogels en vleermuizen in het plangebied verblijven die ook voorkomen in het beschermd natuurmonument en dat een benodigde ontheffing op grond van de Flora- en faunawet kan worden verkregen.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de begrenzing van de bouwvlek ruimtelijk aanvaardbaar is.

2.9. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de in artikel 5, negende lid, van de planvoorschriften neergelegde wijzigingsbevoegdheid ten onrechte is toegekend aan de gemeenteraad. Daarbij wijzen zij er onder meer op dat in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) de wijzigingsbevoegdheid exclusief toekomt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.9.1. In artikel 5, negende lid, van de planvoorschriften is bepaald dat de gemeenteraad het plan overeenkomstig artikel 11 van de WRO kan wijzigen. Het standpunt van [appellant sub 1] en anderen dat de bevoegdheid ten onrechte is toegekend aan de gemeenteraad, deelt de Afdeling niet. Het plan is vastgesteld op grond van de WRO. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat, tenzij de gemeenteraad zich daarbij een van deze bevoegdheden zelf heeft voorbehouden, burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het plan moeten uitwerken of binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. De Wro noch de Wet dualisering gemeentebestuur brengt hierin verandering.

2.10. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de wijzigingsbevoegdheid ten onrechte gebruikt zal worden om privaatrechtelijke verhoudingen te reguleren. Hierbij wijzen zij op de voorwaarde dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als uitgangspunt geldt dat er minimaal 10.000 m² van het totale perceel ten zuiden van de op de plankaart aangeduide lijn voor natuurcompensatie moet worden gebruikt, waarmee volgens hen de overdracht van de gronden voor natuurcompensatie aan het Goois Natuurreservaat is bedoeld.

2.10.1. Het betoog faalt, nu artikel 5, negende lid, sub g, van de planvoorschriften enkel bepaald dat minimaal 10.000 m² van het totale perceel ten zuiden van de natuurcompensatielijn gebruikt moet worden voor natuurcompensatie. De overdracht van deze gronden aan het Goois Natuurreservaat is niet in de wijzigingsbepaling geregeld.

2.11. Voorts zijn de onder sub h en i opgenomen wijzigingsvoorwaarden volgens [appellant sub 1] en anderen onvoldoende objectief begrensd en daarom in strijd met de rechtszekerheid.

2.11.1. De Afdeling ziet geen grond om te oordelen dat de wijzigingsvoorwaarden onvoldoende objectief zijn begrensd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat aan de in artikel 5, negende lid, sub h, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarde dat afstemming dient plaats te vinden op de natuurwaarden van het natuurgebied onder meer de gebiedsvisie ten grondslag ligt. Dit voorschrift bevat derhalve een concrete uitwerking van het beleid zoals dat is neergelegd in de gebiedsvisie. In de omstandigheid dat [appellant sub 1] en anderen zich door deze wijzigingsvoorwaarde geen oordeel kunnen vormen over de planologische eindsituatie, behoefde het college geen aanleiding te zien om hieraan goedkeuring te onthouden. Artikel 5, negende lid, sub i, van de planvoorschriften bevat een verwijzing naar de geldende wet- en regelgeving met betrekking tot bodemkwaliteit, water, lucht, externe veiligheid, ecologie en economische uitvoerbaarheid. Ter zitting heeft het college aangegeven dat hiermee geen extra voorwaarden worden bedoeld dan hetgeen volgt uit deze wet- en regelgeving. Voor zover het college met dit voorschrift beoogt de voorwaarden uit de wet- en regelgeving te benadrukken, wordt overwogen dat deze wijzigingsvoorwaarde geen meerwaarde heeft. Dit maakt evenwel niet dat het voorschrift niet toelaatbaar is.

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanduiding 'bouwvlek' ter plaatse van Flevo-oord en artikel 5, negende lid, van de planvoorschriften niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op deze onderdelen ongegrond.

Artikel 5 voor het overige en artikel 7 van de planvoorschriften

2.13. [appellant sub 1] en anderen stellen dat het woord 'eigen' in artikel 5, eerste lid, sub a en artikel 7, eerste lid, sub a, van de planvoorschriften dient te vervallen, omdat volgens hen onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld.

2.13.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, sub a, en artikel 7, eerste lid, sub a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden die op de kaart voor "Natuurgebied" onderscheidenlijk "Landschappelijk gebied met natuurwaarden" zijn aangewezen, bestemd voor: het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de aanwezige dan wel eigen natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

2.13.2. Uit het verslag van de inspraak blijkt dat met het woord 'eigen' de van oorsprong aanwezige waarden passend bij het gebied worden bedoeld. Met dit woord wordt gerefereerd aan het oorspronkelijke karakter van het gebied als zanderij. Dat het gebied niet altijd een zanderij is geweest, zoals [appellant sub 1] en anderen stellen, of dat geen tijdvak is genoemd bij het oorspronkelijke karakter, neemt niet weg dat duidelijk is wat met het woord 'eigen' bedoeld wordt.

