Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM2640

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
200905161/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2009, kenmerk 2006-003181, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) voor zover nodig, opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zutphen (hierna: de raad) bij besluit van 28 juni 2004 vastgestelde bestemmingsplan "Sportcomplex 't Meijerink" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 10-96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905161/1/R2.

Datum uitspraak: 28 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2009, kenmerk 2006-003181, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) voor zover nodig, opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zutphen (hierna: de raad) bij besluit van 28 juni 2004 vastgestelde bestemmingsplan "Sportcomplex 't Meijerink" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2010, waar [appellanten] en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. A.J. van Zwieten de Blom, advocaat te Zutphen, en drs. D.H.J. van der Weerdt, arts, werkzaam bij GGD Gelre-IJssel, en de vereniging Voetbalvereniging F.C. Zutphen, vertegenwoordigd door [voorzitter].

2. Overwegingen

2.1. De raad heeft in de schriftelijke uiteenzetting naar voren gebracht dat het beroep van de Werkgroep tot behoud en herstel van (landgoed) 't Meijerink (hierna: de werkgroep) niet ontvankelijk is, omdat de werkgroep geen zienswijze en bedenkingen heeft ingediend. De afzonderlijke bestuursleden, te weten [vier bestuursleden], hebben als natuurlijke personen ieder afzonderlijk wel zienswijzen en bedenkingen ingediend maar hebben het beroepschrift niet als zodanig ondertekend, doch slechts in de hoedanigheid van bestuurslid.

Bij brief van 17 juli 2009, ingekomen op 20 juli 2009, en derhalve binnen de beroepstermijn, hebben [appellanten] aan de Afdeling medegedeeld dat het beroep moet worden geacht te zijn ingesteld door [appellanten] en niet door de werkgroep. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep van [appellanten] niet-ontvankelijk is.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. De Afdeling heeft bij uitspraak van 19 september 2007, in zaak nr. 200606819/1, het goedkeuringsbesluit van 11 juli 2006 vernietigd. Het college heeft bij het thans bestreden besluit wederom goedkeuring verleend aan het plandeel.

In voormelde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het college niet kan volstaan met een verwijzing naar de brief van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 oktober 2005, kenmerk SAS/2005163118, ter onderbouwing van de toelaatbaarheid van sportvelden onder hoogspanningsmasten en derhalve van de goedkeuring van het plandeel. Zij acht voor de beoordeling van de toelaatbaarheid in dit geval in ieder geval nodig dat wordt onderzocht wat de verblijfsduur van de onderscheiden gebruikers is, wat de omvang van de magneetveldzone is en wat de magnetische veldsterkte is op de onderscheiden delen van het plangebied. Daarnaast dient een afweging te worden gemaakt van de risico's die een verblijf op de onderscheiden plaatsen binnen de magneetveldzone met zich kan brengen. Indien niet op wetenschappelijke basis uitsluitsel kan worden gegeven, dient hieromtrent in het kader van een goede ruimtelijke ordening een standpunt te worden ingenomen met betrekking tot de vraag in hoeverre en op grond van welke beleidsmatige overwegingen, rekening houdende met de laatste stand van onderzoek en wetenschap ten aanzien van dit gezondheidsvraagstuk, blootstelling van mensen, onder wie kinderen aan het ter plaatse te verwachten magnetische veld te verantwoorden is.

2.4. Gelet op hetgeen hierboven is weergegeven, is in geschil de vraag of het college het bestreden besluit heeft genomen met inachtneming van deze uitspraak.

2.5. Aan het thans bestreden besluit ligt een onderzoek ten grondslag dat naar aanleiding van voormelde uitspraak van de Afdeling op verzoek van de raad door de GGD Gelre-IJssel is gedaan om de door de Afdeling opgeworpen vragen te beantwoorden. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Sporten onder hoogspanning, beoordeling van het gezondheidsrisico door blootstelling aan extreem laagfrequente magneetvelden van een bovengrondse hoogspanningslijn op het toekomstige sportcomplex 't Meijerink te Zutphen" van 23 mei 2008 (hierna: het rapport).

