Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM3050

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
200907228/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medische behandeling / financiering / ziektekostenverzekering uit publieke middelen geen deugdelijke financiering / geen inherente afwijkingsbevoegdheid

Gezien deze passage in de nota van toelichting, moet er van worden uitgegaan dat rechtstreeks uit artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000 volgt dat een ziektekostenverzekering die uit de Nederlandse publieke middelen wordt betaald niet als deugdelijke financiering wordt beschouwd. De rechtbank heeft niet onderkend dat de hiervoor genoemde passage in onderdeel B8/2.1 van de Vc 2000 hieraan niets toevoegt en geen zelfstandige betekenis heeft. De rechtbank heeft daarom ook ten onrechte de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb van toepassing geacht. De staatssecretaris heeft zich, gezien voormelde passage in de nota van toelichting, in het besluit van 4 november 2008 op het juiste standpunt gesteld dat de financiering van de medische behandeling met de voor de vreemdeling afgesloten ziektekostenverzekering krachtens de ZRA niet deugdelijk is geregeld.

De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.46
Vreemdelingenbesluit 2000 3.47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907228/1/V1.

Datum uitspraak: 28 april 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, (hierna: de rechtbank) van 18 augustus 2009 in zaak nr. 08/41637 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 4 november 2008 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 augustus 2009, verzonden op 19 augustus 2009, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 september 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem tegengeworpen omstandigheid dat de financiering waarover de vreemdeling beschikt niet als deugdelijke financiering wordt aangemerkt, nu deze ten laste komt van de publieke middelen, voortvloeit uit het door hem gevoerde beleid en dat artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de mogelijkheid biedt om daarvan ten gunste van de vreemdeling af te wijken. Daartoe betoogt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat het niet als deugdelijke financiering kunnen aanmerken van de voor de vreemdeling afgesloten ziektekostenverzekering krachtens de Ziektekostenregeling Asielzoekers (hierna: de ZRA), rechtstreeks volgt uit de nota van toelichting op artikel 3.46 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000). In paragraaf B8/2.1, onder ad c, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) is volgens de staatssecretaris slechts een uitleg van artikel 3.46 van het Vb 2000 gegeven, waarop de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb niet van toepassing is.

2.1.1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdend met het doel, waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling, worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.

2.1.2. Volgens onderdeel B8/2.1 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, dient de financiering van de medische behandeling, bedoeld in artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000, deugdelijk te zijn geregeld. Hiertoe moet worden aangetoond dat een toereikende ziektekostenverzekering is afgesloten. Bij onvoldoende financiële zekerheid wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen.

2.1.3. In het besluit van 4 november 2008, waarbij de weigering om de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "het ondergaan van een medische behandeling" te verlenen, is gehandhaafd, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de financiering van de medische behandeling deugdelijk is geregeld, aangezien een ziektekostenverzekering krachtens de ZRA is afgesloten, welke verzekering uit de publieke middelen wordt betaald en om die reden niet als deugdelijke financiering wordt beschouwd.

2.1.4. In de nota van toelichting bij de artikelen 3.46 en 3.47 van het Vb 2000 is onder meer het volgende vermeld: "Om te voorkomen dat de vaak zeer hoge kosten van de medische behandeling ten laste komen van de Nederlandse samenleving, dient ook de financiering van de medische behandeling deugdelijk te zijn geregeld met een toereikende (al dan niet buitenlandse) ziektekosten-verzekering of ziekenfondsdekking" (nota van toelichting, blz. 124, Stb. 2000, 497)

2.1.5. Gezien deze passage in de nota van toelichting, moet er van worden uitgegaan dat rechtstreeks uit artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000 volgt dat een ziektekostenverzekering die uit de Nederlandse publieke middelen wordt betaald niet als deugdelijke financiering wordt beschouwd. De rechtbank heeft niet onderkend dat de hiervoor genoemde passage in onderdeel B8/2.1 van de Vc 2000 hieraan niets toevoegt en geen zelfstandige betekenis heeft. De rechtbank heeft daarom ook ten onrechte de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb van toepassing geacht. De staatssecretaris heeft zich, gezien voormelde passage in de nota van toelichting, in het besluit van 4 november 2008 op het juiste standpunt gesteld dat de financiering van de medische behandeling met de voor de vreemdeling afgesloten ziektekostenverzekering krachtens de ZRA niet deugdelijk is geregeld.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De staatssecretaris dient een nieuw besluit op het bezwaar van de vreemdeling te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet is aangevochten.

2.3. De minister van Justitie dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. veroordeelt de minister van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Klein Nulent

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010

218-623.

Verzonden: 28 april 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser