Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1791

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
200905286/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009, kenmerk 2009INT242500, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bunnik bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Dorpen-Bunnik, herziening 2006".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905286/1/R2.

Datum uitspraak: 21 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009, kenmerk 2009INT242500, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bunnik bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Dorpen-Bunnik, herziening 2006".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Lanen, advocaat te Utrecht, en ing. I. Martens, werkzaam bij Lichtveld Buis & Partners B.V., en het college, vertegenwoordigd door ing. J.G. Kentie MSc en A.A.M. Bakker, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. M. Balkema, werkzaam bij de gemeente, en

drs. J.J. Niessink, werkzaam bij de Milieudienst Zuidoost-Utrecht, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Aan deze procedure is een eerdere bestemmingsplanprocedure voorafgegaan. In het kader van die procedure heeft het college onder meer goedkeuring onthouden aan de woonbestemming voor het voorste deel van het perceel [locatie] (hierna: het perceel). Het college stelde hierbij vast dat bij de vaststelling van dat bestemmingsplan niet voldoende rekening was gehouden met geluidsaspecten. Het goedkeuringsbesluit van het college is op dit onderdeel door de Afdeling in haar uitspraak van 22 oktober 2003, in zaak nr. 200206379/1 in stand gelaten.

Het onderhavige plan strekt ertoe te voldoen aan de aanpassingverplichting, zoals deze na onthouding van goedkeuring uit artikel 30 WRO voortvloeit. Het plan voorziet wederom in de bouw van woningen op het perceel.

2.3. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op het voorste deel van het perceel. In dit verband voert [appellant] aan dat uit in zijn opdracht uitgebrachte onderzoeksrapporten van Lichtveld Buis & Partners blijkt dat aan de achterzijde de van de nabijgelegen Rijksweg A12 en aan de voorzijde de van de toevoerroute van die weg afkomstige geluidhinder zich verzetten tegen het realiseren van de voorziene woningen. Het college heeft geen tegenonderzoek doen instellen, zo voert [appellant] aan. Ook stelt [appellant] dat ter plaatse geen afdoende geluidwerende voorzieningen te treffen zijn. Zou dit niettemin mogelijk zijn dan zijn deze zeer kostbaar en tasten deze voorzieningen het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar aan. Voorts voert [appellant] aan dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. Een plan om in de nabije omgeving woningbouw te plegen is afgeketst op de onverkoopbaarheid van de woningen. Verder stelt [appellant] dat er geen stedenbouwkundige noodzaak is om aan het perceel een woonbestemming toe te kennen. In dit verband voert [appellant] tevens aan dat langs de Schoudermantel reeds bedrijven zijn gevestigd.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat de geluidsbelasting op de voorziene woningen niet in de weg staat aan de goedkeuring van het betreffende plandeel. Het college stelt dat de verhoging van de maximaal toegestane geluidswaarden en het treffen van maatregelen bij de woningen toereikend zijn om de geluidsbelasting op een acceptabel niveau te brengen. Voorts stelt het college dat het voorste deel van het perceel tussen woonbebouwing is gelegen en dat woonbebouwing ter plaatse daarom wenselijk wordt geacht.

2.5. Uit de structuurplankaart bij het structuurplan Bunnik 2007-2015 is gebleken dat het perceel in een gebied ligt dat aangeduid is als woongebied. Voorts ligt het perceel in een strook woonbebouwing langs de Schoudermantel. Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat ter plaatse ook bedrijven zijn gevestigd, heeft het college ter zitting onweersproken verklaard dat het om aan huis gebonden beroepen gaat. Gelet hierop is het standpunt van het college dat stedenbouwkundige overwegingen niet in de weg staan aan een woonbestemming voor het perceel, niet onredelijk.

2.5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat met het plaatsen van geluidreducerende schermen aan de achterzijde van het voorste deel van het perceel de geluidsbelasting die de voorziene woningen zullen ondervinden niet tot een acceptabel niveau kan worden teruggebracht. Ook de conclusies uit de door [appellant] overgelegde rapporten dat woningbouw op het perceel voor de daarin uitgewerkte varianten niet haalbaar is, worden door het college onderschreven. Volgens het college is het, in navolging van de raad, evenwel mogelijk eenvoudige bouwtechnische aanpassingen in de vormgeving en inrichting van de woningen aan te brengen waardoor van een slecht woon- en leefklimaat geen sprake meer zal zijn. Met [appellant] overweegt de Afdeling dat deze enkele stelling van het college niet voldoende is om te concluderen dat wat de geluidssituatie ter plaatse betreft een acceptabel woon- en leefklimaat kan worden bereikt. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken welke maximale geluidsbelasting met deze maatregelen daadwerkelijk behaald zal worden. Het college heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven.

Weliswaar is ter zitting door de raad nog gewezen op de mogelijkheid van maatregelen, zoals een inpandig balkon met privacyschermen en een ommuurde binnenplaats, doch ook hiervan zijn de effecten op het woon- en leefklimaat niet inzichtelijk gemaakt. Gelet op de aard en het samenstel van maatregelen overweegt de Afdeling dat het college, zonder nader onderzoek, zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse voldoende is gewaarborgd.

Gelet op het voorgaande, alsook het type woningen dat op het perceel is voorzien, overweegt de Afdeling dat evenmin voldoende inzichtelijk is of het plan financieel uitvoerbaar is. Het college heeft de stelling van [appellant] op dit punt niet voldoende onderzocht. Dat volgens het college in de omgeving van het perceel nieuwbouwwoningen zijn verkocht die voorzien zijn van geluidwerende voorzieningen maakt het voorgaande niet anders, nu de raad ter zitting heeft verklaard dat het daar, anders dan in de onderhavige zaak, appartementen betrof.

Gelet hierop is de conclusie dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten in de vorm van deskundigenkosten en rechtsbijstand te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 26 mei 2009, kenmerk 2009INT242500, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel dat betrekking heeft op het voorste deel van het perceel [locatie];

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.719,00 (zegge: drieduizend zevenhonderdnegentien euro), waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010

45-629.