Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM2617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
201002501/2/H1, 201002502/2/H1, 201002503/2/H1 en 201002504/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij drie onderscheiden besluiten van 9 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders verklaringen van geen bezwaar te verlenen voor de bouw van windturbines op de percelen Dodaarsweg 30, Lepelaarweg 9 en Bosruiterweg 30 en 33 te Zeewolde (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002501/2/H1, 201002502/2/H1, 201002503/2/H1 en 201002504/2/H1.

Datum uitspraak: 23 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:

het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college van gedeputeerde staten),

verzoeker,

tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 februari 2010 in de zaken nrs. 08/848, 08/877, 08/903 en 08/907 in de gedingen tussen respectievelijk:

[wederpartij A], [wederpartij B], het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde (hierna: het college van burgemeester en wethouders) en [wederpartij C]

en

het college van gedeputeerde staten

1. Procesverloop

Bij drie onderscheiden besluiten van 9 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders verklaringen van geen bezwaar te verlenen voor de bouw van windturbines op de percelen Dodaarsweg 30, Lepelaarweg 9 en Bosruiterweg 30 en 33 te Zeewolde (hierna: de percelen).

Bij vier onderscheiden besluiten van 15 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten de door [wederpartij A], [wederpartij B], het college van burgemeester en wethouders en [wederpartij C] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij drie onderscheiden besluiten van 29 juli 2008 heeft het college van gedeputeerde staten de besluiten van 15 april 2008 gewijzigd, in die zin dat een andere dan wel nadere motivering ten grondslag is gelegd aan de weigering om verklaringen van geen bezwaar te verlenen voor de bouw van windturbines op de percelen.

Bij vier onderscheiden uitspraken van 4 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door respectievelijk [wederpartij A], [wederpartij B], het college van burgemeester en wethouders en [wederpartij C] tegen de besluiten van 15 april en 29 juli 2008 ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd, de tegen de besluiten van 9 oktober 2007 gemaakte bezwaren gegrond verklaard, deze besluiten herroepen en aan het college van burgemeester en wethouders verklaringen van geen bezwaar verleend voor de bouw van windturbines op de percelen.

Tegen deze uitspraken heeft het college van gedeputeerde staten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2010, hoger beroepen ingesteld. De gronden van de hoger beroepen zijn aangevuld bij brieven van 23 maart 2010.

Bij vier onderscheiden brieven, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2010, heeft het college van gedeputeerde staten de voorzitter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting gevoegd behandeld op 15 april 2010, waar het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. A.G. Vuuregge, [wederpartij A], vertegenwoordigd door ing. I.T.G.M. Martens, [wederpartij B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. C.Th. Vos, en [wederpartij C], vertegenwoordigd door mr. G.A. Leever, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. In de bodemprocedure zal naar aanleiding van de hoger beroepen van het college van gedeputeerde staten moeten worden beslist of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren de gevraagde verklaringen van geen bezwaar te verlenen en of de rechtbank deze verklaringen, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, heeft kunnen verlenen.

2.3. Ter zitting heeft het college van burgemeester en wethouders te kennen gegeven dat het het voornemen heeft om op korte termijn de gevraagde vrijstellingen en bouwvergunningen voor de bouw van de windturbines op de percelen te verlenen. De verzoeken van het college van gedeputeerde staten strekken ertoe dat de uitspraken van de rechtbank van 4 februari 2010 worden geschorst hangende de hoger beroepen. Het belang van het college van gedeputeerde staten bij de gevraagde voorzieningen bestaat vooral daaruit, dat dient te worden voorkomen dat het college van burgemeester en wethouders kan overgaan tot het verlenen van de gevraagde vrijstellingen en bouwvergunningen en daarmee onomkeerbare situaties kunnen ontstaan.

2.4. Zoals de voorzitter ter zitting heeft medegedeeld, zal hij, gezien de wederzijdse belangen, bevorderen dat de bodemzaak in juli of augustus van dit jaar ter zitting zal worden behandeld. In aanmerking genomen de relatief korte periode tot de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure, kan niet staande worden gehouden dat aan de zijde van [wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C] en het college sprake is van belangen die onevenredig worden geschaad bij toewijzing van de gevraagde voorzieningen, terwijl afwijzing daarvan kan leiden tot onomkeerbare, althans bezwaarlijk omkeerbare situaties. Daarbij neemt de voorzitter voorts in aanmerking dat niet alleen geruime tijd is verstreken tussen de datum van indiening van de bouwaanvragen en de datum van aanvraag van de verklaringen van geen bezwaar, maar ook tussen de datum van indiening van de beroepen en de uitspraken van de rechtbank. Na afweging van de betrokken belangen ziet de voorzitter in het vorenstaande aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.6. Redelijke toepassing van artikel 41, vierde lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht - naar analogie van artikel 41, vijfde lid, van die wet - door de secretaris van de Raad van State aan het college van gedeputeerde staten wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 februari 2010 in de zaken nrs. 08/848, 08/877, 08/903 en 08/907 totdat de Afdeling op de ingestelde hoger beroepen heeft beslist;

II. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan het college van gedeputeerde staten van Flevoland het door hem voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 1792,00 (zegge: zeventienhonderdtweeënnegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010

531.