De Afdeling is van oordeel dat artikel 5, eerste lid, sub a en artikel 7, eerste lid, sub a, van de planvoorschriften geen zodanige onduidelijkheden bevatten door het woord 'eigen' dat dit tot rechtsonzekerheid leidt.

2.14. Voorts voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat het toetsingskader uit artikel 5, vierde lid en artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften te onbepaald en te vaag is door de zinsnede 'of kunnen worden' en de omschrijving in het vijfde lid. Door de gekozen formulering kan iedere vergunning worden geweigerd, omdat nooit met zekerheid kan worden vastgesteld of op enig moment verkleining van de waarden kan optreden, aldus [appellant sub 1] en anderen.

2.14.1. Ingevolge artikel 5, vierde lid, en artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften zijn de in het vorige lid vermelde werken of werkzaamheden slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van deze gronden niet in onevenredige mate worden of kunnen worden verkleind.

2.14.2. Op pagina 57 van de plantoelichting staat dat van een verkleining van de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden in ieder geval sprake is indien direct of indirect:

- een blijvende verarming (afname) optreedt van de aanwezige karakteristieke vegetatie, hiervan is bijvoorbeeld sprake indien de samenstelling van de vegetatie door de werkzaamheden verandert en de vanuit het verleden aanwezige waarden minder aanwezig zullen zijn;

- de ruimtematen (vormen, openheid) in het landschap veranderen, hiervan is bijvoorbeeld sprake als er door het uitvoeren van werkzaamheden een andere ruimtelijke (landschappelijke) beleving ontstaat;

- zichtbare kenmerken van de cultuurhistorische ontwikkeling verdwijnen, hiervan is bijvoorbeeld sprake als door het uitvoeren van werkzaamheden de identiteit van het gebied, gevormd door de hoge cultuurhistorische waarden, verandert.

2.14.3. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een aanlegvergunning geldt het in artikel 5, vierde lid en artikel 7, vierde lid neergelegde toetsingskader. Het hierin opgenomen criterium 'niet in onevenredige mate' bepaalt dat in voorkomend geval een belangenafweging dient plaats te vinden. Dat met potentiële effecten rekening zal worden gehouden, zoals de raad heeft gesteld bij de beantwoording van de zienswijze, acht de Afdeling niet onredelijk. Hieruit volgt niet dat zekerheid dient te bestaan over de te verwachten gevolgen voor de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden. De aanlegvergunningsplichtige werken of werkzaamheden mogen niet tot verkleining van deze waarden leiden. In het vijfde lid staat niet limitatief beschreven wanneer sprake is van verkleining van de waarden. Voor zover [appellant sub 1] en anderen stellen dat het toetsingskader is ingevuld door hetgeen hierover in de plantoelichting staat vermeld, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting slechts voorbeelden worden genoemd. Uit de plantoelichting valt niet af te leiden dat de raad een ander toetsingskader heeft beoogd dan hetgeen in het vijfde lid staat omschreven.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen op dit punt naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat het in artikel 5, vierde en vijfde lid, en artikel 7, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften neergelegde toetsingscriterium onvoldoende begrensd is.

2.14.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 5, eerste lid, sub a, alsmede het vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften en artikel 7, eerste lid, sub a, alsmede, het vierde en vijfde lid van de planvoorschriften niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op deze onderdelen ongegrond.

Erf- en perceelsafscheidingen

2.15. [appellant sub 1] en anderen richten zich tegen de goedkeuring van artikel 5, achtste lid, en artikel 7, achtste lid, van de planvoorschriften. Daartoe voeren zij aan dat deze planvoorschriften ten onrechte niet voorzien in een algemene vrijstellingsbevoegdheid voor het oprichten van een erf- of perceelsafscheiding met een hoogte van 2 meter. Artikel 5, achtste lid, van de planvoorschriften voorziet volgens hen ten onrechte alleen in een vrijstellingsbevoegdheid voor het oprichten van erf- en perceelsafscheiding ten behoeve van het hobbymatig weiden van dieren met een maximale hoogte van 1,20 meter. Het waarborgen van de landschappelijke openheid geldt volgens hen maar voor een klein deel van het plangebied, te weten voor zover dit de bestemming "Landschappelijk gebied met natuurwaarden" betreft. Verder voeren zij aan dat de gewenste vrijstellingsbevoegdheid aansluit bij het vergunningsvrije regime. [appellant sub 1] en anderen richten zich tevens tegen artikel 8, derde lid, sub b, onderdeel 1, onder a, van de planvoorschriften, omdat hierin volgens hen voor erf- en perceelsafscheidingen eveneens ten onrechte geen hoogte van 2 meter is opgenomen.

[appellant sub 1] en anderen stellen dat de veiligheid van de bewoners van het landgoed alleen gewaarborgd kan worden door hekwerken met een hoogte van 2 meter. Zij wijzen daarbij onder andere op concrete bedreigingen en adviezen inzake de veiligheidssituatie. Er is onvoldoende rekening gehouden met het veiligheidsbelang en de beschermde rechten uit de artikelen 2, 3 en 8 van het EVRM. Zij betogen voorts dat sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM, nu de eigendomsinmenging door de planologische beperking onevenredig is in verhouding tot het natuurbelang. In dat kader wordt door [appellant sub 1] en anderen opgemerkt dat de ruimtelijke impact van hekwerken beperkt moet worden geacht.

