Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1809

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
200901720/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2008 heeft de raad van de gemeente Haaren (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Kom Biezenmortel" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901720/1/R3.

Datum uitspraak: 21 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Biezenmortel, gemeente Haaren,

2. [appellant sub 2A en appellante sub 2B], wonend te Biezenmortel, gemeente Haaren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Haaren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2008 heeft de raad van de gemeente Haaren (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Kom Biezenmortel" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2009, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2010, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. R.W.M. van den Broek, en [appellant sub 2A], bijgestaan door mr. R.W.M. van den Broek, en de raad, vertegenwoordigd door A. Goijaarts-van Uden, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellante sub 2B] heeft noch de zienswijze van [appellant sub 2A] ondertekend, noch heeft zij een eigen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellante sub 2B] is niet-ontvankelijk.

Het plan

2.2. Het plan betreft een actualisering van het juridisch-planologische kader voor de kern Biezenmortel, inclusief de bebouwing aan de Capucijnenstraat tussen de Winkelsestraat en de Hooghoutseweg. In beginsel is de bestaande situatie vastgelegd.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte de mogelijkheid om op het perceel aan de [locatie] te Biezenmortel (hierna: het perceel) veeteelt te beoefenen niet in het plan heeft opgenomen. Hij betoogt voorts dat de raad ten onrechte de akkerbouwtak van het bedrijf niet als zodanig op het perceel heeft bestemd, terwijl er sprake is van bestaande akkerbouw op de omliggende gronden. [appellant sub 1] stelt zich op het standpunt dat zowel de veeteelt als de akkerbouw nodig zijn voor een duurzame economische bedrijfsvoering.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestaande situatie is bestemd, passend in het conserverende karakter van het plan.

2.3.2. Voor zover van belang, is het perceel voorzien van de bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "opslag" en "bomenteelt". Ingevolge artikel 3.1.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor bedrijven in de eerste en tweede milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Ingevolge artikel 3.1.1, aanhef en onder b, zijn deze gronden, voor zover van belang, tevens bestemd voor de opslag van goederen, ter plaatse van de aanduiding "opslag", en voor bomenteelt, ter plaatse van de aanduiding "bomenteelt".

2.3.3. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad heeft in dit geval op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen een andere bestemming voor het perceel kunnen vaststellen. Gelet op het beroepschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op het perceel ten tijde van de vaststelling van het plan geen veeteelt werd uitgeoefend, zodat er geen sprake van is dat een bestaand gebruik voor veeteelt niet als zodanig is bestemd.

Verder is van belang dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat veeteelt noodzakelijk is voor een duurzame economische bedrijfsvoering en dat [appellant sub 1] geen concrete plannen heeft om weer vee te gaan houden. Gelet hierop heeft de raad, wat verder ook zij van het antwoord op de vraag of [appellant sub 1] beschikt over bestaande rechten tot het houden van vee, bij de vaststelling van het plan in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij het ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande gebruik van het perceel.

2.3.4. Ter zitting is verder vast komen te staan dat de akkerbouwactiviteiten plaatshebben op de gronden ten oosten van het perceel en het plangebied. De daarmee gepaard gaande opslag vindt plaats op het perceel, waaronder de opslag van landbouwmachines. Deze opslag is in overeenstemming met het plan, gelet op de aanduiding "opslag" ter plaatse in samenhang met artikel 3.1.1, aanhef en onder b, van de planregels. Het betoog dat de met akkerbouwactiviteiten gepaard gaande opslag niet als zodanig is bestemd, mist derhalve feitelijke grondslag.

2.4. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de raad de op het perceel aanwezige bedrijfsgebouwen ten onrechte aan de hand van bouwvlakken heeft bestemd in plaats van aan de hand van een bebouwingspercentage en dat hij op deze wijze geen flexibiliteit heeft om het perceel in de toekomst anders in te richten. Verder betoogt [appellant sub 1] dat de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen ten onrechte niet kan worden uitgebreid en dat uitbreiding van het bedrijf tot een bebouwingspercentage van 70 voor een gezonde bedrijfsvoering noodzakelijk is. Voorts kan het bedrijf in een woonomgeving als acceptabel worden beschouwd, aldus [appellant sub 1].

