Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM2611

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
200909335/3/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2008 heeft de minister, voor zover hier van belang, aan [groothandel] in kleinwild, veerwild en donshuiden een ontheffing onder voorschriften verleend van de verbodsbepalingen in de artikelen 9, 10 en 11 van de Flora- en faunawet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909335/3/H3.

Datum uitspraak: 22 april 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de stichting Stichting de Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen,

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 3 november 2009 in zaken nrs. 08/3678 en 08/4343 in het geding tussen onder meer:

de stichting

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2008 heeft de minister, voor zover hier van belang, aan [groothandel] in kleinwild, veerwild en donshuiden een ontheffing onder voorschriften verleend van de verbodsbepalingen in de artikelen 9, 10 en 11 van de Flora- en faunawet.

Bij besluit van 19 september 2008 heeft de minister het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en [groothandel] een gerectificeerde ontheffing verleend.

Bij uitspraak van 3 november 2009 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 januari 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2010, heeft de stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 april 2010, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W. van Dijk, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord [groothandel].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De minister heeft [groothandel] een ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet verleend, teneinde hem in staat te stellen zijn beroep van zwanendrifter uit te oefenen. Als zwanendrifter mag hij op basis van een hem verleende ontheffing ingevolge de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren knobbelzwanen houden voor de productie. Nadat zij zijn geleewiekt, leven deze knobbelzwanen te midden van wilde knobbelzwanen in de polder.

2.3. De stichting heeft verzocht om een voorlopige voorziening vanwege het begin van het broedseizoen van de knobbelzwanen. Eind april zijn de eerste jongen te verwachten. Vlak na het uitkomen van de eieren zal de zwanendrifter, zo stelt de stichting, de jongen willen leewieken en ringen of van andere merktekens willen voorzien. Omdat deze werkzaamheden onomkeerbare gevolgen kunnen hebben, heeft de stichting verzocht het bij de rechtbank bestreden besluit te schorsen.

2.4. Ter ondersteuning van haar verzoek heeft de stichting betoogd dat de zwanendrift een activiteit is die op grond van de Vogelrichtlijn en de Flora- en faunawet is verboden. Zij heeft hierbij verwezen naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Tevens heeft zij zich beroepen op de onverbindendheid van artikel 5 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten. De voorzitter stelt vast dat het hier vragen betreft die zich niet lenen voor beantwoording in het kader van deze procedure.

2.5. De voorzitter zal zich daarom beperken tot de vraag of aannemelijk is dat de activiteiten van [groothandel] een zodanige aantasting van het knobbelzwanenbestand tot gevolg zullen hebben dat deze het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Bij de beantwoording van deze vraag is van belang dat, anders dan de stichting heeft betoogd, het [groothandel] op grond van de hem bij het besluit van 19 september 2008 verleende ontheffing niet is toegestaan knobbelzwanen te doden. De ontheffing betreft in de eerste plaats het vangen, bemachtigen en met het oog daarop opsporen van knobbelzwanen. Deze activiteiten zijn blijkens de ontheffing uitsluitend toegestaan om te kunnen vaststellen of jonge knobbelzwanen nakomelingen zijn van bij [groothandel] geregistreerd gehouden knobbelzwanenouders. Na de vaststelling dat de jongen van niet in de registratie voorkomende knobbelzwanenouders zijn, dienen die jonge knobbelzwanen onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld. Daarnaast betreft de ontheffing het opzettelijk verontrusten van beschermde inheemse diersoorten, voor zover dit noodzakelijk is ter uitoefening van het beroep van zwanendrifter, en het beschadigen, verstoren of vernielen van nesten of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de knobbelzwaan. Ook deze laatste activiteiten zijn uitsluitend toegestaan om te kunnen vaststellen of jonge knobbelzwanen nakomelingen zijn van bij [groothandel] geregistreerde gehouden knobbelzwanenouders.

Vaststaat verder dat, zoals in het besluit van 19 september 2008 is gesteld, [groothandel] de zwanendrift reeds sinds jaar en dag bedrijft. Gelet op de aan de ontheffing verbonden beperkingen acht de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat de activiteiten van [groothandel] een zo wezenlijke aantasting van het knobbelzwanenbestand tot gevolg zullen hebben dat aanleiding bestaat dit bestendige gebruik thans hangende de bodemprocedure te beƫindigen.

2.6. Gezien het voorgaande zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2010.

176.