Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1798

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
200904449/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 mei 2009, kenmerk 2009-19749, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de raad) bij besluit van 20 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Vincent van Goghweg".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904449/1/R2.

Datum uitspraak: 21 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Zaanstad,

2. de vereniging Bewonersvereniging Schildersbuurt, Waddenbuurt en Koog Bloemwijk, gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad, en anderen, allen wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2009, kenmerk 2009-19749, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de raad) bij besluit van 20 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Vincent van Goghweg".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juni 2009, en de vereniging Bewonersvereniging Schildersbuurt, Waddenbuurt en Koog Bloemwijk en anderen (hierna: de bewonersvereniging en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de Ontwikkelingsmaatschappij Assendelft-Noord B.V./C.V., gevestigd te Assendelft (hierna: Oban), en de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2010, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. R. Busscher, advocaat te Haarlem, de bewonersvereniging en anderen, vertegenwoordigd door E. ten Cate, bestuurslid, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. van Nieuwenhuijzen, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. D.P. Struijk en P.L. de Vries, beiden werkzaam bij de gemeente, en Oban, vertegenwoordigd door Q. van der Poel en mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep van de bewonersvereniging en anderen voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" dat betrekking heeft op de voormalige Juliana van Stolbergschool, is ter zitting ingetrokken.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan heeft tot doel een planologisch-juridisch kader te bieden voor het behouden en versterken van de woonfuncties en ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Het college heeft het plan, voor zover hier van belang, goedgekeurd.

2.4. De bewonersvereniging en anderen betogen dat ontwikkelingen die nog niet concreet zijn, ten onrechte niet zijn opgenomen in dit plan en dat ontwikkelingen waarvoor al bouwvergunning met vrijstelling is verleend, ten onrechte zonder nadere afweging in het plan zijn opgenomen. In de toekomst zullen ontwikkelingen waarin het plan niet voorziet, via vrijstelling mogelijk worden gemaakt, terwijl nu in het kader van het bestemmingsplan een integrale afweging had kunnen worden gemaakt. Specifiek wijzen zij hierbij op het terrein achter de voormalige Jedelooschool. Tevens stellen zij dat de bouwvergunning voor de woningbouw op het voormalige Voorslagterrein nog niet onherroepelijk is en dat deze ontwikkeling daarom niet in het plan had mogen worden opgenomen.

2.4.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan hoofdzakelijk de bestaande situatie vastlegt en enkele concrete toekomstige ontwikkelingen als zodanig bestemt. Voorts acht het college het niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of de wet om mogelijke toekomstige ontwikkelingen die nog niet concreet zijn, niet in het plan op te nemen.

2.4.2. Paragraaf 1.3 van de plantoelichting vermeldt dat het plan in belangrijke mate een beheers- en gebruiksfunctie vervult en in beperkte mate ontwikkelingen toestaat. De juridische planvorm is afgestemd op het behoud van de aanwezige functies. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting is vermeld dat de ontwikkeling van het 'achterterrein' van de locatie Jedelooschool een toekomstige woningbouwontwikkeling betreft en niet door middel van dit bestemmingsplan wordt geregeld. Pagina 65 van de plantoelichting vermeldt voorts dat voor het achterterrein, in tegenstelling tot het terrein waarop de Jedelooschool stond, nog geen bouwvergunning is verleend. Voor het zogeheten Voorslagterrein is bij besluit van 29 juni 2005 bouwvergunning met vrijstelling verleend.

Gelet op het feit dat ten tijde van de vaststelling van het plan voor het achterterrein van de Jedelooschool nog geen concrete plannen waren ontwikkeld en het een in hoofdzaak conserverend plan betreft, is het niet onredelijk dat de raad ervoor heeft gekozen dit terrein overeenkomstig de huidige situatie te bestemmen.

Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de enkele omstandigheid dat de bouwvergunning met vrijstelling voor het Voorslagterrein nog niet onherroepelijk is, geen aanleiding geeft om aan het plan in zoverre goedkeuring te onthouden. Het betoog faalt.

2.5. De bewonersvereniging en [appellant sub 1] betogen dat de woningbouw op het Voorslagterrein, zoals gepland in het bouwplan De Zwarte Bruinvisch, tot verlies van groen langs de Vaart zal leiden en op het terrein zelf. Dit verlies is volgens [appellant sub 1] onvoldoende gecompenseerd en is volgens de bewonersvereniging en anderen in strijd met het gemeentelijk beleid en de Nota Ruimte waaruit zou volgen dat meer groen moet worden gestimuleerd.

2.5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de behoefte aan groen slechts een belang is dat moet worden meegewogen. In de Nota Ruimte is ook vermeld dat moet worden gestreefd naar herstructurering en intensivering van bestaand stedelijk gebied. Dat niet al het groen kan worden gecompenseerd dat door de voorziene woningbouw zal verdwijnen, is geen reden om goedkeuring aan het plan te onthouden, aldus het college.

2.5.2. De raad stelt dat op korte afstand van het plangebied voldoende groen aanwezig is. De raad wijst hierbij op het Burgemeester in 't Veldpark, het groen ten zuiden van de Vincent van Goghweg, de groene omgeving bij de atletiekbaan en het groen tussen de flats aan de Claude Monetstraat. Aan het belang van woningbouw is in dit geval een groter gewicht toegekend dan aan de behoefte aan meer groen, aldus de raad.

2.5.3. Paragraaf 3.5.1 van de plantoelichting vermeldt dat om verschillen in de woningvoorraad te kunnen bewerkstelligen, bij toekomstige woningbouwplannen huur- en/of koopwoningen in het middeldure of dure segment niet mogen ontbreken. De ontwikkelingskansen of -mogelijkheden binnen het plangebied liggen daar waar met enig binnenstedelijk bouwen het woon- en/of leefmilieu in kwalitatieve zin kan worden opgewaardeerd.

In paragraaf 5.1 van de plantoelichting is vermeld dat het plangebied begin jaren negentig is aangewezen als gebied om binnenstedelijk te bouwen. Vrijgekomen ruimte als gevolg van het verdwijnen van functies, zoals op de voormalige schoollocaties, biedt kansen voor het realiseren van woningbouw.

2.5.4. Niet in geschil is dat er binnen de gemeente Zaanstad behoefte bestaat aan woningbouw. Gelet hierop en op het feit dat het Voorslagterrein past binnen het gemeentelijk beleid om woningbouw te plannen op vrijkomende locaties, is de Afdeling van oordeel dat het college in navolging van de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van woningbouw dan aan het belang van het behoud van groen in de wijk. Hierbij is in aanmerking genomen dat de raad heeft uiteengezet dat op korte afstand van het plangebied voldoende groen aanwezig is.

2.6. Tevens zal volgens de bewonersvereniging en anderen en [appellant sub 1] de woningbouw op het Voorslagterrein leiden tot parkeerproblemen. De bewonersvereniging en anderen betogen dat bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen van een te lage parkeernorm is uitgegaan. Zij voeren hiertoe aan dat met een reductiefactor is gerekend wegens de ligging in de nabijheid van het treinstation terwijl niet is bewezen dat het autogebruik zal verminderen door de aanwezigheid van een treinstation. [appellant sub 1] wijst op het rapport van Advin, waaruit volgens hem blijkt dat op donderdagavond de behoefte groter is dan de capaciteit en dat niet is onderbouwd dat het plan ook voorziet in voldoende parkeerplaatsen tijdens de werkzaamheden.

2.6.1. Volgens het college is niet gebleken dat van onjuiste parkeernormen is uitgegaan. Voorts acht het college voldoende verzekerd dat de benodigde parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd.