[appellanten] hebben bij brief van 26 augustus 2008 gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het rapport te reageren. Bij brief van 28 november 2008 heeft de GGD Gelre-IJssel op verzoek van het college gereageerd op de reactie van [appellanten].

De GGD Gelre-IJssel heeft in de reactie van [appellanten] geen aanleiding gezien het rapport aan te passen.

Het college onderschrijft de uitkomsten van het rapport en de reactie van de GGD Gelre-IJssel van 28 november 2008 en acht, gelet op de uitkomsten als weergegeven in het rapport, het verantwoord om gebruikers en bezoekers, waaronder kinderen, bloot te stellen aan de magnetische velden op de voorziene sportvelden.

2.6. [appellanten] stellen dat het college wederom ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Sportterreinen - R(s)" voor zover het betreft een strook met de (dubbel)bestemming "Hoogspanningsverbinding - Mn(h)". [appellanten] hebben ten aanzien van de hoogspanningsverbinding in hun beroepschrift vrijwel geheel volstaan met een herhaling van hetgeen zij in hun reactie van 26 augustus 2008 naar voren hebben gebracht tegen het rapport van de GGD Gelre-IJssel van 23 mei 2008. Uit deze reactie kan in ieder geval worden afgeleid dat [appellanten] van mening zijn dat de hoogspanningsleidingen boven de sportvelden een negatieve invloed hebben op het menselijk lichaam en dat de raad, zolang in wetenschappelijk onderzoek niet is aangetoond of hoogspanningsleidingen schadelijk zijn voor de gezondheid, het voorzorgsbeginsel moet toepassen en een alternatieve locatie voor de realisering van het sportcomplex moet bezien.

Voorts stellen [appellanten] dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Sportterreinen - R(s)" voor zover het betreft een strook met de (dubbel)bestemming "Gastransportleiding - Mn(g)". Zij wijzen daarbij op het risico van de aanwezigheid van gastransportleidingen onder de voorziene sportvelden.

2.7. In het rapport is onderzocht wat de verblijfsduur is van de onderscheiden gebruikers van het sportcomplex, wat de omvang is van de magneetveldzone en wat de magnetische veldsterkte is op de onderscheiden delen van het plangebied. Wat betreft de verblijfsduur blijkt dat het voetbalseizoen 30 weken per jaar duurt waarin gemiddeld 90 tot 180 minuten per week gespeeld wordt. In het algemeen wordt er één wedstrijd in de 14 dagen "thuis" gespeeld. Daarnaast is rekening gehouden met de tijd voor omkleden, verblijf in de kantine en het inspelen op de velden. Ten aanzien van de magnetische veldsterkte wordt in het rapport geconcludeerd dat sprake is van een sterk variabele blootstelling van minder dan 0,4 microtesla (hierna: µT) tot 6,0 µT. De gemiddelde jaarlijkse blootstelling ligt tussen de 0,2 en 0,3 µT. In het rapport staat en ter zitting is bevestigd, dat het door de Europese Unie aanbevolen referentieniveau voor magnetische veldsterkte voor kordurende blootstelling 100 µT bedraagt en dat de Gezondheidsraad 120 µT adviseert.

2.8. In het rapport, dat mede is gebaseerd op bestaande wetenschappelijke studies, staat dat op basis van het beschikbare onderzoek geen wetenschappelijke onderbouwing is te geven of de intensiteit van de blootstelling of de duur daarvan of een combinatie van beide bepalend is voor het risico op leukemie bij kinderen bij blootstelling aan Extreem Laagfrequente (ELF) magneetvelden. Volgens het rapport kan slechts een indicatie worden gegeven van het risico op leukemie ter plaatse van de sportvelden, een zogenoemde indicatieve risicoschatting. Daarbij wordt de tijdgewogen gemiddelde blootstelling op het sportcomplex tezamen met de gemiddelde blootstelling in de woning vergeleken met de advieswaarde voor langetermijngemiddelde blootstelling van 0,4 µT. Deze advieswaarde is door de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) opgenomen in het advies van 3 oktober 2005. Daarbij is geadviseerd zo veel als redelijkerwijs mogelijk is bij de vaststelling van streek- en bestemmingsplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 µT.

