Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM2293

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
200905553/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Enkele stelling dat vader niet het wettelijk gezag heeft, is niet voldoende om geen wettelijke zorgplicht in kader van amv-beleid aan te nemen / TBV 2000/30 en WBV 2005/12

Niet in geschil is dat de vader van de vreemdeling reeds ten tijde van de indiening van haar asielaanvraag op 10 oktober 2002 in Nederland verbleef. De enkele, niet nader met stukken onderbouwde stelling van de vreemdeling over het ontbreken van het wettelijke gezag van haar vader over haar geeft, gelet ook op de omstandigheid dat hij blijkens de gedingstukken op 30 januari 2003 als haar wettelijk vertegenwoordiger een aanvraag heeft ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij ouder, geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet, mede onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2005 in zaak nr. 200504649/1 (JV 2006/73) in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de opvang van de vreemdeling in het land van herkomst is gewaarborgd, omdat haar vader ten aanzien van haar een wettelijke zorgplicht heeft en dientengevolge de verantwoordelijkheid heeft om de vreemdeling op te vangen in overeenstemming met de wet, althans dat hij er zorg voor dient te dragen dat op enigerlei wijze opvang aanwezig is, ook als dat buiten Nederland is.

Uit het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen, neergelegd in het door de vreemdeling aangehaalde TBV 2000/30 en in het WBV 2005/12 volgt dat dit niet van toepassing is in de situatie dat een meerderjarige ouder die de verantwoordelijkheid heeft voor de verzorging van de minderjarige vreemdeling of die geacht kan worden die verantwoordelijkheid te hebben, in Nederland verblijft. Reeds daarom faalt het betoog van de vreemdeling dat het in het WBV 2005/12 neergelegde beleid minder gunstig voor haar is en ten onrechte is toegepast.

Voor zover de vreemdeling zich beroept op bijzondere omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister deze ten onrechte niet heeft aangemerkt als omstandigheden die niet kunnen worden geacht bij de vaststelling van het beleid te zijn betrokken en die zouden nopen tot het in afwijking van dat beleid ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het EVRM wordt het volgende overwogen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 3 november 2004 in zaak nr. 200404333/1, JV 2005/13), kan een op de beperking gezinshereniging en gezinsvorming betrokken omstandigheid niet leiden tot ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier. Nu in deze procedure niet is gevraagd om verlening van een verblijfsvergunning onder die beperking, doch aan de orde is een ambtshalve beoordeling van de aanspraken van de vreemdeling in het kader van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het beroep op artikel 8 van het EVRM in deze procedure niet kan slagen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vreemdelingenbesluit 2000 3.103
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905553/1/V2.

Datum uitspraak: 19 april 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris),

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, (hierna: de voorzieningenrechter) van 30 juni 2009 in zaak nrs. 08/35958 en 08/35960 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2002, gewijzigd bij besluit van 15 december 2005, heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voor zover thans van belang, geweigerd de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij besluit van 4 april 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen gericht geachte beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 juli 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn enige grief betoogt de staatssecretaris, voor zover thans van belang, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij in strijd met het bepaalde in artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) de door de vreemdeling op 10 oktober 2002 ingediende aanvraag niet heeft getoetst aan het recht zoals dat gold op het tijdstip waarop deze aanvraag is ontvangen.

2.1.1. Tot de bij het besluit van 4 april 2006 gehandhaafde weigering is niet op aanvraag maar, zoals hiervoor vermeld, ambtshalve door de minister besloten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 december 2003 in zaak nr. 200305765/1, JV 2004/65) is artikel 3.103 van het Vb 2000 in dat geval niet van toepassing. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 4 april 2006 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en is bepaald dat de staatssecretaris met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is gesteld, een nieuw besluit op het bezwaar neemt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het besluit van 4 april 2006 toetsen in het licht van de in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

2.2.1. In het besluit van 4 april 2006 is het standpunt ingenomen dat de vreemdeling, geboren op 27 augustus 1989, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 vermelde beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling omdat, samengevat weergegeven, zij niet als alleenstaand wordt beschouwd vanwege de omstandigheid dat haar vader in Nederland verblijft en zorg dient te dragen voor haar opvang.

