Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM2604

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
200905624/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van dertien woningen op de locatie [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905624/1/H1.

Datum uitspraak: 28 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Heemskerk,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 18 juni 2009 in zaak nrs. 09/2654 en 09/2077 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van dertien woningen op de locatie [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2009, verzonden op 19 juni 2009, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2010, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. K. van Driel, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C.S. Leiss en G. Lukken, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in acht starterswoningen en vijf vrije sectorwoningen met bijbehorende bergingen en garages op de locatie.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

(…)

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zondanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

2.3. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Waterakkers-Lunetten" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden (UW)". Het bouwplan is voor een klein gedeelte geprojecteerd op een stuk grond waarop de bestemmingen "Vrijstaande woning (W(v))", "Erf (E)" en "Tuin- of onbebouwd erf (T)" rusten.

Ingevolge artikel 5, lid A, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden (UW)" aangewezen gronden bestemd voor het bouwen van woningen in gestapelde en niet gestapelde vorm, en de daarbij behorende bijgebouwen, aanbouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en werken, (tuinen, wegen, parkeerplaatsen, straatmeubilair) met dien verstande, dat bebouwing mag plaatsvinden overeenkomstig de rechtskracht verkregen hebbende uitwerking van burgemeester en wethouders van deze bestemming, zulks met inachtneming van het bepaalde in de beschrijving in hoofdlijnen.

Ingevolge lid B, voor zover thans van belang, zal de bestemming worden gerealiseerd door toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Als uitgangspunt voor de uitwerking van de bestemming zal gelden dat gestreefd wordt naar een gedifferentieerde bebouwing, waarbij ruimte zal zijn voor vrijstaande, aaneengebouwde woningen, gestapelde woningen in verschillende dichtheden per hectare, zoals op de plankaart staat aangegeven. Hierbij zullen drie verschillende categorieën te onderscheiden zijn. Onder de eerste categorie, die hier van toepassing is, vallen woningen in niet-gestapelde vorm; maximaal drie bouwlagen met de daarbij behorende gebouwde voorzieningen, zoals een garage, berging, aanbouw. Er mogen tussen de 20 en 30 woningen per hectare worden gebouwd met een maximale goot-/boeideelhoogte van 5,70 m. De nokhoogte bedraagt maximaal 9,30 m, tenzij op de plankaart anders is aangegeven.

Ingevolge lid C, voor zover thans van belang, mag op de voor "Woondoeleinden (UW)" bestemde gronden niet worden gebouwd, tenzij toepassing is gegeven aan het bepaalde onder A in relatie tot B.

2.4. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat voor de bestemming "Woondoeleinden (UW)" geen uitwerkingsplan van kracht is en daarom ingevolge artikel 5, lid C, van de planvoorschriften een bouwverbod geldt. Aangezien het bouwplan voorziet in dertien woningen, waarvan twee met een goothoogte van 5,96 m, voldoet het bouwplan ook niet aan de beschrijving in hoofdlijnen als bedoeld in artikel 5, lid B, van de planvoorschriften. Voorts is één van de in het bouwplan voorziene erfafscheidingen gesitueerd op gronden met de bestemming "Tuin- of onbebouwd erf (T)". Teneinde het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend.

2.5. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.6. [appellant] en anderen betogen dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met het streekplan Noord-Holland Zuid (hierna: het streekplan), zodat niet wordt voldaan aan het door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) vastgestelde beleid inzake de toepassing van artikel 19 van de WRO.

2.6.1. Ten tijde van het besluit op bezwaar gold het door het college van gedeputeerde staten bij besluit van 19 juli 2005 vastgestelde - en in het Provinciaal blad van Noord-Holland 2006 (nr. 48) van 2 augustus 2006 gepubliceerde - beleid inzake de toepassing van artikel 19 van de WRO. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten ook categorieën van gevallen vastgesteld waarin, zonder verklaring van geen bezwaar, krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling voor het desbetreffende project kan worden verleend. Een van die categorieën betreft projecten die niet afwijken van vastgesteld provinciaal beleid (bijvoorbeeld een streekplan) of van vastgesteld ruimtelijk rijksbeleid (zoals een planologische kernbeslissing) en die geen speerpunten van beleid betreffen.