2.6.2. Paragraaf 5.2 van de plantoelichting vermeldt dat voor het bouwplan De Zwarte Bruinvisch volgens de normen uit de nota 'Bouwen en parkeren' uit 1999, 82 parkeerplaatsen nodig zijn. In het bouwplan zijn 86 parkeerplaatsen gepland. Voorts is onderzoek gedaan naar de parkeerbehoefte in de buurt van het Voorslagterrein. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de 'Memo' van de afdeling Stedenbouw en Verkeer van de gemeente Zaanstad van 18 juni 2008 (hierna: de memo). Uit de memo blijkt dat na realisering van de op het Voorslagterrein voorziene woningen op grond van de parkeerbehoefte in de buurt een tekort van negen parkeerplaatsen zal ontstaan, doordat het Voorslagterrein dan niet meer als openbaar parkeerterrein kan worden gebruikt. Dit tekort kan gedeeltelijk worden ondervangen doordat het bouwplan vier parkeerplaatsen meer bevat dan er noodzakelijk zijn voor de in het plan voorziene ontwikkelingen. Voorts is besloten nog zeven extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte te realiseren.

2.6.3. In het door Van den Brugge ingediende rapport 'Resultaten parkeeronderzoek te Zaanstad' van Advin van 21 november 2008 is vermeld dat met de door de raad genoemde mogelijkheden om te voorzien in de parkeerbehoefte in de buurt kan worden voldaan aan de behoefte van maximaal 31 parkeerplaatsen op normale doordeweekse avonden. Op donderdagavond is een piekmoment als de kunstuitleen is geopend. Dan is de behoefte groter dan de capaciteit.

2.6.4. In het door Oban naar voren gebrachte parkeeronderzoek van JongeHonden uit juni 2009 zijn de resultaten opgenomen van tellingen die zijn uitgevoerd tussen 22 juni en 25 juni 2009. Uit deze tellingen volgt dat de parkeerbehoefte in de buurt, ook op donderdagavond, maximaal 23 parkeerplaatsen is.

2.6.5. Ten aanzien van de gebruikte parkeernorm verwijst de Afdeling naar de uitspraak van 26 maart 2008 in zaak nrs. 200705395/1, 200705270/1 en 200705171/1 waarin reeds is overwogen dat de toegepaste reductiefactor van 0,8 in overeenstemming is met de nota 'Bouwen en Parkeren'. Het college is derhalve bij het bestreden besluit terecht uitgegaan van deze reductiefactor. Voorts heeft de raad bij de berekening van de parkeercapaciteit in redelijkheid kunnen uitgaan van een gemiddelde behoefte. Bovendien blijkt uit het rapport van JongeHonden dat ook op de piekmomenten in de behoefte kan worden voorzien. Niet is gebleken dat het plan onvoldoende mogelijkheden dan wel ruimte biedt om de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen te realiseren. Overigens zijn de zeven extra parkeerplaatsen ook in het bouwplan opgenomen. Gezien het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een tekort aan parkeerplaatsen in de buurt.

Voor zover [appellant sub 1] nog heeft aangevoerd dat tijdens de werkzaamheden niet voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond dient derhalve buiten beschouwing te blijven.

2.7. Voorts betogen de bewonersvereniging en anderen dat het bouwplan ter plaatse van het Voorslagterrein zal leiden tot het verdwijnen van de aansluiting van de Govert Flinckstraat op de Vincent van Goghweg. Dit zal volgens hen leiden tot verkeersonveiligheid omdat het autoverkeer een andere route zal moeten volgen.

2.7.1. Het college heeft zich met de raad op het standpunt gesteld dat het plan voorziet in een aansluiting van de Govert Flinckstraat op de Vincent van Goghweg. De huidige aansluiting zal verdwijnen en de nieuwe zal iets verderop worden gerealiseerd. De nieuwe aansluiting zal mogelijk worden afgesloten voor autoverkeer.