2.2.2. In eerste aanleg heeft de vreemdeling betoogd dat, samengevat weergegeven, haar vader, die sinds 1991 in Nederland verblijft, bij haar geboorte niet met haar moeder was gehuwd zodat hij niet het wettelijk gezag over haar had en niet de ouder is die wordt bedoeld in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). Van haar vader kan niet worden verwacht dat hij met haar naar de Democratische Republiek Congo terugkeert dan wel haar als minderjarige alleen naar dat land laat terugkeren.

Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat ten onrechte is nagelaten een beslissing te nemen over haar recht op een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling vanaf het moment van indiening van de asielaanvraag op 10 oktober 2002. In dat verband heeft zij gesteld dat het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2000/30 (hierna: TBV 2000/30), zoals dat gold ten tijde van het besluit van 10 oktober 2002, had moeten worden toegepast en niet het voor haar minder gunstige Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2005/12 (hierna: WBV 2005/12).

Verder heeft de vreemdeling betoogd dat in haar bijzondere omstandigheden, waaronder het recht op gezinsleven met haar vader en de geboorte in Nederland van haar twee kinderen, ten onrechte geen aanleiding is gezien om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van het in de Vc 2000 neergelegde beleid af te wijken.

Tot slot heeft de vreemdeling een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

2.2.3. Niet in geschil is dat de vader van de vreemdeling reeds ten tijde van de indiening van haar asielaanvraag op 10 oktober 2002 in Nederland verbleef. De enkele, niet nader met stukken onderbouwde stelling van de vreemdeling over het ontbreken van het wettelijke gezag van haar vader over haar geeft, gelet ook op de omstandigheid dat hij blijkens de gedingstukken op 30 januari 2003 als haar wettelijk vertegenwoordiger een aanvraag heeft ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij ouder, geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet, mede onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2005 in zaak nr. 200504649/1 (JV 2006/73) in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de opvang van de vreemdeling in het land van herkomst is gewaarborgd, omdat haar vader ten aanzien van haar een wettelijke zorgplicht heeft en dientengevolge de verantwoordelijkheid heeft om de vreemdeling op te vangen in overeenstemming met de wet, althans dat hij er zorg voor dient te dragen dat op enigerlei wijze opvang aanwezig is, ook als dat buiten Nederland is.

Uit het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen, neergelegd in het door de vreemdeling aangehaalde TBV 2000/30 en in het WBV 2005/12 volgt dat dit niet van toepassing is in de situatie dat een meerderjarige ouder die de verantwoordelijkheid heeft voor de verzorging van de minderjarige vreemdeling of die geacht kan worden die verantwoordelijkheid te hebben, in Nederland verblijft. Reeds daarom faalt het betoog van de vreemdeling dat het in het WBV 2005/12 neergelegde beleid minder gunstig voor haar is en ten onrechte is toegepast.

Voor zover de vreemdeling zich beroept op bijzondere omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister deze ten onrechte niet heeft aangemerkt als omstandigheden die niet kunnen worden geacht bij de vaststelling van het beleid te zijn betrokken en die zouden nopen tot het in afwijking van dat beleid ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het EVRM wordt het volgende overwogen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 3 november 2004 in zaak nr. 200404333/1, JV 2005/13), kan een op de beperking gezinshereniging en gezinsvorming betrokken omstandigheid niet leiden tot ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier. Nu in deze procedure niet is gevraagd om verlening van een verblijfsvergunning onder die beperking, doch aan de orde is een ambtshalve beoordeling van de aanspraken van de vreemdeling in het kader van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het beroep op artikel 8 van het EVRM in deze procedure niet kan slagen.

2.3. Aangezien hetgeen de vreemdeling ter onderbouwing van haar gestelde aanspraak op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling in eerste aanleg naar voren heeft gebracht, geen grond biedt voor het oordeel dat de minister het bezwaar tegen de weigering van die vergunning ten onrechte ongegrond heeft verklaard, zal de Afdeling het beroep, voor zover dat moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van de minister van 4 april 2006, ongegrond verklaren.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 30 juni 2009 in zaak nr. 08/35958, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 4 april 2006 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en de staatssecretaris is opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover dat moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 4 april 2006, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vins

voorzitter

w.g. Wolff

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2010

238.

Verzonden: 19 april 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser