Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM3238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
200906176/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haarlem bij besluit van 18 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Schalkwijk".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906176/1/R1.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Haarlem,

2. [appellant sub 2], wonend te Haarlem,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haarlem bij besluit van 18 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Schalkwijk".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de raad van State ingekomen op 18 augustus 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2010, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr.drs. E. Kronemeijer, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. K. Baoutou, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Jonkman, zijn verschenen. Voorts is daar de raad, vertegenwoordigd door ir. R.T. Tjerkstra en mr.drs. G.A.A.Koppenaal, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. [appellante sub 1] stelt dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" aan het Haya van Somerenpad 1. De bestemming is volgens haar in strijd met de rechtszekerheid omdat deze overlastgevende functies omvat met een andere ruimtelijke uitstraling dan de nu aanwezige school. Hierbij wordt met name gewezen op de mogelijkheid tot vestiging van voorzieningen voor verslavingszorg. Daarnaast stelt zij dat de bebouwingsmogelijkheden te ruim zijn en dat te dicht op haar woning kan worden gebouwd. Voorts is niet voorzien in voldoende parkeermogelijkheden voor verkeersaantrekkende functies terwijl in de huidige situatie zich al parkeerproblemen voordoen.

2.2.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat in Schalkwijk bewust is gekozen voor verspreid liggende maatschappelijke voorzieningen met een ruime invulling wat betreft gebruiksmogelijkheden. Hierdoor ontstaat flexibiliteit voor een eventuele functiemenging zoals het uitbreiden van de school met buitenschoolse opvang. Voorts kan bij eventuele verplaatsing van de school de locatie worden benut voor één of meer van de andere genoemde functies. Het college heeft gesteld dat in ruimtelijk opzicht tegen de vestiging van een voorziening voor verslavingszorg ter plaatse geen bezwaren bestaan, maar dat van voornemens hiervoor geen sprake is. Indien hiervan in de toekomst sprake zou zijn zal in overleg met omwonenden worden gekeken naar de nadere invulling en inpassing hiervan in het gebied, aldus het college. De bebouwingsmogelijkheden worden voorts niet te ruim geacht en het plan voorziet in voldoende mogelijkheden voor de aanleg van parkeervoorzieningen, aldus het college.

2.2.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor "Maatschappelijke doeleinden (M)" aangewezen gronden bestemd voor educatieve, sociale, culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, (para)medische, sociaal medische en maatschappelijke voorzieningen, waaronder woonzorgvoorzieningen, allen met eventueel bijbehorende praktijkruimte, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, kinderdagverblijven, kinderopvang en peuterspeelzalen. Verder zijn deze gronden onder meer bestemd voor bijbehorend parkeren, ondergrondse parkeervoorzieningen en bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de planvoorschriften in samenhang met de plankaart, is het maximum bebouwingspercentage 40 % en de maximum bouwhoogte 8 meter. Het bouwvlak beslaat vrijwel het gehele plandeel. De afstand tussen het plandeel en de woning van [appellante sub 1] aan de [locatie a] is ongeveer 30 meter.

2.2.3. Niet in geding is dat de door [appellante sub 1] genoemde functie past binnen de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)". In zoverre stelt [appellante sub 1] terecht dat omwonenden kunnen worden geconfronteerd met de vestiging van een voorziening voor verslavingszorg. Dit maakt echter niet dat het plan daarmee in strijd is met de rechtszekerheid. Van belang is of de mogelijke vestiging van een dergelijke functie op deze plaats in strijd moet worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hoewel [appellante sub 1] terecht stelt dat verslavingszorg een functie is met een bijzondere ruimtelijke uitstraling, bestaan voor dit oordeel geen aanknopingspunten. Hierbij is van belang dat ter zitting is vastgesteld dat het plandeel aansluit op een gebied waarin onder meer een bibliotheek, een sporthal, een winkelcentrum, een politiekantoor en een postkantoor aanwezig zijn en de omgeving kan worden gekarakteriseerd als gemengd gebied. Het college heeft zich in dit verband derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ook de mogelijke vestiging van een voorziening voor verslavingszorg als passend in deze stedelijke omgeving moet worden beschouwd.

Voorts bestaat geen aanleiding de bebouwingsmogelijkheden te ruim te achten. De afstand van 30 meter tussen het bouwvlak en de woning van [appellante sub 1] is, mede gelet op de maximum bouwhoogte van 8 meter, niet onaanvaardbaar.