2.9. Bij brief van 4 november 2008 heeft de minister in aanvulling op het advies van 3 oktober 2005 een aantal gebruikte begrippen nader bepaald. Het begrip langdurig verblijf wordt daarin omschreven als: 'een verblijf van tenminste 14 tot 18 uur per dag gedurende minimaal één jaar'. In de conclusies van het rapport is opgenomen dat ook de wetenschappelijke onderzoeken die zijn uitgevoerd in de woonomgeving zijn gebaseerd op een langetermijngemiddelde blootstelling van minimaal een jaar met een verblijfsduur van minimaal 14 tot 18 uur per dag. Gelet op de uitkomsten in het rapport met betrekking tot de gemiddelde verblijfsduur van kinderen op het sportcomplex, kan dit verblijf naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als langdurig verblijf in voornoemde zin. Hieruit volgt dat op grond van de indicatieve risicobeoordeling in het rapport geen definitief uitsluitsel kan worden gegeven over de risico's die een verblijf op de onderscheiden plaatsen binnen de magneetveldzone met zich kan brengen. Dit neemt echter niet weg dat gelet op de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2007 met zaaknummer 200606819/1, een beleidsmatige afweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening kan leiden tot het oordeel dat blootstelling aan deze magnetische velden te verantwoorden is.

2.10. De Afdeling is van oordeel dat het college zich bij het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gelet op de korte verblijfsduur van de gebruikers (met name kinderen) op het sportcomplex, zoals uiteengezet in het rapport, en de maximale gemiddelde veldsterkte tussen 0,2 en 0,3 µT waaraan zij worden blootgesteld, het verblijf van kinderen op het sportcomplex onder deze omstandigheid geen invloed heeft op hun gezondheid. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het rapport blijkt dat kinderen vaker aan vergelijkbare veldsterkten kortdurend worden blootgesteld, bijvoorbeeld ten gevolge van ondergrondse distributielijnen onder trottoirs en op de achterbank van rijdende auto's. Ook in het advies van de Gezondheidsraad van 21 februari 2008 met betrekking tot het sportcomplex wordt beaamd dat dit een veldsterkte is waaraan kinderen op straat kunnen worden blootgesteld. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten die leiden tot een ander oordeel. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling dan ook van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onder de genoemde omstandigheden uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening blootstelling van mensen, onder wie kinderen, aan het ter plaatse te verwachten magnetische veld te verantwoorden is. Mede in aanmerking genomen het grote belang dat is gediend met de aanleg van het sportcomplex in verband met de fusie van voetbalverenigingen in Zutphen en de algehele herstructurering van sportvelden in Zutphen heeft het college derhalve op juiste wijze gevolg gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2007 in de zaak 200606819/1.

2.11. De eerst in de onderhavige beroepsprocedure naar voren gebrachte beroepsgrond met betrekking tot het planonderdeel dat ziet op de (dubbel)bestemming "Gastransportleiding - Mn(g) " kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen. Niet valt in te zien dat [appellanten] deze beroepsgrond niet eerder naar voren hebben kunnen brengen, zodat zij in zoverre in dit planonderdeel hebben berust, terwijl nieuwe feiten of omstandigheden in dit verband gesteld, noch gebleken zijn. Voorzover ter zitting is gewezen op een mogelijk nieuw aan te leggen gasleiding in het plangebied, is namens de raad naar voren gebracht dat in deze mogelijkheid wordt voorzien door middel van een nieuw bestemmingsplan, dat in ontwerp ter visie is gelegd en waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010

12-608.