Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1777

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
200904206/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel geweigerd [appellant] een vergunning te verlenen voor het innemen van ligplaats met de [woonboot] aan de [locatie].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904206/1/H3.

Datum uitspraak: 21 april 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2009 in zaak nr. 08/2782 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel geweigerd [appellant] een vergunning te verlenen voor het innemen van ligplaats met de [woonboot] aan de [locatie].

Bij besluit van 3 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 26 oktober 2006 herroepen en aan [appellant] een ligplaatsvergunning verleend onder beperkingen. Daarnaast is aan deze vergunning een voorschrift verbonden.

Bij uitspraak van 29 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 juli 2009.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.G. Tienstra, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M. van Muijen, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en [appellant] en het dagelijks bestuur om een nadere reactie verzocht.

[appellant] en het dagelijks bestuur hebben aan dit verzoek gevolg gegeven.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nieuwe behandeling van de zaak ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.2.6., tweede lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: Vhb 2006) kunnen aan een vergunning voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van de belangen die ten grondslag liggen aan de betrokken bepalingen.

Ingevolge artikel 2.2.1., aanhef en onder a, wordt onder woonboot verstaan: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf, niet zijnde een object dat valt onder de Woningwet.

Ingevolge artikel 2.2.2., eerste lid, strekt de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.1. tot het innemen van een ligplaats in de gemeente.

Ingevolge het tweede lid wordt bij verlening van de vergunning een ligplaats toegewezen. De vergunning is aan die ligplaats gebonden.

Ingevolge artikel 2.3.1., eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college met een woonboot ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons- en vaartuiggebonden, onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.2.

Ingevolge het tweede lid kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de welstand, ordening, de veiligheid, het milieu en de vlotte en veilige doorvaart.

Ingevolge het derde lid kan de vergunning uitsluitend worden verleend aan de eigenaar(s) van de boot.

Het beleid met betrekking tot ligplaatsvergunningen is vastgelegd in de nota "Wonen op de Amstel geregeld" (hierna: de nota).

2.2. Het hoger beroep van [appellant] betreft de zogenoemde beperkingen en het voorschrift, die het dagelijks bestuur aan de verleende vergunning heeft verbonden. De beperkingen houden in dat geen nieuwe ligplaatsvergunning zal worden verstrekt aan een eventuele volgende eigenaar en dat de woonboot niet mag worden vervangen. Deze beperkingen zijn slechts van informatieve aard. Hiermee wordt [appellant] ervan in kennis gesteld dat volgens het ten tijde van de verlening van de vergunning geldende beleid te zijner tijd aan een nieuwe eigenaar dan wel voor de vervanging van de woonboot geen nieuwe vergunning zal worden verleend. Eerst indien een volgende eigenaar een ligplaatsvergunning aanvraagt dan wel [appellant] een vergunning aanvraagt voor de vervanging van zijn woonboot, zal door het dagelijks bestuur omtrent de verlening van een vergunning worden beslist. Op dat moment kan hiertegen worden opgekomen. In deze procedure over de verleende ligplaatsvergunning kan de bestuursrechter over deze beperkingen geen inhoudelijk oordeel geven. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.3. Het aan de vergunning verbonden voorschrift houdt in dat [appellant] de woonboot "Adriana" zelf moet bewonen en niet aan een ander in gebruik mag geven. Aangezien ingevolge de Vhb 2006 uitsluitend aan de eigenaar van een woonboot een vergunning kan worden verleend voor het innemen van ligplaats en voor het in gebruik geven van een woonboot aan een ander geen vergunning is vereist, zal de Afdeling het hoger beroep, voor zover het dit voorschrift betreft, inhoudelijk bespreken.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat het dagelijks bestuur pas ter zitting heeft gemotiveerd waarom het voorschrift aan de ligplaatsvergunning is verbonden. De motivering van het besluit was op dit punt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet kenbaar voor [appellant]. De rechtbank is, omdat volgens haar gesteld noch gebleken is dat [appellant] hierdoor in zijn belangen is geschaad, met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan dit gebrek voorbijgegaan.

2.5. [appellant] betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast.

2.5.1. Dit betoog slaagt. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat artikel 6:22 van de Awb geen toepassing kon vinden. Nu de motivering van het bij de rechtbank bestreden besluit eerst ter zitting voor [appellant] kenbaar was, kan niet geoordeeld worden dat [appellant] niet in zijn belangen is geschaad. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het bij de rechtbank bestreden besluit van 3 juni 2008 vernietigen.

2.6. Aangezien het dagelijks bestuur ter zitting bij de rechtbank en bij de Afdeling het bij de rechtbank bestreden besluit heeft gemotiveerd en [appellant] zich aldus in voldoende mate daarover heeft kunnen uitlaten, bestaat aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.

2.7. [appellant] betoogt dat het dagelijks bestuur ten onrechte als motivering voor het verbinden van het voorschrift aan de ligplaatsvergunning heeft aangevoerd dat de "Adriana" een zichtlijn verstoort. Daarnaast is volgens [appellant] het gelijkheidsbeginsel geschonden nu het dagelijks bestuur alleen aan de aan hem verleende vergunning een zodanig voorschrift heeft verbonden.

2.7.1. Volgens de nota houdt het beleid van het dagelijks bestuur onder meer in dat wordt gestreefd naar openbaarheid van de Amsteloevers en dat deze meer open moeten worden ingericht met meer nadruk op recreatie. Dit beleid is niet onredelijk. Gelet op de door [appellant] overgelegde foto's heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt mogen stellen dat het zicht op de Amstel door de "Adriana" wordt belemmerd. Teneinde op termijn ter uitvoering van het beleid een einde te maken aan deze belemmering, heeft het in redelijkheid het voorschrift waartegen de bezwaren van [appellant] zijn gericht, aan de ligplaatsvergunning kunnen verbinden. Het betoog faalt.

2.7.2. Voorts kan het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Daartoe wordt overwogen dat in 1984 een gedoogronde heeft plaatsgevonden voor op dat moment afgemeerde woonboten, waarbij, hetgeen niet in geschil is, [appellant] geen aanvraag voor een ligplaatsvergunning heeft ingediend, omdat zijn schip toen nog dienst deed als bedrijfsvaartuig. Voorts is niet in geschil dat de "Adriana" tot 2003 als zodanig werd gebruikt en dat het voor die tijd mogelijk was om ontheffing te vragen om te wonen op een bedrijfsvaartuig, hetgeen [appellant] heeft nagelaten. In 2004 heeft het dagelijks bestuur vervolgens, in het kader van een zogenoemde handhaafactie, reeds afgegeven ligplaatsvergunningen voor woonboten verlengd. Hoewel de "Adriana" vanaf 2003 als een woonboot als bedoeld in artikel 2.2.1., aanhef en onder a, van de Vhb 2006 fungeert, heeft [appellant] pas in juli 2006 voor het eerst een ligplaatsvergunning voor zijn woonboot aangevraagd. Op grond van het huidige beleid, op basis waarvan geen ligplaatsvergunningen meer worden verstrekt, dat ook toen reeds gold, bestond geen mogelijkheid tot inwilliging van deze aanvraag. Door in afwijking hiervan toch een vergunning te verlenen is het dagelijks bestuur reeds in belangrijke mate aan de belangen van [appellant] tegemoetgekomen. Genoegzaam is gebleken dat in de gevallen waar [appellant] naar verwijst ruim voor de genoemde handhaafactie in 2004 een aanvraag voor een ligplaatsvergunning was ingediend en dat op die gevallen niet het huidige beleid van toepassing is. Ook anderszins heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat in gevallen die gelijk zijn aan dat van hem een vergunning is verleend zonder het voorschrift, verbonden aan zijn vergunning. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel leidt daarom niet tot het oordeel dat het dagelijks bestuur dit voorschrift niet aan de aan [appellant] verleende vergunning had mogen verbinden.

2.7.3. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.8. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2009 in zaak nr. 08/2782;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel van 3 juni 2008, kenmerk 08-06286;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro);

VII. gelast dat het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

176-624.