Tot slot heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan voldoende mogelijkheden bevat voor de aanleg van parkeervoorzieningen nu zowel binnen de gehele bestemming parkeren mogelijk is als ook ondergronds parkeren.

2.2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is op dit punt ongegrond.

2.2.5. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat zowel de raad als het college ter zitting heeft gesteld dat verplaatsing van de op dit moment aanwezige school niet in de lijn der verwachting ligt nu het hier gaat om een rendabele school en geen enkel voornemen bekend is dat deze school de wens heeft de activiteiten ter plaatse te beëindigen. Daarnaast is gesteld dat de verslavingszorg in Haarlem op dit moment is gevestigd in het centrum en dat het de voorkeur heeft deze zorg in het centrum voort te zetten.

2.3. [appellante sub 1] stelt verder dat de groenstrook achter het huizenblok aan de [locaties] ten onrechte de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden (Vv) heeft gekregen.

2.3.1. Ter zitting is desgevraagd gesteld en door alle partijen onderschreven dat dit een groenstrook betreft die buiten het plangebied ligt. Voor zover [appellante sub 1] in dit verband in beroep tevens heeft gesteld dat de begrenzing van het plangebied op onjuiste wijze is gekozen is ter zitting namens de raad gesteld en niet weersproken dat het gebied ten noorden van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" buiten het plan is gelaten omdat dit, anders dan de gronden in het aan de orde zijnde bestemmingsplan, een herontwikkelingsgebied betreft waarvoor een afzonderlijke procedure zal worden gevolgd. Mede gezien de beleidsvrijheid die de raad toekomt bij de keuze van de begrenzing van het plan heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen grond bestaat de gekozen begrenzing in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.3.2. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.4. [appellant sub 2] stelt dat twee in het plan voorziene woontorens aan de Aziëweg ten zuiden van flatgebouw "de Middenkoch" aan de Robert Kochlaan te hoog kunnen worden en te dicht bij het flatgebouw aan de Robert Kochlaan kunnen worden gebouwd. Hierdoor zal het woongenot, de privacy en de waarde van zijn appartement aan de [locatie b] worden aangetast. [appellant sub 2] wijst in dit verband meer specifiek op de gevolgen voor de bezonningssituatie.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de bouwhoogte van de betreffende woontorens aanvaardbaar is. In verband met de door [appellant sub 2] genoemde schaduwhinder is een bezonningsstudie uitgevoerd. Uit dit onderzoek komt naar voren dat, gelet op de afstand en de ligging van de woontorens aan de Aziëweg ten opzichte van het flatgebouw aan de Robert Kochlaan waar [appellant sub 2] woont, de verslechtering van de bezonningssituatie beperkt zal zijn, aldus het college.

2.4.2. De afstand tussen het flatgebouw aan de Robert Kochlaan en de voorziene woontorens is ongeveer 62 en 83 meter bij hoogten van maximaal 32 en 41 meter. Volgens het bezonningsonderzoek heeft de bebouwing vrijwel geen gevolgen voor de bezonningssituatie ter hoogte van het flatgebouw aan de Robert Kochlaan. Voor zover [appellant sub 2] de waarde van dit onderzoek betwist overweegt de Afdeling dat in de bezonningsstudie de situatie is bezien voor de maanden februari, april, juni, augustus, oktober en december. Gelet daarop is de stelling van [appellant sub 2] dat ten onrechte uitsluitend is uitgegaan van maanden waarin de zon hoog staat onjuist. Er bestaat derhalve op basis van hetgeen [appellant sub 2] heeft gesteld geen grond voor het oordeel dat het college niet van de resultaten van het bezonningsonderzoek heeft mogen uitgaan.

Nu voorts de woontorens aan de Aziëweg een vergelijkbare hoogte hebben met de flatgebouwen aan de Robert Kochlaan en [appellant sub 2] zijn stelling dat deze woontorens niet passend zijn in de omgeving niet heeft onderbouwd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouwmogelijkheden uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar zijn.

Tot slot acht de Afdeling, gelet op de omstandigheid dat tot vijf jaar geleden ter plaatse een zorgcentrum aanwezig was en niet gebleken is van groenaanleg, de stelling van de raad dat de plaats waar de woontorens zijn voorzien thans een verwaarloosd anoniem gebied is meer aannemelijk dan de stelling dat het hier een park betreft.

2.4.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Langeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

317.