Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
200905284/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college aan Prefit Bouwbedrijf vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van vier woningen op de locatie Rijksweg-West 30, 30a en 32 te Arnhem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905284/1/H1.

Datum uitspraak: 21 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Dorpsvereniging Elden, gevestigd te Arnhem,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 juni 2009 in zaak nr. 08/3745 in het geding tussen:

Dorpsvereniging Elden

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college aan Prefit Bouwbedrijf vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van vier woningen op de locatie Rijksweg-West 30, 30a en 32 te Arnhem.

Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het college het door de Dorpsvereniging daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de Dorpsvereniging daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Dorpsvereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Dorpsvereniging heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2010, waar de Dorpsvereniging, vertegenwoordigd door H.J. Bosman en H.D. van Rheede, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Stryczek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Dorpsvereniging betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet passend is op de onderhavige locatie en niet in overeenstemming is met de Structuurvisie Elden 2000 (hierna: de structuurvisie). Daartoe voert zij aan dat de voorziene woningen de lijn overschrijden waarin nagenoeg alle omliggende woningen aan de oostelijke zijde van de Rijksweg-West zijn gelegen, achter de voormalige oever van de thans gedempte Grift, en dat de woningen met een nokhoogte van 9 meter de in de structuurvisie opgenomen nokhoogte van 7,5 meter overschrijden.

2.1.1. In de structuurvisie is opgenomen dat uitbreiding van de bebouwing kleinschalig, niet villa-achtig van aard moet zijn en moet passen binnen de dorpse sfeer van Elden. Daarbij wordt aangegeven dat de nokhoogte bij voorkeur niet hoger dan 7,5 meter dient te zijn.

2.1.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan geen afbreuk doet aan het dorpse karakter van de kern Elden. Daarbij wordt betrokken dat de in onderhavig bouwplan voorziene verspringing ten opzichte van omliggende woningen als beperkt moet worden aangemerkt en geen afbreuk doet aan de historische lintbebouwing zoals deze aan de Rijksweg-West aanwezig is. Voor zover de Dorpsvereniging aanvoert dat enkele omwonenden die voornemens waren ook met een verspringing te (ver)bouwen daarvoor geen toestemming hebben gekregen, is niet aannemelijk gemaakt dat daartoe strekkende bouwvergunningen zijn aangevraagd en om die reden zijn afgewezen. Voorts is niet gebleken dat sprake is van situaties die als een geval gelijk aan het onderhavige kunnen worden aangemerkt. In de ruimtelijke onderbouwing is het college ingegaan op de relatie van het bouwplan tot de structuurvisie. Zoals de rechtbank ook terecht heeft geoordeeld vormt de in de structuurvisie opgenomen nokhoogte van 7,5 meter geen harde norm. Zij heeft het standpunt van het college dat de bouwhoogte stedenbouwkundig passend is, mede onder verwijzing naar de in de omgeving reeds aanwezige bebouwing met een hoogte van ongeveer 9 meter, dan ook terecht niet als onredelijk gekwalificeerd. Dat het zicht op de molen en het transformatorhuisje vanaf de Rijksweg-West enigszins wordt beperkt heeft het college geen aanleiding hoeven geven om de vrijstelling te weigeren.

Het betoog faalt.

2.2. Voorts betoogt de Dorpsvereniging dat een verkeersonveilige situatie ontstaat omdat vanwege het bouwplan de bestaande bushalte moet worden verplaatst.

2.2.1. Het college heeft, anders dan eerder gesteld, aangegeven dat de bushalte alsnog moest worden verplaatst, vanwege de hoogteverschillen in de stoep door enerzijds een verlaging voor de uitrit en anderzijds een verhoging voor het uitstappen van buspassagiers. Het college heeft zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen verkeersonveilige situatie ontstaat door de verplaatsing van de bushalte, nu de halte op voldoende afstand van de kruising met de Molenweg is voorzien in een verblijfsgebied met een 30 km/uur zone met lage verkeersintensiteiten en een geringe stopfrequentie van bussen bij deze halte.

Ook dit betoog faalt.

2.3. De Dorpsvereniging betoogt ten slotte dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat het bouwplan op korte afstand van het transformatorhuisje kan worden gerealiseerd.

2.3.1. In de Milieuaspectenstudie van oktober 2007 die mede aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd, is opgenomen: "Vanaf dit transformatorstation moet in verband met de aanwezige elektromagnetische velden rekening worden gehouden met een minimale afstand van 5 meter tot woningen van derden". Uit de stukken blijkt evenwel niet waarop de afstandseis van 5 meter is gebaseerd. In paragraaf 4.1 van de Milieuaspectenstudie wordt verwezen naar de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering". In de versie van deze publicatie van 16 april 2007 is in bijlage 1 van de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten voor transformatoren een minimale afstand van 10 meter vermeld in verband met geluid en gevaar. De rechtbank heeft het college gevolgd in het standpunt dat de afstand van het transformatorstation tot de verblijfsgebieden in de dichtstbijgelegen woning bepalend is, en dat in dit geval slechts de garage/bijkeuken, niet zijnde een verblijfsgebied, binnen een straal van 5 meter ligt. Ter zitting heeft het college naar voren gebracht dat de aan te houden afstand door de netbeheerder zou zijn aangegeven, doch dit is op geen enkele wijze onderbouwd. Aldus heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat de betreffende woning op korte afstand van het transformatorhuis kan worden opgericht. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 8 juli 2008 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij gaat het om de kosten van één gemachtigde van de Dorpsvereniging, nu niet is gebleken dat vertegenwoordiging door meer dan één persoon noodzakelijk was.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 juni 2009 in zaak nr. 08/3745;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem van 8 juli 2008, kenmerk 2008.0.062.977/DK;

I. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Arnhem tot vergoeding van bij Dorpsvereniging Elden in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 94,22 (zegge: vierennegentig euro en tweeëntwintig cent);

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Arnhem aan Dorpsvereniging Elden het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 735,00 (zegge: zevenhonderdvijfendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010

444