2.15.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat een algemene vrijstellingsbevoegdheid afbreuk zou doen aan de karakteristieke natuur- en landschapswaarden. In aanvulling hierop heeft het college in zijn verweerschrift gesteld dat een bestemmingsplan niet afgestemd dient te worden op de individuele beveiligingssituatie.

2.15.2. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat een bouwhoogte van 2 meter voor erf- en perceelsafscheidingen op gronden met de bestemmingen "Natuurgebied" en "Landschappelijk gebied met natuurwaarden" aansluit bij de mogelijkheden uit het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb), overweegt de Afdeling als volgt. Daargelaten de vraag of het mogelijk is om op grond van het Bblb erf- en perceelsafscheidingen met een bouwhoogte van 2 meter op te richten binnen voormelde bestemmingen, bepaalt, voor zover de planregeling in strijd zou zijn met het Bblb, artikel 20, aanhef en onder a, van de WRO dat artikel 8, derde lid, onderdeel 1, onder a, van de planvoorschriften buiten toepassing dient te blijven indien de erf- of perceelsafscheiding voldoet aan artikel 2, aanhef en onder e, onderdeel 2 van het Bblb. Het betoog faalt.

2.15.3. Het landgoed ligt nabij het natuurgebied de Limitische Heide, dat te typeren is als een gebied met hoge natuurwaarden. Kenmerkend voor dit gebied is de afwisseling tussen beboste delen, open heidevelden en een stuifzandgebied. Volgens de raad dient terughoudend te worden omgegaan met het toestaan van nieuwe bouwwerken in en nabij het natuurgebied. De in de artikelen 5 en 7 van de planvoorschriften opgenomen maximale bouwhoogten van erf- en perceelsafscheidingen van 1,20 meter is ingegeven door de wens van de raad om de landschappelijke openheid te waarborgen. Binnen de bestemming "Natuurgebied" is het gebruik van de gronden voor het weiden van dieren in het zevende lid, onder f aangemerkt als strijdig gebruik. Bij uitzondering wil de raad binnen de bestemming "Natuur" erf- en perceelsafscheidingen toestaan voor het weiden van dieren, waarbij een hoogte van 1,20 passend wordt geacht. Ter zitting heeft de raad benadrukt dat een hekwerk met een bouwhoogte van 2 meter de karakteristieke natuur- en landschapswaarden aantast alsmede de beleving van het gebied. Tevens heeft de raad betekenis toegekend aan mogelijke precedentwerking, nu in de gemeente Huizen een groot aantal vermogende burgers wonen. Gelet op het voorgaande heeft het college bij de belangenafweging in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de landschappelijke openheid van het gebied dan aan het door [appellant sub 1] en anderen gestelde veiligheidsbelang. De Afdeling acht het daarom niet onredelijk dat het college heeft ingestemd met de vrijstellingsbevoegdheid in artikel 7, achtste lid, van de planvoorschriften en de vrijstellingsbevoegdheid in artikel 5, achtste lid, van de planvoorschriften voor het oprichten van erf- en perceelsafscheidingen ten behoeve van het weiden van dieren.

Evenwel niet valt in te zien waarom binnen de bestemming "Landgoed I" geen erf- en perceelsafscheidingen met een hoogte van 2 meter zijn toegestaan. Het ter zitting door de raad ingenomen standpunt dat het gehele landgoed kan worden omheind met een hekwerk van 2 meter, deelt de Afdeling niet. Binnen de bestemming "Landgoed II" en "Landgoed III", vlakbij de bouwvlekken, is het weliswaar toegestaan erf- en perceelsafscheidingen met een hoogte van 2 meter op te richten, maar op gronden met de bestemming "Landgoed I" mogen op grond van artikel 8, derde lid, sub b, onderdeel 1, onder a, van de planvoorschriften slechts erf- en perceelsafscheidingen worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 1 meter. Het college heeft dit niet onderkend. Gelet hierop is het plan derhalve in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.15.4. Gelet op de vernietiging van het bestreden besluit wat betreft artikel 8, derde lid, sub b, onderdeel 1, onder a, van de planvoorschriften, behoeft de beroepsgrond dat sprake is van strijd met artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM voor dit planonderdeel geen bespreking meer. In zoverre de bestreden planregeling voor het overige al is aan te merken als een aantasting van het recht op ongestoord genot van het eigendom van [appellant sub 1] en anderen als bedoeld in het eerste protocol bij het EVRM, laat de voornoemde bepaling de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang onverlet. De Afdeling is van oordeel dat het in geding zijnde bestemmingsplan in zoverre een zodanige regulering is. Ten aanzien van de gestelde strijd met de artikelen 2 en 3 van het EVRM overweegt de Afdeling dat het feit dat de planvoorschriften niet voorzien in een vrijstellingsbevoegdheid als door [appellant sub 1] en anderen gewenst, geen inbreuk vormt op de in deze bepalingen gegarandeerde rechten. Ook de in deze bepalingen besloten liggende positieve verplichting voor de overheid gaat niet zo ver, dat in de gewenste vrijstellingsbevoegdheid dient te worden voorzien. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het veiligheidsaspect in voldoende mate is meegewogen bij de belangenafweging. Ten aanzien van de gestelde strijd met artikel 8 van het EVRM overweegt de Afdeling dat de door [appellant sub 1] en anderen gewenste vrijstellingsbevoegdheid die de oprichting van een erf- of perceelafscheiding met een hoogte van 2 meter mogelijk zou maken, weliswaar raakvlakken heeft met het in deze verdragsbepaling gegarandeerde recht op eerbiediging van het privéleven en de woning, maar dat de desbetreffende bepalingen van de planvoorschriften vanuit planologisch oogpunt geacht kunnen worden het economisch welzijn van het land en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen te dienen en met het oog daarop de belangen van [appellant sub 1] en anderen niet onevenredig aantasten.