2.7.2. Het plan voorziet ter plaatse van de bestaande aansluiting van de Govert Flinckstraat op de Vincent van Goghweg in de bestemmingen "Woondoeleinden (W)" en "Verblijfsdoeleinden groen (VDg)". Ongeveer 13 meter ten oosten van de bestaande aansluiting is ter plaatse de bestemming "Verblijfsdoeleinden (VD)" tussen de Govert Flinckstraat en de Vincent van Goghweg voorzien.

2.7.3. De bestemming "Verblijfsdoeleinden groen (VDg)" laat een buurtontsluitingsweg toe. Gelet op de ligging van de gronden met de bestemming "Woondoeleinden (W)", maakt het plan het behoud van de bestaande aansluiting op de Vincent van Goghweg desondanks niet mogelijk. Op korte afstand ten oosten van de bestaande aansluiting voorziet het plan in een nieuwe aansluiting op de Vincent van Goghweg. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a., van de planvoorschriften, zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Verblijfsdoeleinden (VD)" bestemd voor buurtontsluitingswegen. Voor zover de bewonersvereniging betoogt dat de nieuwe aansluiting niet zal worden opengesteld voor autoverkeer, overweegt de Afdeling dat het plan het gebruik van de nieuwe aansluiting door autoverkeer niet uitsluit. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afsluiting van de bestaande aansluiting niet tot gevolg heeft dat de verkeersveiligheid ter plaatse zal afnemen. Voor zover de bewonersvereniging en anderen betogen dat de nieuwe aansluiting door middel van een verkeersbesluit zal worden afgesloten voor autoverkeer, overweegt de Afdeling dat dit eventuele besluit niet in deze procedure aan de orde kan komen. Tegen het nemen van dat besluit staan aparte rechtsmiddelen open.

2.8. Voorts betogen de bewonersvereniging en anderen dat de voorziene woningbouw op het Voorslagterrein niet bij de omliggende woningen uit de jaren dertig past, terwijl in andere wijken juist woningen in die stijl worden gebouwd. Tevens heeft de raad niet onderbouwd of er behoefte is aan het soort woningen dat is voorzien op het Voorslagterrein. Ook zal het plan leiden tot een onaanvaardbare bebouwingsdichtheid doordat het voor de nieuwe woningen in een groter bouwvolume voorziet dan de bestaande woningen hebben, aldus de bewonersvereniging en anderen.

2.8.1. Niet in geschil is dat het plan voor het Voorslagterrein voorziet in een iets grotere bebouwingsdichtheid dan de omliggende straten. Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Zaanstad, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene bebouwingsdichtheid niet onaanvaardbaar is in de omgeving.

Over de stijl van de woningen overweegt de Afdeling dat dit aspect geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgronden kunnen derhalve buiten beschouwing blijven.

2.9. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de woningbouw op het Voorslagterrein zal leiden tot een onevenredige aantasting van zijn woongenot. Hij voert hiertoe aan dat de vorige bestemmingsplannen niet op het gehele terrein bebouwing toelieten en dat nu ten onrechte op een afstand van zes meter van de voorzijde van zijn woning bebouwing van negen meter hoog mag worden gerealiseerd. Het plan zal volgens hem dan ook leiden tot verlies van zon- en daglichtinval en uitzicht. Hij wijst hierbij op het door hem ingediende rapport van Spektra en de computertekeningen van de raad.

2.9.1. Het college heeft zich met de raad op het standpunt gesteld dat de voorziene woningen op het Voorslagterrein weliswaar tot een aantasting van het woongenot van [appellant sub 1] kunnen leiden, maar dat deze aantasting, gelet op de stedelijke omgeving, niet onevenredig zal zijn.

2.9.2. In de reactie van de raad op de door [appellant sub 1] ingediende zienswijze is vermeld dat de in opdracht van de gemeente gemaakte computertekeningen een ander, voor [appellant sub 1] minder ongunstig, beeld geven dan het rapport van Spektra.

