Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM3236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
200907437/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het gebruik als burgerwoning van de agrarische bedrijfswoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna onderscheidenlijk: de woning en het perceel) door [partij] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2010/767
Module Ruimtelijke ordening 2010/4722
ABkort 2010/175
JOM 2010/694
JOM 2010/652
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907437/1/H1.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], gemeente Roosendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 augustus 2009 in zaak nr. 08/3609 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het gebruik als burgerwoning van de agrarische bedrijfswoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna onderscheidenlijk: de woning en het perceel) door [partij] afgewezen.

Bij besluit van 16 juli 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 augustus 2009, verzonden op 18 augustus 2009, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2010, waar [appellante], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door I. Kraus en mr. J.C.P.J.M. Vergouwen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, nu vaststaat dat sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan, daartegen in beginsel handhavend dient te worden opgetreden. Zij voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat zij geen belang heeft bij handhaving.

2.2. Niet in geschil is dat de woning op het perceel in strijd met het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) wordt gebruikt als burgerwoning, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Vaststaat dat in het bestemmingsplan een koppeling is gelegd tussen het perceel en het perceel [locatie A], waarop het bedrijf van [appellante] is gevestigd, zodat deze percelen tezamen één agrarisch bouwperceel vormen. Voorts is niet in geschil dat, gelet op de woning, het oprichten van een nieuwe bedrijfswoning ten behoeve van het bedrijf van [appellante] niet tot de mogelijkheden behoort. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellante] geen belang heeft bij handhavend optreden tegen het gebruik van de planologisch bij haar bedrijf behorende woning als burgerwoning, in aanmerking genomen dat als gevolg van handhavend optreden tegen het strijdige gebruik de woning beschikbaar zou kunnen komen ter verwerving door het bedrijf. Voorts heeft het college ten onrechte volstaan met een afweging van de belangen van enerzijds [partij] en anderzijds [appellante] en het algemeen belang dat met handhaving van het bestemmingsplan is gediend onvoldoende vooropgesteld. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de woning als burgerwoning geen overtreding van zeer geringe aard en ernst betreft. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 16 juli 2008 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

2.5. De Afdeling ziet in de omstandigheid dat inmiddels een ontwerpbestemmingsplan ter vaststelling voorligt bij de gemeenteraad, waarin het gebruik van de woning als burgerwoning als zodanig wordt bestemd, geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hiertoe wordt overwogen dat ter zitting is gebleken dat niet alleen [appellante], maar ook het college van gedeputeerde staten tegen het ontwerpbestemmingsplan zienswijzen heeft ingediend. Nu het provinciaal bestuur aldus niet onverkort heeft ingestemd met de in het ontwerpbestemmingsplan ten aanzien van het perceel aangebrachte wijziging, bestaat thans geen grond voor de conclusie dat het voldoende aannemelijk is dat het ontwerpbestemmingsplan rechtskracht zal verkrijgen. Onder die omstandigheden bestaat thans onvoldoende concreet zicht op legalisering van het strijdige gebruik. Het ligt op de weg van het college bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar aan de hand van de actuele situatie te beoordelen of alsdan sprake is van concreet zicht op legalisering.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 augustus 2009 in zaak nr. 08/3609;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal van 16 juli 2008, kenmerk BRR/2008-21800;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.333,24 (zegge: duizend driehonderddrieëndertig euro en vierentwintig cent), waarvan € 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 744,00 (zegge: zevenhonderdvierenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

392.