2.15.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 8, derde lid, sub b, onderdeel 1, onder a, van de planvoorschriften is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit planvoorschrift.

Voorts is de conclusie dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de artikelen 5, achtste lid, en 7, achtste lid, van de planvoorschriften niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op deze onderdelen ongegrond.

Artikel 8 van de planvoorschriften voor het overige

2.16. [appellant sub 1] en anderen richten zich in beroep tegen de goedkeuring van artikel 8 van de planvoorschriften. Zij voeren aan dat de bestemmingen "Landgoed I, II en III" gelijk zijn aan de bestemmingen "Tuin I, II en III", terwijl een landgoed niet vergelijkbaar is met bijvoorbeeld een eengezinswoning. Een landgoed kenmerkt zich volgens [appellant sub 1] en anderen door een afwisseling van tuin, natuur, kleinere en grotere gebouwen en daarom hadden de planvoorschriften toegespitst moeten worden op een landgoed.

2.16.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de gelijkstelling te rechtvaardigen is vanwege het bijzondere karakter van het plangebied. Verder merkt het college op dat de eengezinswoningen en de bijbehorende tuinen in het plangebied niet zijn aan te merken als doorsnee eengezinswoningen, omdat het riante villa's met grote tuinen betreft. Er wordt rekening gehouden met alle aspecten van het landgoed, waarbij het college wijst op het toestaan van waterpartijen en groenvoorzieningen binnen de bestemming "Landgoed I".

2.16.2. In de plantoelichting - zoals in overweging 2.5.3. is aangehaald - is uiteengezet dat gekozen is voor verschillende gradaties binnen de bestemming "Landgoed", waarbij aansluiting is gezocht bij de bestemming "Tuin I, II en III". In verband met het karakter van het plangebied is aansluiting bij de tuinbestemming volgens het college gerechtvaardigd. De bestemming "Landgoed I, II en III" staat onder meer groenvoorzieningen, waterpartijen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen toe alsmede tuinen binnen de bouwvlekken. Nu in de planvoorschriften een specifieke regeling is opgenomen voor het landgoed en [appellant sub 1] en anderen in dit kader niet hebben aangevoerd welke voorschriften niet toereikend zijn dan wel ontbreken, heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de landgoedbestemming.

2.17. [appellant sub 1] en anderen kunnen zich niet verenigen met de in artikel 8, vierde lid, van de planvoorschriften opgenomen flexibiliteitsregeling, omdat deze volgens hen te beperkt is. Zij vinden een ruimere flexibiliteitsregeling wenselijk en wijzen in dit verband op het provinciaal beleid waarin behoud en ontwikkeling van landgoederen centraal staat.

2.17.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat een algemene vrijstellingsmogelijkheid afbreuk doet aan de karakteristieke natuur- en landschapswaarden van het gebied.

2.17.2. Het streekplan vermeldt dat alle landgoederen en buitenplaatsen die nog resteren behouden dienen te blijven. Dit betekent dat ontwikkelingen die de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het landgoed aantasten, moeten worden voorkomen. In het streekplan staat verder dat het mogelijk is om bestaande bebouwing die niet geplaatst is op de rijks- en of provinciale monumentenlijst, uit te breiden of te vervangen en eventueel te verplaatsen. Uit dit beleid kan niet worden afgeleid dat een ruimere vrijstellingsregeling is uitgesloten. Dit neemt niet weg dat een vrijstellingsregeling alleen bedoeld is om op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. [appellant sub 1] en anderen hebben niet concreet aangegeven waarin de vrijstellingsbepaling zou moeten voorzien. Voorts komt aan de raad een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het vaststellen van voorschriften. Het door de raad ingenomen standpunt dat een ruimere vrijstellingsregeling afbreuk doet aan de karakteristieke natuur- en landschapswaarden van het gebied, acht de Afdeling niet onredelijk. Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen instemmen met de in artikel 8, vierde lid, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsregeling.

