Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM2626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
200905994/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2007 heeft het college geweigerd aan [appellanten] een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel achter [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 46
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Wet ruimtelijke ordening 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/152
JOM 2010/713
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905994/1/H1.

Datum uitspraak: 28 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 juli 2009 in

zaak nr. 08/662 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Westerveld.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2007 heeft het college geweigerd aan [appellanten] een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel achter [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 1 juli 2008, verzonden 3 juli 2008, heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Assen het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 september 2009.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2010, waar [appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. M.P.Ph.M. Weerts, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door J.G. Boer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Wapserveen-dorp" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch bouwblok", met de nadere aanduiding "geen dienstwoning toegestaan".

Ingevolge artikel 10, onder A, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "agrarisch bouwblok" aangewezen gronden bestemd voor de agrarische bedrijfsuitoefening - met uitzondering van intensieve veehouderij -met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven.

Ingevolge artikel 10, onder B, mogen, voor zover thans van belang, op de aldus bestemde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat gebouwen uitsluitend binnen de bebouwingsvlakken worden gebouwd en per agrarisch bedrijf ten hoogste 1 dienstwoning wordt gebouwd, tenzij anders op de kaart is aangegeven.

Ingevolge artikel 10, onder D, eerste lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd om met toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) de bestemming "agrarisch bouwblok", indien het agrarisch bedrijf is beëindigd, te wijzigen:

a. in de bestemmingen: "eengezinshuizen", boerderijwoning", "tuinen" en/of "agrarisch gebied";

b. ten behoeve van sociale, culturele, medische, therapeutische, algemeen maatschappelijke en educatieve functies, waaronder begrepen expositieruimten;

met dien verstande dat:

- de karakteristiek van het gebouw en de samenhang van het (voormalige) boerenerf alsmede de landschappelijke kenmerken niet worden aangetast;

- de infrastructuur niet verzwaard mag worden;

- de verkeersaantrekkendheid in vergelijking met de oorspronkelijke activiteit niet of nauwelijks mag toenemen;

- een (dienst)woning gehandhaafd dient te blijven;

- de activiteiten als genoemd onder b uitsluitend dan wel overwegend dienen te worden uitgeoefend binnen de bestaande gebouwen.

Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

2.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een eengezinswoning op het perceel. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Wapserveen-dorp", nu de woning niet ten dienste van de agrarische bestemming wordt opgericht.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college voor het bouwplan in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen weigeren.

Zij voeren hiertoe aan dat nu de eis van ruimtelijke relevantie in de weg staat aan het opnemen van zogenoemde woningbouwcategorieën in het bestemmingsplan, dit argument evenmin via het door de gemeenteraad vastgestelde "Woonplan", in de weg kan staan aan het verlenen van vrijstelling daarvan.

2.3.1. Het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen, dan wel te weigeren, heeft kunnen komen.

2.3.2. Anders dan [appellanten] betogen, heeft het college aan de weigering om vrijstelling te verlenen, ten grondslag mogen leggen dat het bouwplan niet past binnen de uitgangspunten van het in 2005 door de gemeenteraad van Westerveld vastgestelde "Woonplan", waarin is opgenomen op welke locaties binnen de gemeente toekomstige woningbouw kan worden gerealiseerd.

Het college heeft daarnaast aan de weigering ten grondslag gelegd dat het bouwplan afbreuk doet aan de stedenbouwkundige structuur van het gebied in de vorm van de aanwezige lintbebouwing. Dit standpunt is evenmin onredelijk te achten.

De rechtbank is dan ook op juiste gronden tot het oordeel gekomen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren om vrijstelling te verlenen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het geen gebruik wenst te maken van de bevoegdheid tot wijziging van de bestemming, zoals bedoeld in artikel 10, onder D, eerste lid, van de planvoorschriften. Zij voeren hiertoe aan dat het college ten onrechte het standpunt inneemt dat de toepassingvoorwaarden voor de wijzigingsbevoegdheid cumulatief gelden. Daarnaast neemt het college volgens [appellanten] ten onrechte een steeds wisselend standpunt in over de agrarische bedrijvigheid op het perceel.

2.4.1. Op grond van de tot 1 juli 2008 geldende WRO was de rechtbank bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van een beroep tegen een besluit tot weigering een wijzigingsplan vast te stellen dat voor die datum bekend is gemaakt. Tegen de uitspraak van de rechtbank stond hoger beroep bij de Afdeling open. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover van belang, is vanaf 1 juli 2008 de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd kennis te nemen van een dergelijk beroep. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is in de Invoeringswet Wro op dit punt niet in overgangsrecht voorzien.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juni 2009, in zaak nr. 200901661/1/R3), brengt een redelijke wetstoepassing mee dat voor het antwoord op de vraag welke rechter bevoegd is kennis te nemen van een beroep gericht tegen een besluit op bezwaar inzake een besluit tot weigering een wijzigingsplan vast te stellen, bepalend is welke rechter bevoegd was op het moment van bekendmaking van het besluit waartegen het beroep is gericht. Dit betekent dat indien het beroep gericht is tegen een besluit dat voor 1 juli 2008 bekend is gemaakt, de rechtbank ook na inwerkingtreding van de Wro, in eerste aanleg bevoegd blijft kennis te nemen van dat beroep. De Afdeling is bevoegd in eerste en enige aanleg kennis te nemen van een beroep gericht tegen een besluit op bezwaar inzake een besluit tot weigering een wijzigingsplan vast te stellen als dat besluit op of na 1 juli 2008 is bekendgemaakt.

2.4.2. Het besluit op bezwaar is op 3 juli 2008 bekendgemaakt aan [appellanten]. De Afdeling is gelet op het voorgaande bevoegd in eerste en enige aanleg kennis te nemen van het beroep, voor zover gericht tegen de weigering van het college een wijzigingsplan vast te stellen. De rechtbank heeft in zoverre ten onrechte op het beroep beslist. Nu de weigering om het wijzigingsplan vast te stellen deel uitmaakt van het geschil dat thans voorligt, zal de Afdeling, oordelend in eerste en enige aanleg, daarop beslissen.

2.4.3. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 10, onder D, eerste lid, van de planvoorschriften cumulatief gelden. Aan die toepassingsvoorwaarden is niet voldaan, reeds omdat het bouwplan geen betrekking heeft op een bestaande woning die wordt gehandhaafd.

Gelet hierop wordt aan bespreking van de stellingen die [appellanten] over de overige toepassingsvoorwaarden naar voren hebben gebracht, niet toegekomen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft beslist op het beroep voor zover gericht tegen de weigering van het college om een wijzigingsplan vast te stellen.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank onbevoegd verklaren in zoverre van het beroep kennis te nemen. De Afdeling zal het beroep voor zover gericht tegen de weigering van het college een wijzigingsplan vast te stellen, oordelend in eerste en enige aanleg, ongegrond verklaren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 juli 2009 in zaak nr. 08/662, voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld over het besluit van het college te weigeren een wijzigingsplan vast te stellen;

III. verklaart de rechtbank in zoverre onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen;

IV. verklaart het beroep tegen de weigering om een wijzigingsplan vast te stellen ongegrond;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010

17-640.