Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM2310

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
201001184/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang

Indien aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier zou zijn verleend, voordat op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: verblijfsvergunning asiel) was beslist, had de staatssecretaris deze aanvraag krachtens artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) moeten afwijzen. Dit zou evenzeer gelden, indien de staatssecretaris als gevolg van een vernietiging van het besluit van 6 januari 2010 opnieuw op deze aanvraag zou moeten beslissen. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat, zolang de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier, zij met het door haar ingestelde beroep niet kan bereiken dat aan haar alsnog een verblijfsvergunning asiel wordt verleend.

De vreemdeling betoogt echter terecht dat, aangezien haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel niet is afgewezen krachtens artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich een rechtsgrond voor verlening voordoet, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van deze wet, de afwijzing van een door haar na intrekking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier dan wel na afwijzing van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan in te dienen opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel, een besluit van gelijke strekking zou zijn, als in 2.1.1. bedoeld. Dat leidt er evenwel niet toe dat in weerwil van het hiervoor overwogene, moet worden aangenomen dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar tegen het besluit van 6 januari 2010 ingestelde beroep.

Hetgeen hiervoor onder 2.1.3 is overwogen, leidt ertoe dat de vreemdeling toetsing van de weigering haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen wordt onthouden, zolang zij in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier. Indien deze verblijfsvergunning wordt ingetrokken dan wel een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan wordt afgewezen en een opvolgende aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen, staat voormeld beoordelingskader niet aan toetsing van dat besluit in de weg. De intrekking van de verblijfsvergunning regulier dan wel de weigering om haar te verlengen is alsdan een nieuw gebleken feit, als in 2.1.2 bedoeld, dat toetsing van het besluit op de opvolgende aanvraag mogelijk maakt als ware het een eerste afwijzing. De situatie die de vreemdeling blijkens de toelichting op haar grief vreest en waaraan zij procesbelang stelt te ontlenen, zal zich dus niet voordoen.

Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/223 met annotatie van Mr. B.K. Olivier,
RV20100065 met annotatie van Bots A.M.M.M. Annette
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001184/1/V2.

Datum uitspraak: 21 april 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de voorzieningenrechter) van 27 januari 2010 in zaak nrs. 10/599 en 10/603 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2010 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 januari 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling betoogt in de enige grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat, aangezien aan haar bij besluit van 8 januari 2010 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend onder de beperking, verband houdend met de vervolging van mensenhandel (hierna: verblijfsvergunning regulier), zij geen belang heeft bij een beoordeling van het door haar tegen het besluit van 6 januari 2010 ingestelde beroep. Zij voert daartoe aan dat haar belang er in gelegen is te voorkomen dat, indien de verblijfsvergunning regulier wordt ingetrokken, zij bij een opvolgende asielaanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zal moeten stellen en aantonen, hetgeen in de praktijk onoverkomelijke problemen oplevert.

2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.1.3. Indien aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier zou zijn verleend, voordat op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: verblijfsvergunning asiel) was beslist, had de staatssecretaris deze aanvraag krachtens artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) moeten afwijzen. Dit zou evenzeer gelden, indien de staatssecretaris als gevolg van een vernietiging van het besluit van 6 januari 2010 opnieuw op deze aanvraag zou moeten beslissen. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat, zolang de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier, zij met het door haar ingestelde beroep niet kan bereiken dat aan haar alsnog een verblijfsvergunning asiel wordt verleend.

2.1.4. De vreemdeling betoogt echter terecht dat, aangezien haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel niet is afgewezen krachtens artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich een rechtsgrond voor verlening voordoet, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van deze wet, de afwijzing van een door haar na intrekking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier dan wel na afwijzing van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan in te dienen opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel, een besluit van gelijke strekking zou zijn, als in 2.1.1. bedoeld. Dat leidt er evenwel niet toe dat in weerwil van het hiervoor overwogene, moet worden aangenomen dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar tegen het besluit van 6 januari 2010 ingestelde beroep.

2.1.5. Hetgeen hiervoor onder 2.1.3 is overwogen, leidt ertoe dat de vreemdeling toetsing van de weigering haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen wordt onthouden, zolang zij in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier. Indien deze verblijfsvergunning wordt ingetrokken dan wel een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan wordt afgewezen en een opvolgende aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen, staat voormeld beoordelingskader niet aan toetsing van dat besluit in de weg. De intrekking van de verblijfsvergunning regulier dan wel de weigering om haar te verlengen is alsdan een nieuw gebleken feit, als in 2.1.2 bedoeld, dat toetsing van het besluit op de opvolgende aanvraag mogelijk maakt als ware het een eerste afwijzing. De situatie die de vreemdeling blijkens de toelichting op haar grief vreest en waaraan zij procesbelang stelt te ontlenen, zal zich dus niet voordoen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loon

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010

284.

Verzonden: 21 april 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser