Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM2627

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
200906418/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellant] een reguliere bouwvergunning te verlenen voor het veranderen, vergroten en samenvoegen van de derde en vierde verdieping van het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel). Tevens is bij dit besluit geweigerd bouwvergunning te verlenen voor twee dakterrassen op het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906418/1/H1.

Datum uitspraak: 28 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2009 in

zaak nr. AWB 08/1762 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur).

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellant] een reguliere bouwvergunning te verlenen voor het veranderen, vergroten en samenvoegen van de derde en vierde verdieping van het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel). Tevens is bij dit besluit geweigerd bouwvergunning te verlenen voor twee dakterrassen op het perceel.

Bij besluit van 18 maart 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank ingekomen en aan de Raad van State doorgezonden op 19 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 september 2009.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2010, waar [appellant], in persoon, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E.W. Kroese, juridisch adviseur te Zoetermeer en ing. D.P. Cohen Paraira, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet, voor zover thans van belang, in een uitbouw aan de zolderetage op de vierde verdieping van het perceel, met daarvoor gesitueerd een dakterras met hekwerk, alsmede in een dakterras met hekwerk op het dakvlak van de zolderetage.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Rivierenbuurt Oost" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woningen (W)".

2.3. De Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam (hierna: de welstandscommissie) heeft op 18 juli 2007 negatief over het bouwplan geadviseerd. Het dagelijks bestuur heeft dit advies ten grondslag gelegd aan het bij het besluit van 18 maart 2008 gehandhaafde besluit van 30 juli 2007.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de welstandsnota in strijd is met de wet omdat volgens hem de nota in strijd is met artikel 7 van het Besluit Bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, en dat de welstandstoets ten onrechte leidt tot een beperking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen grond is voor het oordeel dat de in de welstandsnota opgenomen criteria in strijd zijn met de wet. Anders dan [appellant] betoogt, vormt de negatieve advisering van de welstandscommissie geen onaanvaardbare belemmering voor de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het ter plaatse geldende bestemmingsplan biedt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juli 2006, in zaak nr. 200507993/1) gaat het primaat van het bestemmingsplan niet zover dat geen ruimte meer is voor een negatief welstandsoordeel, indien het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Als echter wordt vastgesteld dat verwezenlijking van uitdrukkelijk in het bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheden door de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria onmogelijk wordt gemaakt, dienen deze op grond van artikel 12, derde lid, van de Woningwet buiten toepassing te blijven. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het welstandsadvies ondeugdelijk is gemotiveerd. Hij voert hiertoe aan dat voor zijn perceel en voor het perceel [locatie 2] te Amsterdam de "Welstandsnota Zuideramstel" (hierna: de welstandsnota) gelijkelijk geldt. Volgens [appellant] valt niet in te zien dat, nu op 10 augustus 2004 voor een vergelijkbaar bouwplan op dat perceel bouwvergunning is verleend, de welstandstoets daaraan in zijn geval in de weg staat. [appellant] stelt in dit verband dat zijn bouwplan ten onrechte aan het "welstandsbeleid dakterrassen" is getoetst, terwijl eerdergenoemd bouwplan op het perceel [locatie 2] daaraan niet is getoetst. Het welstandsadvies is ook ondeugdelijk gemotiveerd, omdat het niet vermeldt op welke wijze zijn bouwplan wel aan redelijke eisen van welstand zou kunnen voldoen, aldus [appellant].

2.5.1. Blijkens het advies van de welstandscommissie van 18 juli 2007 voldoen de uitbouw en het dakterras op de vierde verdieping van het perceel niet aan de criteria die zijn opgenomen in de welstandsnota.

Volgens het welstandsadvies is het perceel ingedeeld in de zogeheten "architectonische basisorde" en "stedenbouwkundige zone B".

Op grond daarvan geldt voor het perceel dat het gaat om een beschermingswaardige zone, waarin de oorspronkelijke architectonische karakteristiek het uitgangspunt vormt. Daarvan kan alleen kan worden afgeweken indien dit niet leidt tot een verstoring van de architectuureenheid als geheel en van het straatbeeld.

De welstandscommissie is van oordeel dat de uitbouw en het dakterras op de vierde verdieping hier niet aan voldoen en leiden tot een aantasting van de bestaande architectonische karakteristiek, zowel wat het pand als zodanig als het ensemble waartoe het behoort betreft. Hieruit volgt dat het bouwplan als geheel, reeds hierom niet voldoet aan de ten tijde van het besluit van 30 juli 2007 geldende welstandscriteria, zoals neergelegd in de welstandsnota.

Voorts vermeldt het welstandsadvies dat het dakterras op de zolderverdieping niet voldoet aan de richtlijnen voor dakterrassen, zoals neergelegd in het "welstandsbeleid dakterrassen". Deze richtlijnen zijn op 19 februari 2008 door de stadsdeelraad vastgesteld als aanvulling op de welstandsnota en golden ten tijde van het besluit op bezwaar van 18 maart 2008.

Anders dan bij de beoordeling van de aanvraag om bouwvergunning voor het bouwplan op het perceel [locatie 2], ten tijde waarvan het "welstandsbeleid dakterrassen" nog niet van toepassing was, gold dit beleid wel als onderdeel van de welstandsnota, ten tijde van de beoordeling van het bouwplan van [appellant]. Reeds hierom kan het betoog van [appellant] dat wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel niet aan het "welstandsbeleid dakterrassen" had mogen worden getoetst, geen doel treffen.

2.5.2. In het welstandsadvies behoeven geen mogelijke alternatieven te worden besproken waardoor het bouwplan wel aan redelijke eisen van welstand zou voldoen. De welstandscommissie dient zich uit te laten over het bouwplan zoals ingediend. In de omstandigheid dat het welstandsadvies niet vermeldt hoe het bouwplan alsnog zou kunnen voldoen aan redelijke eisen van welstand, kan daarom geen grond zijn gelegen voor het oordeel dat het ondeugdelijk is gemotiveerd.

2.5.3. Uit het vorenstaande volgt dat het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming niet zodanige gebreken vertoont, dat het dagelijks bestuur dit niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag had mogen leggen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010

17-640.