Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1794

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
200901680/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Westland bij besluit van 24 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Trade Parc Westland Mars".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901680/1/R2.

Datum uitspraak: 21 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Westland bij besluit van 24 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Trade Parc Westland Mars".

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2010, waar [appellanten], bijgestaan door mr. M.R. Plug, advocaat te Delft en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C. de Waaij, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door mr. F.J. de Valck, advocaat te Rotterdam en M.M. Mathijssen, S.A.J. Kingma en A.D. Kishoen-Misier, allen werkzaam bij de gemeente, daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein van de ‘Coöperatieve bloemenveiling FloraHolland U.A.’ (hierna: het veilingbedrijf) ten zuidoosten van Naaldwijk. Tevens voorziet het plan in een brandstoffenverkooppunt en een verruiming van de bestaande weginfrastructuur.

Ten behoeve van de vaststelling van het plan hebben provinciale staten van Zuid-Holland bij besluit van 30 januari 2008 de zevende partiële herziening van het Streekplan Zuid-Holland West vastgesteld en daarin de ter plaatse geldende ‘rode contour Westland bedrijventerrein’ aangepast.

2.3. Het beroep van [appellanten] richt zich tegen de plandelen met de bestemmingen "Verkeersdoeleinden (V), "Water (WA)", "Groenvoorzieningen (G)" en "Brandstoffenverkooppunt (BVP)" ter plaatse van en nabij hun woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning). Zij hebben geen bezwaar tegen de in het plan voorziene uitbreiding als zodanig van het veilingbedrijf. [appellanten] betogen dat de woning ten onrechte niet als zodanig is bestemd. De noodzaak voor het amoveren van de woning ontbreekt, nu de raad de keuze heeft gemaakt de Kasteelweg rechtstreeks te laten aansluiten op de N222. Hierdoor zal de Lange Broekweg geen doorgaande functie meer hebben en is de verbreding van die weg ter plaatse van de woning overbodig. Hun woon- en leefklimaat blijft derhalve aanvaardbaar, aldus [appellanten]. Verder betwisten zij de noodzaak van een waterberging ter hoogte van de woning en de noodzaak van groenvoorzieningen en het aanbrengen van geluidsschermen aan de zijde van de Lange Broekweg. Hun standpunten ter zake van genoemde punten hebben [appellanten] nader onderbouwd met onder meer het in hun opdracht uitgevoerde onderzoek door het verkeersadviesbureau AGV Movares, waarvan verslag is gedaan in de ongedateerde notitie 'Notitie Bypass Lange Broekweg', alsmede met het in hun opdracht uitgevoerde akoestische onderzoek door M+P raadgevende ingenieurs van 4 februari 2010 en de daarbij behorende aanvullende memo van 5 februari 2010. Zij voeren tevens aan dat de in het plan voorziene bestemmingen ter plaatse van en nabij de woning niet uitvoerbaar zijn, omdat daarmee geen algemeen belang is gediend maar slechts het particuliere belang van het veilingbedrijf waardoor onteigening van de woning niet mogelijk is. Zij betogen verder dat de woning onderdeel uitmaakt van een historische lintbebouwing, die wordt aangetast door het verdwijnen van de woning. Verder bestrijden zij de noodzaak van de totstandkoming van het in het plan voorziene brandstoffenverkooppunt. Tevens voeren zij alternatieve locaties aan voor de bestemmingen die in de bestreden plandelen zijn voorzien.

2.4. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat, gezien het economisch belang van het veilingbedrijf en de tuinbouwsector, het amoveren van de woning in het algemeen belang aanvaardbaar is. Vanuit verkeerstechnisch en verkeersveiligheidsoogpunt is het noodzakelijk dat de ontsluiting van het veilingterrein plaatsvindt op de bestaande rotonde. De rotonde dient hiertoe te worden aangepast en te worden verruimd met 4 aansluitingen. Dit is noodzakelijk om de te verwachten toename van het veilingverkeer en de verwerkingscapaciteit van de rotonde te vergroten. Een deel van de gekozen weginfrastructuur loopt over het perceel [locatie]. Het verwerven van het perceel is volgens het college verder nodig vanwege de te treffen geluidwerende voorzieningen voor het perceel [locatie a] en voor de berging van water. Handhaving van de woning zou betekenen dat deze zowel aan de kant van de Lange Broekweg als aan de kant van de N222 en aan de kant waar het veilingterrein is gelegen, dus minimaal aan drie zijden, beschermd moet worden door schermen of andere geluidwerende voorzieningen. Het college stelt zich op het standpunt dat een dergelijke situatie uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zeer ongewenst is. De lintbebouwing aan de Lange Broekweg blijft, naar het college stelt, zoveel mogelijk behouden.