2.9.3. De woning van [appellant sub 1] is met de voorgevel op de voorziene woningen op het Voorslagterrein georiënteerd. De kortste afstand tussen zijn woning en de dichtstbijzijnde voorziene woning is ongeveer zes meter. Ingevolge de plankaart bezien in samenhang met artikel 4, derde lid, van de planvoorschriften, is de ter plaatse van die gronden maximaal toegestane bouwhoogte negen meter.

2.9.4. Door Spektra Projectmanagement is in opdracht van [appellant sub 1] onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de bezonning en de daglichttoetreding ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] aan de Govert Flinckstraat 1c. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport 'Rapportage bezonning, Govert Flinckstraat 1c te Zaandam' van 18 december 2008 (hierna: de rapportage bezonning). De gevolgen voor de woning van [appellant sub 1] worden beschreven in de vorm van schaduwwerking en verminderde daglichttoetreding. Volgens de begeleidende brief tonen de schaduwvlakken aan dat gedurende een lange periode van het jaar gedeelten van de gevel van zijn woning in de schaduw staan.

2.9.5. Door Van Riezen & Partners is in opdracht van Oban een schaduwstudie opgesteld in verband met de voorziene woningen op het Voorslagterrein. De resultaten van deze schaduwstudie zijn neergelegd in het rapport 'Analyse schaduw en uitzicht, Locatie de Zwarte Bruinvisch' van 26 september 2007 (hierna: de analyse). De analyse is door Oban bij brief van 23 november 2009 ingediend. In de conclusie van de analyse wordt beschreven dat er in het voor- en najaar en in de zomer nauwelijks extra schaduw ten opzichte van de bestaande situatie zal ontstaan. Dit komt deels door de verkaveling van de nieuwbouw. De extra schaduw als gevolg van de nieuwbouw blijft beperkt tot de wintermaanden vanaf twaalf uur. De extra schaduw blijft dan beperkt tot ongeveer één uur. Alleen ter plaatse van de Govert Flinckstraat 1 zal ook op twee andere tijdstippen extra schaduw ontstaan. Een dergelijke schaduw is volgens de conclusie van de analyse vanwege de lage stand van de zon in de winter gebruikelijk voor woningen in de bebouwde kom. Als eindconclusie is in de analyse vermeld dat de woningen en tuinen in de directe omgeving van de nieuwbouw slechts in beperkte mate extra schaduw ondervinden als gevolg van de nieuwbouw.

2.9.6. Ter controle van de door Oban ingediende analyse zijn in januari 2008 in opdracht van de raad computertekeningen gemaakt waarop de schaduwwerking van de voorziene woningen is afgebeeld. De op deze tekeningen afgebeelde resultaten komen nagenoeg overeen met de resultaten die zijn opgenomen in de analyse.

2.9.7. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Gelet op het feit dat ten opzichte van de woning van [appellant sub 1], de voorziene woningen enigszins gedraaid en in oostelijke richting versprongen zullen worden gerealiseerd, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de korte afstand tussen de voorziene woningen en de woning van [appellant sub 1] niet onaanvaardbaar is in een stedelijke omgeving. Uit de rapportage bezonning evenals uit de analyse en de computertekeningen van de raad blijkt dat ten opzichte van de huidige situatie de voorziene woningen op het Voorslagterrein zullen leiden tot een toename van schaduw op de voorgevel en in de tuin van de woning van [appellant sub 1] en een verlies van bezonning in de woning. Gelet hierop valt niet te ontkennen dat de realisatie van het plan zal leiden tot enige aantasting van het woongenot van [appellant sub 1]. Niettemin is de Afdeling van oordeel dat, gelet op het maatschappelijk belang dat met onderhavige ontwikkeling is gemoeid, het college in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de realisering van de woningbouw die het plan mogelijk maakt dan aan het geheel onaangetast laten van het woongenot van [appellant sub 1].

2.10. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 1] en de bewonersvereniging en anderen zijn ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Tuit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010

425-545.