Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1804

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
200907104/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een hondenpension aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Wet milieubeheer 8.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2010/1209
JOM 2011/308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907104/1/M2.

Datum uitspraak: 21 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude,

thans: Kaag en Braassem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een hondenpension aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2009, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2009, beroep ingesteld. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 16 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2010, waar [appellant sub 1], in persoon, [een van appellanten sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. H. van der Valk, advocaat te Hoofddorp, en het college, vertegenwoordigd door J.H.O. van Noppen en ing. G.J. Distelbrink, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 18 december 2008 heeft het college, voor zover hier van belang, een veranderingsvergunning verleend voor het realiseren van een buitenren voor honden, het verbouwen van een schuur tot een kennel (kennel 2) en uitbreiding van het aantal honden naar maximaal 80. Kennel 1 zal niet langer worden gebruikt voor het houden van honden.

Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.1., voor zover hier van belang, gelden voor het langtijdgemiddeld beoordelings-niveau op de gevel van [locatie a] geluidgrenswaarden van 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3. [appellant sub 1] stelt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften ontoereikend zijn om geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting te voorkomen. Hij voert daarbij aan dat de overlast sinds de definitieve vergunning op 19 december 2008 aan [vergunninghouder] is gezonden niet is afgenomen. Voorts stelt hij dat aan de vergunning voorschriften moeten worden verbonden om de overlast tijdens het uitlaten van de honden te beperken en dat het maximum van 80 honden moet worden heroverwogen.

2.3.1. [appellant sub 1] heeft in zijn stellingen niet concreet aangegeven waarom de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden volgens hem ontoereikend zijn. In deze enkele stellingen ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat het college de aan de vergunning verbonden voorschriften niet in redelijkheid toereikend kon achten om geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting te voorkomen, dan wel voldoende te beperken. Gelet hierop bestond voor het college geen reden het maximum van 80 honden te heroverwegen.

Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. Overigens voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van naleving van de aan de vergunning verbonden voorschriften. [appellant sub 1] kan hiertoe bij het college een verzoek indienen.

De beroepsgronden falen.

2.4. [appellanten sub 2] stellen dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op het door [vergunninghouder] overgelegde geluidrapport. Daarbij voeren zij aan dat naar aanleiding van het geluidrapport onvoldoende onderzoek naar de feitelijke situatie is verricht, het rapport niet is opgesteld door een onafhankelijke deskundige en in het verleden door de inrichting de geluidnormen herhaaldelijk werden overschreden. Volgens hen had op basis daarvan een nieuw akoestisch rapport moeten worden opgesteld.

2.4.1. Het college heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit gebaseerd op het bij de vergunningaanvraag overgelegde rapport "Rapport AV.0164-2 Akoestisch onderzoek Ovidefarm" van AV Consulting B.V. van 21 maart 2008 (hierna: het geluidrapport). In geschil is de vraag of het college op basis van dit geluidrapport mocht concluderen dat de inrichting in de aangevraagde situatie kan worden geëxploiteerd met inachtneming van de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag daarbij dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Niet van belang is of in de inrichting reeds ten tijde van het nemen van het bestreden besluit alle feitelijke en in de aanvraag genoemde maatregelen zijn getroffen om aan de gestelde geluidgrenswaarden te kunnen voldoen. Een onderzoek naar de feitelijke situatie was in zoverre, anders dan [appellanten sub 2] menen, dan ook niet nodig.

Voor zover [appellanten sub 2] met de stelling dat de inrichting in het verleden de geluidvoorschriften niet heeft nageleefd, beogen aan te voeren dat de voorschriften van de aan de orde zijnde vergunning evenmin zullen worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat genoemd bezwaar zich niet richt tegen de thans ter beoordeling staande vergunning als zodanig en om die reden in deze procedure geen rol kan spelen.

Voorts overweegt de Afdeling dat de enkele omstandigheid dat op verzoek van het college in het geluidrapport aanpassingen zijn doorgevoerd niet betekent dat het geluidrapport niet objectief zou zijn. Concrete omstandigheden die twijfel oproepen over de uitgangspunten en uitgevoerde berekeningen zijn in dit kader niet gesteld.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college een nieuw akoestisch rapport had moeten opstellen. Het college heeft bij het nemen van het bestreden besluit in zoverre van het geluidrapport mogen uitgaan.

