Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM2622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
200901880/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2008 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied Westvoorne, tweede herziening Langeweg/Middelweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901880/1/R3.

Datum uitspraak: 28 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Westvoorne,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2008 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied Westvoorne, tweede herziening Langeweg/Middelweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 14 april 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2010, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door drs. H.J. Solle en mr. J.J. Koch, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan omvat enkele percelen aan de Langeweg en een perceel aan de Middelweg in Rockanje.

Doel van het plan is onder meer het geven van een maatbestemming voor de gronden aan de [locatie 1] (hierna: het perceel) met daarop een intensieve veehouderij.

2.2. Het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen het niet toekennen van een aanduiding voor een tweede bedrijfswoning op het perceel, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3. [appellant] heeft in beroep aangevoerd dat de publicatie van de terinzagelegging van het ontwerpplan in de Staatscourant niet juist is. Hij stelt dat ten aanzien van zijn perceel ten onrechte is volstaan met de vermelding "[locatie 1]", nu [locatie 2] daarvan ook deel uitmaakt.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro in samenhang met artikel 3:12 van de Awb, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging kennis van het ontwerp in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen en in de Staatscourant. Daarbij kan worden volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud.

Ter zitting is omtrent de zakelijke inhoud van die kennisgeving vast komen te staan dat [locatie 1] het enige officiële huisnummer is op dit perceel. Derhalve heeft de raad door in de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp te volstaan met de vermelding van dat huisnummer genoemde bepalingen niet geschonden. De omstandigheid dat het gemeentebestuur in de reacties op brieven van [appellant] de door hem gebruikte adressering '[locatie 2]' heeft aangehouden, is voor dat oordeel niet relevant.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat aan het plan geen betekenis kan toekomen, nu het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Westvoorne", waarvan het plan een partiële herziening is, niet op rechtmatige wijze tot stand is gekomen en ook inhoudelijk onrechtmatig is.

2.4.1. Ook dit betoog faalt. Bij uitspraak van 9 december 2009, nr. 200801932/1/R1, inzake het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Westvoorne" heeft de Afdeling beslist omtrent de beroepen van onder meer [appellant] tegen het besluit omtrent goedkeuring van dat bestemmingsplan en dat plan en de goedkeuring daarvan op hoofdlijnen in stand gelaten. Daaruit volgt dat die besluiten niet onrechtmatig tot stand zijn gekomen. In het betoog van [appellant] ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet tot een gedeeltelijke herziening van dat plan mocht besluiten.

2.5. [appellant] richt zich in beroep tegen het plandeel voor zijn perceel [locatie 1]. Hij betoogt dat de maximale oppervlakte voor bedrijfsbebouwing ten behoeve van zijn intensieve veehouderij zonder rekening te houden met zijn bedrijfsbelangen ten onrechte niet ruimer is vastgesteld. Ook is ten onrechte de bouw- en goothoogte te laag vastgesteld. Dit klemt temeer nu de bouwmogelijkheden op het perceel ten onrechte niet kunnen worden verruimd met gebruikmaking van de in dit plan opgenomen vrijstellingsbevoegdheden. [appellant] betoogt dat dit getuigt van willekeur. Verder beroept hij zich op het gelijkheidsbeginsel.

2.5.1. Uit de plantoelichting volgt dat de raad heeft onderzocht of, en zo ja, in hoeverre een intensieve veehouderij op het perceel gehandhaafd kan worden, gelet op de ontwikkelingen in het plangebied en de relevante milieuwetgeving. De raad heeft zich naar aanleiding daarvan op het standpunt gesteld dat er vanuit planologisch oogpunt geen dringende redenen zijn voor beëindiging van het bedrijf. Wel acht hij het verdedigbaar om kritisch te kijken welke bestaande rechten moeten worden gehandhaafd. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad de feitelijke situatie op het perceel als uitgangspunt genomen, waarbij hij óók ruimte heeft willen bieden voor een beperkte groei van het bedrijf. De raad acht een verdere verruiming van de bouwmogelijkheden in strijd met het ruimtelijk beleid dat volgens de plantoelichting is gericht op behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Verder acht hij verruiming van de bouwmogelijkheden niet wenselijk in verband met geurhinder voor omliggende woningen en te realiseren woningen ten noorden van Rockanje. Voorts stelt de raad dat [appellant] de afgelopen jaren geen concrete uitbreidingsplannen kenbaar heeft gemaakt die een vergroting van de bouwmogelijkheden vereisen.

2.5.2. Uit het vaststellingsbesluit volgt dat het voorliggende plan een partiële herziening is van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Westvoorne" en dat de voorschriften van dat plan voor deze herziening gelden met inbegrip van enkele in het besluit nader aangegeven aanvullingen die betrekking hebben op het perceel [locatie 1] en deels op het perceel Middelweg 13.

Het perceel [locatie 1] is op de plankaart aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden -AI-" met een bouwvlak voorzien van de aanduiding "III". Daarmee is het perceel ingevolge artikel 8, lid 1.1, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, bestemd voor agrarisch gebruik, volwaardige intensieve veehouderijbedrijven, volwaardige graasdierbedrijven, akkerbouwbedrijven en open grond tuinbouwbedrijven uitgezonderd productiegerichte paardenhouderijen.

Ingevolge artikel 8, lid 2.1, mogen, voor zover hier van belang, op gronden bestemd voor volwaardige intensieve veehouderijbedrijven uitsluitend bouwwerken ten dienste van en noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering worden gebouwd, met dien verstande dat:

[…]

c. bouwwerken dienen te worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken;

[…]

i. in afwijking van het hiervoor onder c bepaalde op gronden gelegen buiten de bouwvlakken uitsluitend mogen worden gebouwd:

1. kassen ten behoeve van bedrijven gelegen binnen de bouwvlakken met aanduiding II, [..];

j. de overige maatvoering van de bebouwing voldoet aan de volgende vereisten:

[…]

- de goot- en bouwhoogte van overige bedrijfsgebouwen, met uitzondering van kassen, mag niet meer bedragen dan respectievelijk 5 meter en 9 meter met dien verstande dat die hoogtes, ten behoeve van de intensieve veehouderij aan de [locatie 1] niet meer mogen bedragen dan 3,5 meter respectievelijk 6 meter;

[…]

- het gezamenlijk oppervlak van overige bedrijfsgebouwen ten behoeve van een intensieve veehouderij aan de [locatie 1] mag niet meer bedragen dan 600 m².

2.5.3. Ingevolge lid 3.1, onder a, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 2.1, onder c, indien de overschrijding van het bouwvlak voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is en onder de voorwaarden dat de overschrijding niet meer bedraagt dan 25% van de oppervlakte van het bouwvlak en wordt gerealiseerd in een vanuit landschappelijk oogpunt geschikte richting.

Ingevolge dat artikellid onder b is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 2.1, onder j, voor een goothoogte van maximaal 6 meter ten behoeve van overige bedrijfsgebouwen, uitgezonderd kassen en overige bedrijfsgebouwen ten behoeve van een intensieve veehouderij aan de [locatie 1], mits dit voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is.

2.5.4. Ingevolge lid 3.2 is het college van burgemeester en wethouders niet bevoegd om van de in lid 3.1, onder a, bedoelde vrijstellingsbevoegdheid gebruik te maken ten behoeve van de bouwvlakken aan de [locatie 1] en Middelweg 13.

2.5.5. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Varkensbesluit bedraagt de beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gelten na dekking of zeugen zonder biggen, die in een groep worden gehouden, ten minste per gelt of zeug 2,25 m².

Ingevolge het tweede lid bedraagt de voor varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden gelten of zeugen ten minste per varken met een gemiddeld gewicht:

a. tot 15 kg: 0,20 m²;

b. van 15 tot 30 kg: 0,40 m²;

c. van 30 tot 50 kg: 0,60 m²;

d. van 50 tot 85 kg: 0,80 m²;

e. van 85 tot 110 kg: 1 m²;

f. van meer dan 110 kg: 1,3 m².

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, kan de in het eerste lid bedoelde beschikbare oppervlakte per gelt of zeug met 10 procent worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden.

Ingevolge het vijfde lid kan de in het tweede lid bedoelde beschikbare oppervlakte per gespeend varken of gebruiksvarken met een gemiddeld gewicht van meer dan 15 kg, met 10 procent worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, is, voor zover hier van belang, artikel 4, tweede lid, tot 1 januari 2013 niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat:

a. de stal vóór 1 november 1998 in gebruik is genomen;

b. de stal vanaf 1 november 1998 voldoet aan artikel 4, eerste lid, zoals dat luidde vóór 1 september 1998, en

c. de stal of de vloer van de stal na 1 november 1998 niet is verbouwd of herbouwd.

2.5.6. Volgens het deskundigenbericht is binnen het bouwvlak van het perceel ongeveer 500 m2 aan bedrijfsbebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij aanwezig, bestaande uit een varkensstal van ongeveer 340 m2 met een capaciteit voor ongeveer 450 mestvarkens en een varkensstal van ongeveer 160 m2 met een capaciteit voor ongeveer 200 mestvarkens. De goot- en nokhoogte van de grootste stal bedraagt respectievelijk 2,55 meter en 5 meter en van de kleinste stal respectievelijk 3,2 meter en 5,3 meter. [appellant] beschikt over een milieuvergunning voor het houden van 650 mestvarkens.

Het deskundigenbericht onderschrijft het betoog van [appellant] dat de in het plan aan zijn perceel toegekende maximale bebouwingsmogelijkheden voor zijn intensieve veehouderij ontoereikend zijn om zijn bestaande veebezetting - die ongeveer overeenkomt met de toegestane veebezetting - gedurende de planperiode te handhaven en dat die bebouwingsmogelijkheden zeker geen mogelijkheid bieden zijn bedrijf enigszins uit te breiden. In dit verband is van belang dat [appellant] naar vast is komen te staan uiterlijk vóór 1 januari 2013 zijn stalruimte dient aan te passen aan de eisen die ingevolge artikel 4 van het Varkensbesluit voor de huisvesting van varkens aan zijn stallen worden gesteld en dat hij dan voor de huisvesting van 650 mestvarkens over een bedrijfsvloeroppervlakte dient te beschikken die aanmerkelijk groter is dan de in dit plan toegekende maximale oppervlakte van 600 m2, nu aan de goot- en nokhoogte zodanige beperkingen zijn gesteld dat bouwen in meer lagen niet of nauwelijks mogelijk is.

Bovendien bevestigt het deskundigenbericht het standpunt van [appellant] dat de beperkende bepalingen ten aanzien van de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing onvoldoende ruimte bieden voor een zogenoemde interne saldering, waarbij op een veebedrijf bij nieuwbouw van een stal een techniek (bijvoorbeeld een luchtwasser) wordt geïnstalleerd die de ammoniakreductie sterker reduceert dan wettelijk voorgeschreven waardoor de bestaande stallen op het bedrijf niet behoeven te worden aangepast, op voorwaarde dat het hele bedrijf voldoet aan de wettelijke emissienormen.

De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat niet van de gegevens van het deskundigenbericht kan worden uitgegaan.

2.5.7. Voorts betoogt [appellant] met recht dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor alle intensieve veehouderijen in het buitengebied waarop het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Westvoorne" betrekking heeft de vrijstellingsmogelijkheden die het plan biedt wel van toepassing zijn, maar voor het perceel [locatie 1] niet. De enkele, uit de plantoelichting blijkende omstandigheden dat op betrekkelijk korte afstand van dit perceel (tenminste 275 meter) een locatie ligt (Drenkeling) die in de structuurvisie Rockanje is aangewezen als toekomstige dorpsuitbreiding en dat enkele woningen nabij het perceel staan, bieden daarvoor op zichzelf onvoldoende rechtvaardiging. De woningbouwplannen voor dat gebied hebben, naar ter zitting vast is komen te staan, nog geen vaste vorm in die zin dat die plannen reeds zijn opgenomen in besluitvorming ten behoeve van een bestemmingsplan. Voorts staat in de plantoelichting dat de voor dit gebied geldende norm voor geurbelasting op een geurgevoelig object als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij de intensieve veehouderij nog ruimte voor uitbreiding biedt mits die wordt voorzien van een gecombineerd luchtwassersysteem.

De voor het plandeel geboden maximale bebouwingsoppervlakte en de toegekende maximale goot- en nokhoogte, zonder dat daarvan kan worden afgeweken met gebruikmaking van de vrijstellingsmogelijkheden, voldoen derhalve niet aan het oogmerk van de raad om de intensieve veehouderij van [appellant] op het perceel te handhaven en uitgaande van de bestaande situatie nog ruimte te bieden voor een beperkte groei.