2.4.1. De raad stelt dat het een conserverend plan is en dat daarom is aangesloten bij de hiervoor bestaande situatie en bij het vorige bestemmingsplan dat geen uitbreidingsmogelijkheden kende. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de bedrijfsvoering niet in onredelijke mate wordt belemmerd door de bestaande bebouwing van een bouwvlak te voorzien.

2.4.2. Ingevolge artikel 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels mogen bedrijfsgebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak. Niet in geding is dat alle aanwezige gebouwen zijn in het plan voorzien van een bouwvlak.

2.4.3. De raad heeft in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang bij het vastleggen van alleen de thans bestaande bebouwing dan aan het belang van [appellant sub 1] bij uitbreiding en zoveel mogelijk flexibiliteit. Daarbij is relevant dat [appellant sub 1] de bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreiding of wijziging van de bebouwing niet aannemelijk heeft gemaakt en ter zitting is voorts komen vast te staan dat [appellant sub 1] geen concrete bouwplannen heeft. Verder is niet in geschil dat onder vigeur van het vorige bestemmingsplan "Kom Biezenmortel 1992" het daarin opgenomen bebouwingspercentage reeds volledig was gebruikt, zodat in zoverre geen bestaande bouwmogelijkheden zijn vervallen.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2A]

2.6. [appellant sub 2A] richt zich in beroep tegen de plandelen met de bestemming "Tuin" gelegen ten noordwesten en zuidwesten van de [locatie] (hierna: de percelen) omdat ter plaatse niet in woningbouw is voorzien.

[appellant sub 2A] betoogt dat een door hem ingediend verzoek om het verlenen van medewerking aan de realisering van woningen voldoende concreet was, zodat dit bij het plan betrokken had moeten worden. In dit verband voert hij aan dat hij de raad vanaf januari 2001 verscheidene malen om het verlenen van bedoelde medewerking heeft verzocht en dat hij op 29 maart 2006 een door stedenbouwkundig bureau Croonen opgemaakt stedenbouwkundig advies en akoestisch onderzoek heeft overgelegd, waaruit blijkt dat geen planologisch bezwaar tegen bedoelde woningbouw op de percelen bestaat en deze in het beleid past.

[appellant sub 2A] betoogt voorts dat het gemeentebestuur ten onrechte als tegenprestatie voor het voorzien in woningen op bedoelde percelen verlangt dat het bedrijf van [appellant sub 1] aan de [locatie] grotendeels wordt gesaneerd, waaronder de sloop van een flink deel van de opstallen van dat perceel.

Voorts betoogt [appellant sub 2A] dat ten onrechte de bestaande rechten zijn vervallen voor het gebruik van de percelen voor opslag ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering en de bouw van agrarische bedrijfsbebouwing.

2.6.1. De raad stelt dat in het conserverende bestemmingsplan uitsluitend projecten zijn opgenomen die op het moment van het opstellen ervan voldoende concreet waren. De raad acht het verzoek niet voldoende concreet omdat de raad een voor die woningen opgesteld initiatief-raadsvoorstel, vergezeld van de door [appellant sub 2A] aangeleverde ruimtelijke onderbouwing, heeft verworpen. De reden daarvoor was dat bij verzoeken om woningbouw planologisch mogelijk te maken, altijd wordt gekeken of dit leidt tot een kwalitatieve verbetering van de leefomgeving. Daarbij is onder meer van belang de verhouding tot de omliggende bebouwing en het landschap, de omstandigheid of de afronding van de kernen tot een kwaliteitsverbetering van de leefomgeving zal leiden, de overgang van het stedelijk gebied naar het landschappelijk raamwerk en het garanderen van een goed woonklimaat. In voorkomend geval zullen hinderlijke bedrijven moeten worden beëindigd of verplaatst, waardoor ruimte ontstaat voor woningbouw, aldus de raad.