2.18. [appellant sub 1] en anderen richten zich tegen artikel 8, tweede lid, onder d, en tegen het in artikel 8, vijfde lid, van de planvoorschriften neergelegd aanlegvergunningstelsel. Zij voeren onder verwijzing naar artikel 44 van de WRO aan dat in de planvoorschriften ten onrechte niet geregeld is dat de aanleg van beplantingen en verhardingen is toegestaan. Daarnaast betogen zij dat het aanlegvergunningstelsel in strijd is met de Boswet.

2.18.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder a, van de WRO, voor zover hier van belang, mag de aanlegvergunning alleen en moet worden geweigerd indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

De Afdeling stelt vast dat in artikel 8, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften niet is bepaald dat groenvoorzieningen of verhardingen toelaatbaar zijn op de gronden met de bestemming "Landgoed III". Ter zitting heeft de raad aangegeven dat beoogd is om binnen deze bestemming groenvoorzieningen en verhardingen toe te staan via het aanlegvergunningstelsel. Gezien artikel 44, eerste lid, van de WRO dient een aanlegvergunning voor het aanplanten of verwijderen van bomen of het verharden van paden te worden geweigerd indien dit strijdig is met het bestemmingsplan. Aan de toetsing van het aanlegvergunningstelsel wordt in dat geval niet toegekomen. Nu groenvoorzieningen en verhardingen op de gronden met de bestemming "Landgoed III" niet toelaatbaar zijn, terwijl door de raad beoogd is om deze voorzieningen mogelijk te maken, is het plan derhalve in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.18.2. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de op het landgoed aanwezige fruitbomen uitgezonderd dienen te worden van het aanlegvergunningstelsel wegens strijd met artikel 15 van de Boswet, overweegt de Afdeling dat ter zitting is vast komen te staan dat de fruitbomen zich niet bevinden op gronden met de bestemming "Landgoed III". Dit betekent dat het aanlegvergunningstelsel niet van toepassing is op de fruitbomen. Het betoog mist dan ook feitelijke grondslag.

2.18.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Landgoed III" is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan voormeld plandeel.

De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 8, derde lid, sub b, onderdeel 1, onder a, van de planvoorschriften en artikel 8, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op deze onderdelen ongegrond.

Overige planvoorschriften

2.19. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 1, onder 18, van de planvoorschriften. Zij stellen dat de daarin opgenomen definitie van erker niet aansluit bij hetgeen daaronder in het normaal spraakgebruik wordt verstaan, omdat een erker zich kan uitstrekken over meer bouwlagen.

2.19.1. Het college onderschrijft het standpunt van de raad dat het begrip erker is gedefinieerd zoals in de meest actuele bestemmingsplannen van de gemeente Huizen. Er is volgens de raad geen reden hiervan in dit bestemmingsplan af te wijken.

2.19.2. Ingevolge artikel 1, onder 18, van de planvoorschriften, wordt in deze voorschriften onder erker verstaan: een uitbouw van ondergeschikte betekenis aan de begane grond waarvan de wanden, met uitzondering van de borstwering, door vensters worden gevormd.

2.19.3. De Afdeling stelt voorop dat de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begripsbepalingen in een bestemmingsplan. Anders dan [appellant sub 1] en anderen veronderstellen, behoeft de begripsbepaling niet overeen te komen met de betekenis ervan in het spraakgebruik. Alleen indien een begripsbepaling in de planvoorschriften ontbreekt of onduidelijk is wordt aansluiting gezocht bij hetgeen daaronder in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan.

2.19.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 1, onder 18, van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op dit onderdeel ongegrond.

2.20. Voorts stellen [appellant sub 1] en anderen dat artikel 16 van de planvoorschriften inconsistenties bevat. Zij hebben in dit verband aangevoerd dat het woord 'onevenredig' ten onrechte ontbreekt in het zesde lid, waardoor het daarin neergelegde toetsingskader afwijkt van de elders in de planvoorschriften neergelegde toetsingskaders. [appellant sub 1] en anderen voeren daarnaast aan dat onduidelijk is wie als beheersinstantie wordt aangemerkt zoals vermeld in het achtste lid.

2.20.1. Het college stelt zich, onder verwijzing naar de reactie van de raad op de bedenkingen, op het standpunt dat toevoeging van het begrip onevenredig niet verenigbaar is met de toetsing van de gevolgen zoals bedoeld in het provinciaal beleid.

2.20.2. Ingevolge artikel 16, zesde lid, van de planvoorschriften, zijn de in het vijfde lid vermelde werken of werkzaamheden slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden geen nadelige gevolgen voor bodembeschermingsbelangen te verwachten zijn.

Ingevolge het achtste lid, voor zover hier van belang, wordt een vrijstelling als bedoeld in het vierde lid alsmede een aanlegvergunning als bedoeld in het vijfde en zesde lid, slechts verleend nadat advies is ingewonnen van de beheersinstantie van het in het eerste lid bedoelde bodembeschermingsgebied.