De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel voor het perceel [locatie 1] met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden -AI-" met de aanduiding "III" is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is op dit punt gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.6. [appellant] voert in beroep voorts aan dat de op het perceel aanwezige kassen ten onrechte niet als zodanig in het plan zijn bestemd en dat het plan ook ten onrechte niet de mogelijkheid toekent voor de bouw van nieuwe kassen met een goothoogte van 7 meter. Hij stelt dat het gebruik van zijn kassen onder het overgangsrecht valt en niet binnen de planperiode zal worden beëindigd. Verder beroept hij zich op het gelijkheidsbeginsel.

2.6.1. De raad heeft de kassen op het perceel niet als zodanig in het plan bestemd omdat deze niet meer in gebruik zijn voor de doeleinden waarvoor deze zijn opgericht, maar worden gebruikt voor onder andere de stalling van caravans. Hij acht deze keuze in overeenstemming met zowel het gemeentelijk als provinciaal beleid dat erop is gericht om de glastuinbouwbestemming van zogenoemde "papieren glaslocaties" (locaties waar geen glastuinbouwbedrijf wordt uitgeoefend of aanwezig is, maar op grond van het voorheen geldende plan wel mogelijk was) niet te continueren. Verder stelt de raad dat aan het perceel Langeweg 8, waar [appellant] naar verwijst, een glastuinbouwbestemming is toegekend, nu het daar gevestigde bedrijf beschikt over een onherroepelijk geworden bouwvergunning voor de oprichting van een glastuinbouwbedrijf.

2.6.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat op het gedeelte van het perceel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden -AI-" zonder aanduiding, een kas van circa 2.600 m2 staat die wordt gebruikt voor de stalling van caravans.

Op het gedeelte van het perceel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden -AI-" met de aanduiding 'III' staat een plantenkas van 125 m².

2.6.3. Het betoog van [appellant] dat het plan ten onrechte niet de mogelijkheid biedt voor de bouw van nieuwe kassen met een goothoogte van 7 meter faalt. Het gemeentelijke beleid voor dit gebied voorziet slechts in de mogelijkheid van nieuwe kassen (tot een hoogte van 5 meter) indien sprake is van een glastuinbouwbedrijf. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] op het perceel geen glastuinbouwbedrijf uitoefent. Aan het gemeentelijke beleid kan [appellant] dan ook geen recht ontlenen op de door hem gewenste bouwmogelijkheid. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is niet gebleken van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de raad van zijn beleid diende af te wijken.

Dit laat onverlet dat tussen partijen niet in geschil is dat de grootste kas, die buiten het bouwvlak met de aanduiding "III" staat, in 1981 met bouwvergunning is gebouwd en in 1985 met bouwvergunning is vergroot. In beginsel dient legaal aanwezige bebouwing als zodanig in het plan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven, kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien en kan het bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht. Dan dient wel aannemelijk te zijn dat het bouwwerk binnen de planperiode verdwijnt. Met het overgangsrecht wordt immers beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen. Ter zitting is niet gebleken dat [appellant] de grote kas spontaan zal verwijderen en evenmin dat het gemeentebestuur tot aankoop of onteigening zal overgaan. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat de grote kas binnen de planperiode zal verdwijnen.

2.6.4. Voorts is onbestreden dat het gebruik als caravanstalling een aanvang heeft genomen vóór de inwerkingtreding van het voorheen geldende plan "Landelijk Gebied Rockanje" en dat het met dit en het voorliggende plan strijdige gebruik onder het overgangsrecht van dit plan mag worden voortgezet. Tegen het strijdige gebruik kan dus niet handhavend worden opgetreden.

Het is in beginsel niet toegestaan gebruik dat onder het overgangsrecht van een voorheen geldend plan was toegestaan en waarvan aannemelijk is dat dit niet binnen de planperiode zal worden beëindigd. opnieuw onder het overgangsrecht te brengen. De raad dient dan in beginsel een keuze te maken dit gebruik als zodanig in het plan te bestemmen of een persoonsgebonden overgangsrecht voor dat afwijkende gebruik op te nemen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat het afwijkende gebruik, in overeenstemming met het karakter van overgangsrecht, eindig is.

2.6.5. De raad heeft de wijze van totstandkoming van de grote kas en het gebruik ervan voor caravanstalling onvoldoende betrokken bij de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden -AI-" zonder aanduiding voor het perceel [locatie 1].

