Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM2618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
201002915/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een clubgebouw, steiger/terras, motorhuis en kabelskibaan op de locatie Strand van Luna te Heerhugowaard (hierna: de locatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002915/2/H1.

Datum uitspraak: 23 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 maart 2010 in zaak

nr. 08/1351 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een clubgebouw, steiger/terras, motorhuis en kabelskibaan op de locatie Strand van Luna te Heerhugowaard (hierna: de locatie).

Bij besluit van 6 februari 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw deels gegrond verklaard, het besluit van 20 februari 2007 herroepen en vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een clubgebouw, steiger/terras, motorhuis en kabelskibaan op de locatie.

Bij uitspraak van 4 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [verzoeker] de voorzitter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 april 2010, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer, en het college, vertegenwoordigd door Th. Slats, S.M.C. Smit-Praat, S.C.M. Waardenburg en ir. J.T. Dijkstra, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door drs. N.J.M. Appelman, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bouwplan voorziet in de bouw van een kabelskibaan, een clubgebouw, een motorhuis en een steiger/terras op de locatie. De kabelskibaan is een sleeplift waaraan de waterskiër wordt voortgetrokken door een stalen kabel. Deze kabel wordt opgehangen aan een startpaal van 12 m hoog en vier vakwerkconstructies van 10 m hoog. De baan heeft een totale lengte van ongeveer 700 m en ligt in het verlengde van de oever van het meer. Het laatste gedeelte van de baan loopt evenwijdig aan onder meer het perceel van [verzoeker]. Het clubgebouw is geprojecteerd op een eiland in een uitsparing van het meer en voorziet in een aan de kabelskibaan gelieerde horecagelegenheid, sanitaire en technische ruimten en een vergader- en groepsruimte. Vanaf het buitenterras van het clubgebouw loopt een vlonderverbinding over het water naar het startplatform van de kabelskibaan. De vlonder beschikt over een aanlegsteiger voor kleine boten en waterfietsen. Het clubgebouw heeft voorts een dakterras van 50 m².

2.3. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Recreatiegebied Heerhugowaard Zuid" (hierna: het bestemmingsplan). Teneinde het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.4. Nu [vergunninghoudster] een aanvang heeft gemaakt met de bouw van de kabelskibaan, verzoekt [verzoeker] om schorsing van de verleende vrijstelling en bouwvergunning eerste fase totdat de Afdeling in de bodemprocedure heeft beslist.

2.5. De voorzitter stelt voorop dat besluiten in het algemeen uitvoerbaar zijn, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt temeer indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het besluit van 6 februari 2009 heeft getoetst en het daartegen ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard.

2.6. In de bodemprocedure zal de Afdeling naar aanleiding van het hoger beroep van [verzoeker] moeten uitmaken of de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het bouwplan thans is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en dat het college in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. In hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht, ziet de voorzitter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de in hoger beroep bestreden uitspraak geen stand zal houden, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en bouwvergunning niet mochten worden verleend.

De voorzitter acht het op voorhand niet aannemelijk dat het bouwplan niet inpasbaar is in het ten tijde van het besluit van 6 februari 2009 geldende provinciaal en gemeentelijk beleid en de toekomstige planologische ontwikkelingen van de locatie. Daarbij komt dat de raad van de gemeente Heerhugowaard inmiddels op 23 maart 2010 het bestemmingsplan "Waterskibaan" heeft vastgesteld en niet is bestreden, dat het bouwplan daarmee in overeenstemming is. Hoewel niet kan worden betwist dat het bouwplan zal leiden tot een aantasting van het woongenot en de privacy van [verzoeker], acht de voorzitter het voorts op voorhand niet aannemelijk dat sprake is van een zodanige aantasting dat het college in verband daarmee, bij afweging van de betrokken belangen en in aanmerking genomen de beslissingsruimte die het college bij die bestuurlijke afweging toekomt, de vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen, dan wel dat uiteindelijk zal blijken dat deze niet verleend kan worden.

2.7. Onder deze omstandigheden en gelet op de betrokken belangen bestaat aanleiding om het verzoek om het treffen van de gevraagde voorziening af te wijzen. Daarbij wordt opgemerkt dat, voor zover [vergunninghoudster] gebruik maakt van de verleende, maar nog niet in rechte onaantastbare bouwvergunning, zij dat doet op eigen risico.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010

531.