Gelet op de aanbevolen afstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (hierna: de VNG-brochure) kan geen goed woonklimaat worden gegarandeerd zonder een verandering van het gebruik van dynamische naar statische opslag en een vermindering van de bedrijfsbebouwing naar 1000 m2 en de daarmee gepaard gaande verlaging van de overlast, aldus de raad.

2.6.2. In het plan zijn bedoelde plandelen bestemd als "Tuin".

2.6.3. Gelet op de bedrijfsactiviteiten op het aangrenzende perceel [locatie], waartoe de percelen vroeger ook behoorden, die onder meer bestaan uit dynamische opslag, waarbij goederen regelmatig verplaatsing behoeven, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het bedrijf aan de [locatie] valt onder de omschrijving opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) van de Staat van Bedrijfsactiviteiten uit de VNG-brochure. Het betreft derhalve een bedrijf uit de tweede milieucategorie. Volgens de VNG-brochure wordt tussen een dergelijk bedrijf en omliggende woningen een afstand van 30 meter als richtlijn gehanteerd. Vast staat dat de afstand tussen het opslagbedrijf en de op de percelen door [appellant sub 2A] voorgestane woningbouw niet voldoet aan deze afstand. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de percelen geen goed woonklimaat kan worden gegarandeerd. In hetgeen [appellant sub 2A] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de percelen in een rustige woonwijk zijn gelegen, zodat geen aanleiding bestaat uit te gaan van een kleinere afstand. Dat in het akoestisch onderzoek van 27 september 2007, uitgevoerd in opdracht van [appellant sub 2A], wordt geconcludeerd dat uit het oogpunt van geluid in de te bouwen woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd, maakt dat niet anders. Bij het akoestisch onderzoek is immers uitgegaan van de milieuvergunning die is verleend voor het thans aanwezige bedrijf. Aangezien het bestemmingsplan, ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, onder a, van de planregels, niet in de weg staat aan de vestiging van een ander bedrijf, behorende tot de tweede milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, komt aan het akoestisch onderzoek geen doorslaggevende betekenis toe en heeft de raad zich in redelijkheid kunnen baseren op de in de VNG-brochure aangegeven afstand.

Verder bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat de raad niet in redelijkheid een ruimtelijke verbetering heeft kunnen eisen om een zogenaamde zachtere afronding naar het buitengebied te verkrijgen, bestaande uit een verandering van het gebruik van de [locatie] van een dynamische naar een statische opslag en een vermindering van de bedrijfsbebouwing op dat perceel naar een bebouwd oppervlakte ter grootte van 1000 m2. Dat [appellant sub 2A] geen eigenaar is van de gronden aan de [locatie] is niet van belang, aangezien eigendomsverhoudingen in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel geen rol spelen. Het is niet onredelijk dat de raad de ontwikkelingen van de percelen en het bedrijf aan de [locatie] integraal beziet.

Ten aanzien van de door [appellant sub 2A] gemaakte vergelijking met andere gevallen waarin geen kwalitatieve verbetering van de leefomgeving werd vereist, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat daar geen bedrijfsactiviteiten in de weg stonden aan de inpassing van woningen. In hetgeen [appellant sub 2A] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2A] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.6.4. Ten aanzien van het betoog dat ten onrechte de bestaande rechten voor het gebruik van de percelen voor opslag ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering en de bouw van agrarische bedrijfsbebouwing zijn vervallen, wordt overwogen dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. Hierbij is van belang dat ter zitting niet is gebleken dat de percelen voor opslag worden gebruikt en niet in geschil is dat onder vigeur van het vorige bestemmingsplan "Kom Biezenmortel 1992" het in dat plan opgenomen bebouwingspercentage reeds volledig was gebruikt.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2A] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 2B] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en het beroep van [appellant sub 2A] ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Bošnjaković

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010

410-635.