De conclusie is dat dit plandeel is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is op dit punt gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.6.6. Behoudens de situatie dat alsnog uitzicht ontstaat op verwijdering van de kas binnen de planperiode, zal de raad alsnog moeten bezien welke bestemming aan de gronden waarop de kas staat moet worden toegekend en welke regels omtrent het gebruik daarvan in het plan nodig zijn. Daarbij bestaat de mogelijkheid - nu het in dit geval gaat om overbodig geworden agrarische bebouwing - het gebouw positief te bestemmen, maar bij algehele vervanging slechts de bouw van een gebouw van geringere omvang toe te staan.

2.6.7. In de omstandigheden van het geval ziet de Afdeling aanleiding zowel voor het herstel van dit gebrek als het in rechtsoverweging 2.5.7 geconstateerde gebrek een termijn te stellen waarbinnen de raad een nieuw besluit zal dienen te nemen ter vervanging van de vernietigde plandelen.

2.6.8. Ten aanzien van de kleine kas die binnen het bouwvlak van het plandeel met bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden -AI-" en de aanduiding "III" staat, wordt overwogen dat die kas, naar niet is betwist, zonder bouwvergunning is opgericht en niet bedrijfsmatig wordt gebruikt voor agrarische doeleinden. Tegen de aanwezigheid van die kas is handhavend optreden derhalve niet uitgesloten. Gelet hierop kan [appellant] aan de aanwezigheid van die kas geen recht ontlenen op een bestemming die de aanwezigheid van die kas legitimeert. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd behoefde de raad geen aanleiding te zien die kas desondanks als zodanig te bestemmen.

Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking met het perceel Langeweg 8 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat daarvoor een onherroepelijke bouwvergunning is verleend ten behoeve van de vestiging van een glastuinbouwbedrijf. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Dit betoog faalt.

2.7. [appellant] voert in beroep voorts aan dat de agrarische status van de woningen aan de Langeweg 12 en 12a ten onrechte niet is gehandhaafd in het plan. Hierdoor verandert het karakter van het landelijk gebied.

2.7.1. De raad heeft ter zitting verklaard dat door schaalvergroting van bedrijven een groot aantal vroegere bedrijfswoningen in het buitengebied is verkocht als burgerwoning. De raad heeft ten aanzien van die woningen de beleidslijn gehanteerd dat woningen binnen bestaande agrarische bouwvlakken waar geen bedrijf wordt uitgeoefend en die door een burger worden bewoond, in dit plan een woonbestemming krijgen.

2.7.2. De toegekende bestemming "Woondoeleinden -W-" voor de woningen Langeweg 12 en 12a is in overeenstemming met het gemeentelijke beleid. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan een uitzondering op dit beleid had moeten worden gemaakt. Daarbij is in aanmerking genomen dat de raad terecht stelt dat de Wet geurhinder en veehouderij aan deze wijziging geen gevolgen verbindt voor de bedrijfsvoering van de intensieve veehouderij van [appellant].

2.7.3. De conclusie is dat het beroep geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel voor de percelen Langeweg 12 en 12a strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8. [appellant] heeft in zijn nader stuk gevraagd om vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het bestreden besluit en de hieraan voorafgaande voorbereidingsbesluiten heeft geleden doordat vanwege deze besluiten hem geen bouwvergunning is verleend voor de uitbreiding van zijn bedrijf.

2.8.1. Dit op artikel 8:73 van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen nu het antwoord op de vraag of en in hoeverre [appellant] in aanmerking komt voor een vergoeding van schade op grond van dit artikel afhankelijk is van het door de raad nog te nemen besluit omtrent de planologische mogelijkheden voor de intensieve veehouderij van [appellant] op dit perceel en op de uitkomst van die besluitvorming thans niet kan worden vooruitgelopen.

2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet toekennen van een aanduiding voor een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Westvoorne van 16 december 2008 voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden -AI-" met de aanduiding "III" alsmede voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden -AI-" zonder aanduiding, beide voor het perceel [locatie 1];

IV. draagt de raad van de gemeente Westvoorne op vóór 1 oktober 2010 een nieuw besluit te nemen ter vervanging van de onder III genoemde plandelen;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Westvoorne aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Nolles

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010

291-646.