2.20.3. Met het in artikel 16, zesde lid, van de planvoorschriften neergelegde toetsingskader is beoogd om de aanlegvergunningplichtige werken en werkzaamheden uitsluitend toe te staan indien geen nadelige gevolgen te verwachten zijn. Van het abusievelijk wegvallen van het woord onevenredig is geen sprake. De door [appellant sub 1] en anderen aangehaalde planvoorschriften waarin het woord onevenredig is opgenomen, hebben geen betrekking op bodembeschermingsgebieden. Het betoog faalt.

Hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd met betrekking tot de beheersinstantie, leidt niet tot het oordeel dat artikel 16, achtste lid, van de planvoorschriften in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de beheersinstantie de door of namens het ter zake bevoegde gezag aangewezen instantie betreft. Het woord beheersinstantie is duidelijk en niet voor verschillende uitleg vatbaar. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat de redactie van dit voorschrift niet in de weg staat aan het gebruik maken van deze bepaling ten behoeve van het verlenen van een vrijstelling of aanlegvergunning.

2.20.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 16, zesde lid en achtste lid, van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op dit onderdeel ongegrond.

2.21. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 21 van de planvoorschriften. Daartoe voeren zij ten eerste aan dat een verwijzing naar artikel 7 zich niet verdraagt met het daarin neergelegde bouwverbod. Een vrijstelling van het bouwverbod kan op grond van artikel 15, derde lid, van de WRO, niet gecombineerd worden met nadere eisen. Ten tweede stellen [appellant sub 1] en anderen dat artikel 21 niet objectief begrensd is en maar ten dele ruimtelijk relevant is.

2.21.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het stellen van nadere eisen is toegestaan ter bescherming van de belangen waarop de artikelen 7, 8 en 9 van de planvoorschriften zien.

2.21.2. Ingevolge artikel 21, eerste lid van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bij toepassing van de voorgeschreven bepalingen in de artikelen 7, 8 en 9 bevoegd nadere eisen te stellen aan de plaatsing en afmetingen van bouwwerken, alsmede aan de kapvorm en de nokrichting van gebouwen.

Ingevolge het tweede lid, mogen deze nadere eisen, genoemd in het eerste lid, slechts worden gesteld:

a. indien dit noodzakelijk is in verband met het stedenbouwkundige beeld dat met het bestemmingsplan wordt beoogd;

b. met het doel te voorkomen, dat onevenredige schade wordt toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;

c. met het doel te voorkomen dat gronden en bouwwerken bij calamiteiten onbereikbaar zouden zijn.

2.21.3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn:

a. van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen;

b. ten opzichte van in het plan omschreven punten nadere eisen te stellen.

Ingevolge artikel 15, derde lid, van de WRO mogen aan een vrijstelling slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de bepalingen, waarvan vrijstelling wordt verleend, in het plan zijn opgenomen.

2.21.4. Voor zover [appellant sub 1] en andere de ruimtelijke relevantie van de nadere eisenregeling betwisten, wordt overwogen dat nadere eisen gesteld kunnen worden ter bescherming van het stedenbouwkundige beeld dat beoogd is met dit bestemmingsplan vast te leggen. Bij de nadere eisenregeling gaat het derhalve om de bescherming van planologische belangen. De Afdeling is van oordeel dat uit de in het tweede lid van artikel 21 opgenomen voorwaarden voldoende duidelijk blijkt in welk geval en onder welke omstandigheden het college van burgemeester en wethouders tot het stellen van nadere eisen kan overgaan. De enkele stelling van [appellant sub 1] en anderen dat het planvoorschrift de noodzakelijke objectieve begrenzing ontbeert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de nadere eisenregeling onvoldoende objectief begrensd is.

2.21.5. De nadere eisenregeling verwijst onder meer naar de planvoorschriften uit artikel 7. In het tweede lid van artikel 7 is een bouwverbod opgenomen. Van dit bouwverbod kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen voor het oprichten van een erf- of perceelsafscheiding.

Voorop staat dat artikel 15, eerste lid, van de WRO voorziet in de mogelijkheid in het bestemmingsplan de bevoegdheid op te nemen vrijstelling te verlenen van bij het plan aan te geven voorschriften of de bevoegdheid ten opzichte van in het plan omschreven punten nadere eisen te stellen. Artikel 15, eerste lid, van de WRO voorziet niet in de mogelijkheid om die bevoegdheden in combinatie aan te wenden. De beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen indien een bouwplan niet voldoet aan de planvoorschriften kan niet op één lijn worden gesteld met de bevoegdheid om nadere eisen te stellen ten aanzien van planvoorschriften waaraan een bouwplan op zichzelf wel voldoet. Voorts dient het bestemmingsplan duidelijkheid te verschaffen over de voorwaarden waaronder van de onderscheiden bevoegdheden gebruik mag worden gemaakt. Bij het vorenstaande wordt in aanmerking genomen dat artikel 15, derde lid, van de WRO voorziet in de mogelijkheid om ter bescherming van de belangen, ten behoeve van de bepalingen waarvan vrijstelling wordt verleend, voorwaarden te verbinden waarmee hetzelfde resultaat kan worden bereikt als kennelijk met artikel 21 is beoogd zodat een nadere eisenregeling bij de toepassing van vrijstelling geen toegevoegde waarde heeft.