Niet in geschil is dat het bouwplan geen speerpunt van beleid betreft. Zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen, is het bouwplan in overeenstemming met het streekplan. De locatie ligt binnen de op de streekplankaart aangegeven rode contour, het zogenoemde stedelijk gebied. Uit het streekplan volgt dat maximaal ingezet wordt op het bouwen voor wonen, werken en voorzieningen binnen stedelijk gebied. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, is het bouwplan beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke situatie ter plaatse en doet het bouwplan geen afbreuk aan het in het streekplan neergelegde uitgangspunt van behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Dit betekent dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

Het betoog faalt.

2.7. Het betoog van [appellant] en anderen dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college geen vrijstelling heeft verleend voor het bouwplan, voor zover dat is gelegen op het stuk grond waarop de bestemmingen "Vrijstaande woning (W(v))", "Erf (E)" en "Tuin- of onbebouwd erf (T)" rusten, faalt. Bezien in combinatie met de bij de verleende vrijstelling en bouwvergunning behorende bouwtekeningen, volgt uit de ruimtelijke onderbouwing van de gemeente Heemskerk van januari 2008, zoals bijgewerkt in mei 2008 en november 2008 en aangevuld op 27 januari 2009 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing), dat ook vrijstelling is verleend voor de erfafscheiding die is gesitueerd op gronden met de bestemming "Tuin- of onbebouwd erf (T)".

2.8. [appellant] en anderen betogen voorts dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voeren zij aan dat het college ten onrechte één woning heeft opgeteld in de berekening van het maximale aantal toegestane woningen op gronden met de bestemming "Woondoeleinden (UW)". Voorts voeren zij aan dat het bouwplan niet aansluit bij de bestaande stedenbouwkundige structuur van het gebied waarin het is gelegen en dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de financiële haalbaarheid van het bouwplan. Ter onderbouwing van hun betoog dat het bouwplan niet aansluit bij de stedenbouwkundige structuur van het gebied waarin het is gelegen, wijzen [appellant] en anderen op het door hen in hoger beroep overgelegde rapport "Stedenbouwkundig advies Botteracker 504/507 Heemskerk" van Kaader stadsavies van 11 maart 2010 (hierna: het stedenbouwkundig rapport), waaruit naar hun stellen volgt dat het bouwplan niet aansluit bij de in de wijk Waterakkers gehanteerde principes van afzooming met groen en aansluiting bij bestaande bebouwing.

2.8.1. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat het college in de berekening van het maximale aantal toegestane woningen op de gronden met de bestemming "Woondoeleinden (UW)" één woning heeft mogen optellen, nu het bouwplan deels is gesitueerd op een stuk grond met de bestemmingen "Vrijstaande woning (W(v))", "Erf (E)" en "Tuin- of onbebouwd erf (T)" en daarop ingevolge het bestemmingsplan één woning is toegestaan. Dat het bouwplan feitelijk niet voorziet in een woning op dit stuk grond, doet hieraan niet af. Voor de vrees van [appellant] en anderen dat op dit stuk grond alsnog een vrijstaande woning zal worden gerealiseerd, bestaat geen grond. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het feitelijk niet mogelijk is om na realisering van het bouwplan alsnog een woning op dit stuk grond te bouwen. Bovendien heeft het college ter zitting aangegeven dat bij een herziening van het bestemmingsplan de bebouwingsmogelijkheid voor een woning op dit stuk grond zal komen te vervallen.

2.8.2. Het college betoogt tevergeefs dat het door [appellant] en anderen overgelegde stedenbouwkundig rapport in een zodanig laat stadium is ingebracht dat het niet in de beoordeling kan worden betrokken. Het rapport is ingediend vóór de aanvang van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn en het college heeft, gelet op de inhoud daarvan en op hetgeen het ter zitting daarover naar voren heeft gebracht, voldoende gelegenheid gehad voor een gemotiveerde bestrijding van dat stuk.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschrijving in hoofdlijnen als bedoeld artikel 5, lid B, van de planvoorschriften geen regels stelt ten aanzien van groenstroken. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het openbaar gebied, waaraan het bouwplan grenst, onderdeel is van het onherroepelijk vastgestelde "Uitwerkingsplan 1 - openbaar gebied zuidelijk deel". Gelet op de afmetingen van het tussen de verkeersbestemmingen gelegen uitgeefbare terrein, heeft dit uitwerkingsplan feitelijk de verkavelingsrichting bepaald, zodat wat betreft de ligging van de in het bouwplan voorziene woningen aansluiting is gezocht bij de bestaande bebouwing aan de Maerten van Heemskerckstraat. Slechts één van de in het bouwplan voorziene woningen is met haar zijgevel georiënteerd naar de Rijksstraatweg. Deze zijgevel is als voorgevel ontworpen en zal volgens het college niet detoneren in de lintbebouwing van de Rijksstraatweg. Teneinde het bouwplan, in relatie tot de naastgelegen bebouwing, een natuurlijke overgang te laten vormen van lage naar hoge bebouwing, is gekozen voor een dakopbouw op de nabij de Rijksstraatweg gelegen woning. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt verder dat het college de overschrijding van de bebouwingsdichtheid met 1,4 woning stedenbouwkundig aanvaardbaar heeft geacht. Voorts is ter plaatse van de Rijksstraatweg in een groenstrook voorzien.

