Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM2593

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
200909318/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2003, 1e partiële herziening 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909318/2/R1.

Datum uitspraak: 20 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Andijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2003, 1e partiële herziening 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2009 en aangevuld bij brief gedateerd 29 januari 2010, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee het beroep is aangevuld heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 april 2010, waar [verzoekster], bijgestaan door W.J.M. Luksenburg, en de raad, vertegenwoordigd door D. Rood en W.H. de Bruin, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de [belanghebbende] gevestigd te [plaats], vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoekster] richt zich in beroep tegen de in artikel 1, aanhef en onder f, van de planregels opgenomen begripsomschrijving voor agrarische bedrijven. Zij betoogt dat in deze begripsomschrijving het criterium "grondgebondenheid" ten onrechte niet meer voorkomt en dat daarin ook ten onrechte een "bollenbroeibedrijf" als nieuw agrarisch bedrijfstype is toegevoegd. Het woord "grondgebondenheid" is naar haar stelling ook ten onrechte geschrapt in de in artikel 5 van de planregels opgenomen omschrijving van de bestemming "Agrarische bedrijven (Aa en Ab)". Deze planregels maken de legalisatie en uitbreidingswensen mogelijk van een bedrijf aan de [locatie] dat is gespecialiseerd in industriële koeling en het broeien van bolgewassen en dat naar haar stelling niet beschikt over eigen teeltgronden. Hierdoor wordt de vestigingsmogelijkheid ten onrechte verruimd voor industrie ogende bedrijven die niet in het buitengebied thuishoren.

[verzoekster] stelt een spoedeisend belang te hebben bij het buitenwerking stellen van dit plan, nu de werking van dat plan tot gevolg heeft dat reeds aangevraagde vergunningen voor legalisatie en uitbreiding van het bedrijf zullen kunnen worden verleend.

2.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het loslaten van het onderscheid tussen grond- en niet-grondgebonden bedrijven in dit plan het gevolg is van een ontwikkeling bij nagenoeg alle agrarische akkerbouwbedrijven. Die is gericht op schaalvergroting en specialisatie. Daarnaast is er sprake van het broeien van tulpen, een agrarische bedrijfsfunctie, aldus de raad, waarbij het uitgangsmateriaal geheel of gedeeltelijk elders wordt geteeld of geheel of gedeeltelijk wordt gekocht en de broei zelf niet meer grondgebonden is. Bollenbroei is, aldus de raad, gelet op de rapporten van het Landbouw Economisch Instituut een gangbare agrarische activiteit.

Het loslaten van de eis van grondgebondenheid betekent niet, aldus de raad, dat de omvang van de bebouwing toeneemt. De bouwblokken houden in het plan dezelfde oppervlakte en ook de uitbreidingsmogelijkheden blijven gelijk. De bedrijfsvoering wordt gereguleerd via de milieuwetgeving en specifieke, op de bedrijfsvoering afgestemde voorschriften.

De raad betwist het standpunt van [verzoekster] dat het bedrijf aan de [locatie] geen agrarisch bedrijf is. Het bedrijf kweekt een agrarisch product (bollen) en broeit tulpen voor de bloem als volwaardig agrarisch product. De tulpen worden deels zelf geteeld (via teeltcontracten elders) en deels aangekocht.

2.4. De Voorzitter stelt vast dat blijkens de begripsbepaling in het voorheen geldende plan "Buitengebied 2003" dat plan ter plaatse wat betreft de vestiging van agrarische bedrijven enkel voorzag in de vestiging van grondgebonden agrarische bedrijven. Het bollenbroeibedrijf van de [belanghebbende] op het perceel [locatie] - tegen de aanwezigheid waarvan het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster blijkens haar verklaring ter zitting is gericht - voldeed niet aan dat voorschrift. De bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van 21 juni 2005 aan de [belanghebbende] verleende bouwvergunning voor de bouw van een bedrijfsruimte voor die activiteit had blijkens de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2008 inzake nr. 200703275/1 om die reden niet mogen worden verleend.

Uit de plantoelichting volgt dat onder meer met het oog op de activiteiten van dat bedrijf de begripsbepaling in het voorliggende plan in artikel 1, aanhef en onder f, van de planregels is aangepast in die zin dat daarin de eis van grondgebondenheid niet meer voorkomt en een bollenbroeibedrijf uitdrukkelijk wordt aangemerkt als een agrarisch bedrijf.

Het voortduren van de werking van het plan heeft derhalve tot gevolg dat reeds hangende het onderzoek naar de uitspraak van de Afdeling in dit geding een aanvraag om bouwvergunning voor uitbreiding en aanpassing van de bedrijfsbebouwing - die de maatschap voornemens is binnenkort in te dienen - niet zal kunnen worden geweigerd op de grond dat de bedrijfsactiviteiten niet grondgebonden zijn. Derhalve acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig.

2.5. Ten aanzien van het betoog van verzoekster dat de raad ten onrechte het criterium van grondgebondenheid voor agrarische bedrijven in dit plan heeft geschrapt en onder een agrarisch bedrijf thans ook uitdrukkelijk een bollenbroeibedrijf wordt begrepen, overweegt de voorzitter dat de Wet ruimtelijke ordening de raad bij het toekennen van bestemmingen in een plangebied een grote mate van beleidsvrijheid toekent. Die vrijheid vindt haar begrenzing in een goede ruimtelijke ordening en het recht.

Niet in geschil is dat de [belanghebbende] sinds 1998 ter plaatse is gevestigd en dat voor de vestiging van dat bedrijf in rechte onaantastbare bouwvergunningen zijn verleend. Gelet hierop stelt de raad zich naar het oordeel van de voorzitter terecht op het standpunt dat bij de vaststelling van dit plan met de aanwezigheid van dat bedrijf rekening moest worden gehouden.

Voorts acht de voorzitter het standpunt van de raad dat een agrarische bedrijfsactiviteit ook al is die activiteit niet grondgebonden aanvaardbaar is in het buitengebied van de gemeente, niet onredelijk. Daarbij is in aanmerking genomen dat het rapport "Groei en bloei in West-Friesland" van het Landbouw Economisch Instituut van februari 2002 (www.lei.dlo.nl/publicaties) het standpunt van de raad ondersteunt dat het broeien van bollen een agrarische activiteit is. Verzoekster heeft geen rapport of publicatie genoemd of overgelegd dat haar standpunt dat van een agrarische activiteit geen sprake is, ondersteunt.

Ook is van belang dat de raad terecht stelt dat het plan ter plaatse aan een niet grondgebonden agrarisch bedrijf dezelfde bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden biedt als aan een grondgebonden agrarisch bedrijf en dat de bedrijfsvoering aan de geldende milieuvoorschriften dient te voldoen.

Voor zover verzoekster heeft betoogd dat zij verwacht dat het bedrijf zich niet aan die milieuvoorschriften houdt, zal dat betoog niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden. Bij overtreding van de milieuvoorschriften kan verzoekster, zoals zij in het verleden heeft gedaan, het college van burgemeester en wethouders van Andijk om handhaving verzoeken.

2.6. De voorzitter ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Afdeling in de bodemprocedure het plan op het aangevochten punt zal vernietigen wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en dient het verzoek daartoe te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Nolles

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2010

291.