Gelet op het voorgaande is het plan in zoverre in strijd met artikel 15, eerste lid, van de WRO.

2.21.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 21, eerste lid van de planvoorschriften is vastgesteld in strijd met artikel 15, eerste lid, van de WRO. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan de verwijzing naar artikel 7 in artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften.

Voorts is de conclusie dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 21, tweede lid, van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op dit onderdeel ongegrond.

2.22. In beroep richten [appellant sub 1] en anderen zich ook tegen artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften, omdat de daarin opgenomen zinsnede 'en behoudens onteigening' volgens hen dient te vervallen. [appellant sub 1] en anderen stellen dat de raad en het college in hun besluiten ten onrechte niet op dit punt zijn ingegaan.

2.22.1. Ter zitting heeft de raad meegedeeld dat de zinsnede 'en behoudens onteigening' in artikel 22 van de planvoorschriften gemist kan worden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.22.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 22, eerste lid van de planvoorschriften voor zover het de zinsnede 'en behoudens onteigening' betreft, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan de zinsnede 'en behoudens onteigening' in artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften.

2.23. Wat betreft de door [appellant sub 1] en anderen in het beroepschrift gestelde onduidelijkheden dan wel onjuistheden in de plantoelichting, overweegt de Afdeling dat aan de plantoelichting geen bindende betekenis toekomt. Het college heeft in de bezwaren tegen de plantoelichting terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.24. Het beroep van [appellant sub 2] voor zover gericht tegen de goedkeuring van artikel 7, zevende lid, sub e, van de planvoorschriften steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze noch op een bij het college ingebrachte bedenking.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze en tegen het vastgestelde plan bij het college ingebrachte bedenking heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht en niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.25. [appellant sub 2], eigenaar van het perceel aan de [locatie], betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Landschappelijk gebied met natuurwaarden" voor zover dit het hobbymatig weiden van dieren toestaat op de gronden ten westen van de Naarderstraat. Daartoe voert hij aan dat artikel 7, eerste lid, sub b, van de planvoorschriften te ruime mogelijkheden biedt, omdat het hobbymatig weiden van dieren niet beperkt is tot het hobbymatig weiden van paarden, zoals in de plantoelichting staat verwoord. Nu in de planvoorschriften geen definitie van 'hobbymatig weiden van dieren' is opgenomen, sluit het planvoorschrift, anders dan de raad volgens [appellant sub 2] heeft beoogd, het hobbymatig weiden van bijvoorbeeld geiten, lama's, koeien, buffels en herten op de gronden tegenover zijn woning niet uit. Verder stelt hij overlast te ondervinden van de paarden die regelmatig ter plaatse aanwezig zijn. [appellant sub 2] wijst er in dit verband op dat de eigenaar van de paarden over meer dan voldoende ruimte beschikt om de paarden elders te weiden. [appellant sub 2] voert voorts aan dat de dieren die worden geweid een verstorend effect kunnen hebben op broedende vogels. Volgens hem is in de quickscan flora en fauna ten onrechte niet onderzocht welke invloed de weidende dieren op de broedende vogels hebben.

2.25.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het weiden van paarden een voortzetting van de bestaande situatie is en dat dit gebruik passend en ruimtelijk aanvaardbaar is.

2.25.2. Aan de gronden ten westen van de [locatie] is de bestemming "Landschappelijk gebied met natuurwaarden" toegekend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de kaart voor "Landschappelijk gebied met natuurwaarden" zijn aangegeven, bestemd voor:

a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de aanwezige dan wel eigen landschappelijke, natuur en cultuurhistorische waarden;

b. het hobbymatig weiden van dieren.

2.25.3. [appellant sub 2] heeft zijn stelling dat de bewoners van de [locatie] overlast ondervinden van het hobbymatig houden van paarden in het beroepschrift niet nader gemotiveerd en evenmin is ter zitting aangegeven welke overlast de bewoners ondervinden dan wel verwachten te ondervinden. Onder deze omstandigheden heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het hobbymatig houden van dieren niet tot onoverkomelijke hinder voor de bewoners van de [locatie] zal leiden.

2.25.4. Het betoog van [appellant sub 2] dat in de quickscan ten onrechte niet is onderzocht welke invloed weidende paarden op broedende vogels hebben, faalt. Het onderzoek naar de flora en fauna is uitgevoerd vanwege de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden. Het weiden van dieren is uitsluitend toegestaan op gronden met de bestemming "Landschappelijk gebied met natuurwaarden". Binnen deze bestemming zijn geen wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Het onderzoek heeft derhalve geen betrekking op de door [appellant sub 2] bedoelde gronden. De enkele stelling dat weidende dieren broedende vogels kunnen verstoren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat hiernaar onderzoek had moeten worden verricht.