In het stedenbouwkundig rapport noch in hetgeen [appellant] en anderen betogen, ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan aansluit bij de bestaande stedenbouwkundige structuur van het gebied waarin het is gelegen. Anders dan [appellant] en anderen betogen, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het bouwplan een particulier initiatief betreft en dat de uitvoering is gekoppeld aan de verkoop van de woningen.

Het betoog faalt.

2.9. Het betoog van [appellant] en anderen dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college na afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen, faalt. Zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college het algemeen belang bij de bouw van de woningen niet in redelijkheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van [appellant] en anderen bij een ongestoorde voortzetting van hun woongenot en het voorkomen van een intensivering van het gebruik van de locatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op grond van het bestemmingsplan 11,6 woningen op de locatie mogen worden gebouwd. Het bouwplan, dat dit maximum met 1,4 woning overschrijdt, leidt niet tot zodanige intensivering van het gebruik van de locatie dat het college hierin aanleiding had moeten zien de gevraagde vrijstelling te weigeren. Daarbij moet ook worden betrokken dat de van het bouwplan deel uitmakende woningen aan de zijde van de woningen van [appellant] en anderen zowel qua situering als qua goot- en nokhoogte passen binnen het bestemmingsplan.

2.10. [appellant] en anderen betogen verder dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand en dat het college de afwijking van het inzake het bouwplan uitgebrachte negatieve welstandsadvies niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

2.10.1. De Stichting Welstandszorg Noord-Holland (hierna: de welstandscommissie) heeft zich in haar advies van 4 december 2007 op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dit standpunt heeft zij gehandhaafd in haar advies van 14 oktober 2008. De welstandscommissie heeft bezwaren tegen het bouwplan vanwege de ligging in de omgeving en de massa en hoofdvorm. De welstandscriteria voor het gebied Waterakkers stellen dat wat betreft de ligging in de omgeving gestreefd moet worden naar aansluiting op het ritme, de oriëntatie en de ontsluiting van de bestaande bebouwing. Waar het de aansluiting op de bestaande bebouwing van de Rijksstraatweg betreft, voldoet het bouwplan naar het oordeel van de welstandscommissie niet aan dit criterium. Op grond van de welstandscriteria voor het gebied Rijksstraatweg mag de bebouwing geen afbreuk doen aan de herkenbaarheid van de Binnenduinrandroute. Voorts moet de bebouwing aansluiten bij bestaande rooilijnen, waarbij oriëntatie op en aansluiting bij de openbare ruimte een vereiste is. Volgens de welstandscommissie voldoet het bouwplan niet aan deze gebiedsgerichte criteria, voor zover het de situering aan de westzijde betreft.

Het college heeft aanleiding gezien om van het negatieve advies van de welstandscommissie af te wijken. In de door het college overgenomen notitie van 11 november 2008 wordt ook op welstandelijke gronden gemotiveerd afgeweken van het negatieve advies van de welstandscommissie. [appellant] en anderen hebben die overwegingen niet, althans niet in die zin weerlegd dat het college in de notitie van 11 november 2008 in redelijkheid geen aanleiding heeft kunnen zien van het negatieve advies van de welstandscommissie af te wijken. Voor het oordeel dat het college slechts op grond van een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie had mogen afwijken van het negatieve welstandsadvies, bestaat, anders dan [appellant] en anderen betogen, geen grond, nog afgezien van de omstandigheid dat de externe supervisor van het Woningbouwplan Waterakkers-Lunetten, de heer M. van Huut, het bouwplan niet in strijd met redelijke eisen van welstand heeft geoordeeld.

Het betoog faalt.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010

531.