Het college stelt zich voorts met de raad op het standpunt dat een brandstoffenverkooppunt voor met name vrachtauto's op de in het plan voorziene locatie noodzakelijk is om de veilingactiviteiten ter plaatse optimaal te faciliteren en omrijbewegingen van vrachtauto’s te voorkomen.

2.5. Blijkens pagina 32 van de plantoelichting is bij de voorbereiding van het plan onderzoek uitgevoerd naar de toekomstige verkeerssituatie in en rondom Trade Parc Westland Mars. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkennend Verkeersonderzoek Trade Parc Westland Mars" van 7 februari 2008, opgesteld door Mobycon Concordis groep. Doel van dat onderzoek is het bepalen van de verkeersafwikkeling van Trade Parc Westland Mars en het benodigde ruimtebeslag dat voor de gewenste verkeerssituatie noodzakelijk is. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is het model van de gemeente Westland gebruikt dat als basisjaar 2006 en als prognosejaren 2016 en 2021 heeft. Verder is uit de ter zitting van de zijde van de raad, mede aan de hand van situatietekeningen, gegeven toelichting gebleken dat in het kader van de gewijzigde ontsluiting van het gebied de aanleg van een weg ter plaatse van de woning noodzakelijk is. Deze weg staat los van het zogenoemde bewonersalternatief. Weliswaar is de functie van de Lange Broekweg aan de orde in dit bewonersalternatief, maar het bewonersalternatief ziet op het bestemmingsplan "Verlengde Veilingroute en Zuidelijke Randweg Naaldwijk" dat zich nog in de ontwerpfase bevindt. De eventuele verwezenlijking van het bewonersalternatief maakt de bestemming "Verkeersdoeleinden" ter plaatse van de woning niet overbodig. Ter zitting is mede door getoonde foto's aannemelijk geworden dat het deel van de Lange Broekweg tussen de woningen [locaties] slechts 3,5 meter breed en onoverzichtelijk is. Deze weg is te smal voor zowel de huidige als de toekomstige verkeersbewegingen van het vrachtverkeer, met name voor het manoeuvreren. De verkeersveiligheid eist volgens de raad een weg van tenminste 5,5 meter breed. Ook indien de Lange Broekweg in de toekomst doodlopend zou worden, dan is verbreding van de weg onder meer ter plaatse van de woning noodzakelijk voor de bereikbaarheid van de tuinders- en loonwerkbedrijven aan de Lange Broekweg 66 tot en met 76, waarbij het gaat om zwaar vrachtverkeer, tractoren en landbouwmachines. In het betoog van [appellanten], dat wordt ondersteund door de 'Notitie Bypass Lange Broekweg' van AG Movares, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het amoveren van de woning vanuit verkeerstechnisch en verkeersveiligheidsoogpunt noodzakelijk is.