2.25.5. Niet in geschil is dat de gronden tegenover het perceel van [appellant sub 2] regelmatig worden gebruikt voor het weiden van paarden. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het hobbymatig weiden van dieren in de planvoorschriften niet is beperkt tot het hobbymatig weiden van paarden, omdat het onderscheid tussen het hobbymatig weiden van paarden en dieren planologisch niet relevant is. De Afdeling ziet geen aanleiding dit standpunt niet te volgen. Niet aannemelijk is gemaakt dat het weiden van andere dieren dan paarden meer nadelige gevolgen heeft dan het weiden van paarden. [appellant sub 2] heeft niet onderbouwd waar het ruimtelijk relevant onderscheid tussen het weiden van dieren en het weiden van paarden in is gelegen. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor de raad geen grond bestond voor het in het plan opnemen van de door [appellant sub 2] gewenste beperking.

2.25.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Landschappelijk gebied met natuurwaarden" voor zover dit het hobbymatig weiden van dieren toestaat op de gronden ten westen van de Naarderstraat niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op dit onderdeel gegrond.

2.26. [appellant sub 2] richt zich in beroep tegen de in artikel 7, achtste lid, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van erf- en perceelsafscheidingen. Hij is van mening dat de gronden met de bestemming "Landschappelijk gebied met natuurwaarden" geheel vrij dienen te blijven van bebouwing. [appellant sub 2] stelt dat erf- en perceelsafscheidingen het landelijke karakter aantasten. De voorwaarde dat sprake dient te zijn van een open constructie is volgens hem niet toereikend. Daarbij wijst hij op het ontbreken van een definitie van een open constructie. Tevens stelt hij dat het toetsingskader voor het verlenen van de vrijstelling te vaag is. Volgens [appellant sub 2] is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de gevolgen van het realiseren van afscheidingen voor vogels en andere fauna.

2.26.1. Gelet op de in de vrijstellingsregeling opgenomen voorwaarde dat sprake dient te zijn van een open constructie en dat de vrijstelling slechts kan worden verleend indien geen sprake is van verkleining van de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat erf- of perceelsafscheidingen met een hoogte van maximaal 1,20 meter geen afbreuk zullen doen aan het landelijke karakter van de omgeving. De omstandigheid dat het begrip 'open constructie' niet is gedefinieerd betekent niet dat de vrijstellingsregeling daarom onvoldoende waarborgen biedt ter bescherming van de landschappelijke waarden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het begrip 'open constructie' voldoende duidelijk is. Niet valt in te zien dat door het realiseren van erf- of perceelsafscheidingen vaste verblijfplaatsen van vogels verloren gaan.

2.26.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in artikel 7, achtste lid, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsregeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op dit onderdeel ongegrond.

2.27. [appellant sub 2] betoogt dat het in de artikelen 5 en 16 van de planvoorschriften neergelegde aanlegvergunningstelsel ten onrechte niet voorziet in een bepaling waarin staat dat een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist. Het voorheen geldende bestemmingsplan bevatte volgens hem wel een dergelijke bepaling.

2.27.1. Het college stemt in met de reactie van de raad op de ingediende bedenkingen. In deze reactie stelt de raad dat het opnemen van een door [appellant sub 2] gewenste bepaling niet past in het provinciaal beleid zoals dat is vastgelegd in de Leidraad provinciaal omgevingsbeleid.

2.27.2. In de enkele omstandigheid dat het plan thans, anders dan in het voorheen geldende bestemmingsplan, geen bepaling bevat dat een aanlegvergunning slechts kan worden verleend na een voorafgaande verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de in de artikelen 5 en 16 van de planvoorschriften opgenomen aanlegvergunningenstelsels onvoldoende waarborgen bieden ter bescherming van de bodem en de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de planvoorschriften toetsingscriteria zijn opgenomen ten behoeve van de beoordeling van de verzoeken om aanlegvergunningen. Verder wordt van belang geacht dat in de reactie op de bedenkingen door de raad onweersproken is gesteld dat een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten niet meer past in het provinciaal beleid. Voorts heeft [appellant sub 2] in het beroepschrift noch ter zitting kenbaar gemaakt waarom hij een dergelijke bepaling in de planvoorschriften opgenomen wil hebben.

2.27.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in de artikelen 5 en 16 van de planvoorschriften opgenomen aanlegvergunningenstelsels niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op dit onderdeel ongegrond.

2.28. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] voor zover gericht tegen de goedkeuring van artikel 7, zevende lid, sub e, van de planvoorschriften niet-ontvankelijk ;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 9 september 2008, kenmerk 2008-50524, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. artikel 8, derde lid, sub b, onderdeel 1, onder a, van de planvoorschriften;

b. het plandeel met de bestemming "Landgoed III";

c. artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften wat betreft de verwijzing naar artikel 7;

d. artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften wat betreft de zinsnede 'en behoudens onteigening';

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III vermelde planonderdelen;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 9 september 2008;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Langeveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

317-586.