De beroepsgronden falen.

2.5. [appellanten sub 2] stellen dat in het geluidrapport geen weergave van de representatieve bedrijfssituatie is gegeven en betwijfelen of aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.5.1. [appellanten sub 2] hebben bij het geluidrapport uitgebreide kanttekeningen gemaakt. Deze kanttekeningen zien hoofdzakelijk op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de metingen zijn verricht. In het verweerschrift, met als bijlage een nader advies van AV Consulting B.V., heeft het college de stellingen van [appellanten sub 2] weerlegd. Gezien deze reactie en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling het aannemelijk gemaakt dat uit het geluidrapport kan worden afgeleid dat de representatieve bedrijfssituatie binnen de verleende vergunning mogelijk is. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college op basis van het geluidrapport niet heeft mogen concluderen dat de voor de inrichting gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd.

De beroepsgronden falen.

2.6. [appellanten sub 2] voeren aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten ten aanzien van de gestelde geluidgrenswaarden controlevoorschriften aan de vergunning te verbinden. Dit is volgens hen in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer (oud).

2.6.1. Op 15 juli 2009 is de wet van 25 juni 2009 tot wijziging van diverse wetten op de beleidsterreinen van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in verband met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten, alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard, in werking getreden. Uit het bepaalde in artikel XXV, eerste lid, van deze wet volgt dat de bij deze wet doorgevoerde wetswijziging van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer niet van toepassing is op het huidige geding.

Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de inrichting in het belang van de bescherming van het milieu op een door haar te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

In het vierde lid, zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit luidde, is bepaald dat, voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:

a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.6.2. Voorschrift 3.1.1., waarin geluidgrenswaarden voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als voor het maximale geluidniveau zijn gesteld, moet worden aangemerkt als een doelvoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid van de Wet milieubeheer. Aan dit voorschrift zijn geen controlevoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer (oud) verbonden. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

De beroepsgrond slaagt.

2.7. Voor zover [appellanten sub 2] zich in het beroepschrift hebben beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen, overweegt de Afdeling dat het college in het bestreden besluit zijn reactie daarop heeft gegeven. Noch in het beroepschrift, noch ter zitting hebben [appellanten sub 2] redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.8. Het beroep van [appellanten sub 2] is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 18 december 2008 komt voor vernietiging in aanmerking voor zover aan de vergunning ten aanzien van voorschrift 3.1.1. geen controlevoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer (oud) zijn verbonden. De Afdeling ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand te laten. In dit verband overweegt de Afdeling dat bij het nemen van een nieuw besluit artikel 8.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat bij de onder 2.6.1 genoemde wet is gewijzigd, moet worden toegepast. Dit artikel bevat niet langer een verplichting om aan een vergunning voor een inrichting als hier aan de orde controlevoorschriften te verbinden. Het college stelt zich op het standpunt dat voorschrift 3.1.3., waarin is opgenomen dat om aan voorschrift 3.1.1. te kunnen voldoen de geluidreducerende voorzieningen zoals opgenomen in het geluidrapport moeten zijn uitgevoerd, voldoende waarborgt dat aan de gestelde geluidgrenswaarden zal worden voldaan, zodat het opnemen van controlevoorschriften niet nodig is. Er is geen grond voor het oordeel dat het college met deze motivering niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen controlevoorschriften aan de vergunning te verbinden.

2.9. Het college dient ten aanzien van [appellanten sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Bij deze proceskosten zijn inbegrepen de kosten voor een door een deskundige uitgebracht rapport, als bedoeld in artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, van € 100,00. Daarbij is uitgegaan van twee uren voor een forfaitair bedrag van € 50,00 per uur.

Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem van 18 december 2008, voor zover daaraan ten aanzien van voorschrift 3.1.1. geen controlevoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer (oud) is verbonden;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat is vernietigd in stand blijven;

IV. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige ongegrond;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem tot vergoeding van de bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 744,00 (zegge: zevenhonderdvierenveertig euro), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem aan [appellanten sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010

262-628.