2.5.1. Verder is blijkens de plantoelichting aan het plan een akoestisch onderzoek ten grondslag gelegd dat is uitgevoerd door Aqua-Terra Nova BV. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport 'Akoestisch Onderzoek Wegverkeer - Trade Parc Westland Mars te Naaldwijk' van 8 februari 2008. Uit het onderzoek blijkt onder meer dat voor de woning [locatie a] de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder wordt overschreden en dat een ontheffing van die waarde moet worden aangevraagd. In verband daarmee is het noodzakelijk dat op het perceel van [appellanten] geluidwerende voorzieningen worden getroffen. Het veilingbedrijf heeft, ter ondersteuning van het standpunt van de raad en het college, na het nemen van het bestreden besluit aan BK Geluid & Trillingen BV opdracht gegeven tot het onderzoeken van de gevolgen van handhaving van de woning. In de desbetreffende notitie van 27 maart 2009 wordt geconcludeerd dat bij de cumulatieve geluidbelasting op de gevels van de woning alleen op de voorgevel het geluidniveau lager is dan de voorkeurgrenswaarde. Op de overige gevels treden ondanks hoge schermen geluidsniveaus op tot ongeveer 58 dB(A). Het akoestische klimaat ter plaatse van de woning sluit niet aan bij de ligging van de woning in het buitengebied, aldus de notitie. In het in opdracht van [appellanten] uitgevoerde akoestische onderzoek wordt geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde met maximaal 1 dB(A) wordt overschreden en dat in het verleden al een hogere grenswaarde is vastgesteld van 52 dB(A). De huidige overschrijding is niet hoger dan de verleende hogere waarde, zodat er geen aanvullende maatregelen nodig zijn. De overige gevels zijn geluidsluw, aldus het rapport. Verder wordt in de door [appellanten] overgelegde aanvullende memo van genoemd adviesbureau geconcludeerd dat, ook als rekening wordt gehouden met de door BK Geluid & Trillingen BV gehanteerde verkeersintensiteiten, de geluidbelasting maximaal 1 dB(A) toeneemt. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten] omtrent de akoestische gevolgen van de in het plan voorziene infrastructuur hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een goed akoestisch klimaat ter plaatse van de woning niet op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden gewaarborgd. De overgelegde rapportages van het adviesbureau M+P raadgevende ingenieurs laten onverlet dat aan drie zijden van de woning geluidwerende voorzieningen moeten worden getroffen, hetgeen het college uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenst heeft kunnen achten. Het college heeft mede in aanmerking kunnen nemen dat in een dergelijke situatie de gewenste open gelegen entree naar het veilingterrein niet mogelijk is en de verkeersveiligheid vanwege zichtbelemmering niet kan worden gegarandeerd.

2.5.2. [appellanten] hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de in het plan voorziene bestemmingen "Water (WA)" en "Groenvoorzieningen (G)" nabij en ter plaatse van de woning niet noodzakelijk zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij is in aanmerking genomen dat, zoals de raad in zijn nader stuk van 2 september 2009 heeft uiteengezet, het plan voorziet in de noodzakelijke waterbergingseis van 325 m3 die het hoogheemraadschap van Delfland heeft gesteld. De waterberging is op zodanige wijze gesitueerd dat enerzijds het open karakter in verband met het aanzicht en de verkeersveiligheid wordt gegarandeerd en anderzijds het water optimaal over het plangebied met 3 verschillende peilgebieden wordt verdeeld. Het is niet mogelijk de waterberging op een andere locatie te graven, omdat dit direct dan wel indirect ten koste gaat van de noodzakelijke parkeer- en verkeersvoorzieningen en de logische verkaveling van het uitgeefbare terrein. Het vereiste groen met natuurvriendelijke oevers is onlosmakelijk verbonden met de waterpartijen en om stedenbouwkundige redenen gesitueerd tussen de openbare ruimte en het veilingterrein.

2.5.3. De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestreden plandelen geen wezenlijke aantasting betekenen van de bestaande lintbebouwing langs de Lange Broekweg. Hierbij is in aanmerking genomen dat een groot deel van de bestaande lintbebouwing blijft behouden. Twee woningen - waaronder de woning van [appellanten] - worden geamoveerd vanwege redenen van verkeerstechnische en ruimtelijke aard. De resterende woningen behouden hun karakteristieke uitstraling en blijven aansluiting vinden bij de overige lintbebouwing langs de Lange Broekweg.

2.5.4. [appellanten] hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een brandstoffenverkooppunt voor met name vrachtauto's op de in het plan voorziene locatie met de bestemming "Brandstoffenverkooppunt (BVP)" noodzakelijk is om de veilingactiviteiten ter plaatse optimaal te faciliteren en omrijbewegingen van vrachtauto’s te voorkomen.

2.5.5. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat met de onteigening van de woning geen algemeen belang is gediend. Het college heeft in aanmerking kunnen nemen dat het veilingbedrijf de economische motor is van het Westland en dat de uitbreiding een noodzakelijke ingreep is om de concurrentie- en leidende positie die de veiling in de wereld inneemt te kunnen behouden. Daarbij is tevens in aanmerking te nemen dat bij Koninklijk besluit van 29 oktober 2009, no. 09.003047, het raadsbesluit dat strekt tot onteigening van de woning is goedgekeurd.

2.5.6. Voor zover [appellanten] in beroep hebben gewezen op alternatieven voor de aanrijroute, de waterberging en het brandstoffenverkooppunt, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. De bezwaren hebben de raad en het college onderkend. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad alternatieven voor de aanrijroute, de waterberging en het brandstoffenverkooppunt voldoende heeft onderzocht en op toereikende gronden heeft afgewezen. Het college heeft de raad hierin mogen volgen.

2.5.7. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010

12-573.