Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1772

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
200907513/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907513/1/H3.

Datum uitspraak: 21 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 september 2009 in zaak nr. 08/1749 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeist.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2009, verzonden op 8 september 2009, heeft de rechtbank Utrecht het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2010, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. I. Degen, advocaat te Woerden, en het college, vertegenwoordigd door T.H.M. Kamphuis en J.S. Deelstra, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.5.1, eerste lid, van de Regionale Huisvestingsverordening 2008 van het Bestuur Regio Utrecht kunnen burgemeester en wethouders een in het register ingeschreven woningzoekende urgent verklaren, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:

a. de woningzoekende is ingezetene van de regio;

b. de woningzoekende beschikt(e) over zelfstandige woonruimte in de regio;

c. er is sprake van een bijzondere persoonlijke noodsituatie;

d. de noodsituatie is ontstaan buiten eigen schuld en was door de woningzoekende niet te voorzien;

e. de woningzoekende kan aantonen eerst zelf naar een oplossing te hebben gezocht;

f. een verhuizing binnen zes maanden is noodzakelijk en

g. de woningzoekende is niet in staat om zelf binnen zes maanden voor passende huisvesting te zorgen via het aanbodsysteem als bedoeld in artikel 2.6.1 of op andere wijze.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening. Indien een woningzoekende op basis van dit oordeel de indicatie "urgent" krijgt, dan is deze indicatie uitsluitend geldig in de gemeente waarvan het college van burgemeester en wethouders geoordeeld heeft dat sprake is van een bijzondere hardheid.

2.2. Het college heeft zich in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 31 januari 2008 op het standpunt gesteld dat [appellante], gezien de door haar opgebouwde wachttijd, zelf in staat is binnen zes maanden voor passende huisvesting te zorgen en daarom niet voldoet aan het gestelde onder artikel 2.5.1, eerste lid, aanhef en onder g, van de verordening, zodat zij niet voor een urgentieverklaring in aanmerking komt.

2.3. [appellante] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat aangenomen moet worden dat zij via het aanbodsysteem binnen zes maanden passende huisvesting in de regio kan krijgen. Zij betoogt dat zij, zelfs wanneer zij zich voor een benedenwoning inschrijft, gemiddeld niet hoger dan op een twintigste plaats eindigt.

2.3.1. Het betoog slaagt niet. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, heeft het college met het in beroep overgelegde overzicht van alle benedenwoningen die het afgelopen jaar in de gemeente Utrecht en de regio Utrecht zijn verhuurd aan woningzoekenden zonder een urgentieverklaring of een medische indicatie, met een wachttijd korter dan 5,5 jaar, zijn standpunt dat het voor [appellante] mogelijk moet zijn binnen zes maanden voor een woning in aanmerking te komen in voldoende mate toegelicht. Uit het door [appellante] overgelegde overzicht van haar reacties op de aangeboden woningen blijkt dat zij zich alleen voor woningen in de gemeente Utrecht heeft ingeschreven. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, aangezien de verordening ziet op de regio Utrecht en [appellante] stelt in een onhoudbare situatie terecht te komen, van [appellante] mag worden gevergd dat zij zich ook op woonruimte buiten de gemeente Utrecht richt teneinde die situatie het hoofd te bieden. De rechtbank heeft in dit verband met juistheid overwogen dat, hoewel begrijpelijk is dat [appellante] een voorkeur heeft voor woonruimte in de nabijheid van haar zoon, die in de gemeente Utrecht woont, er geen grond is voor het oordeel dat woonruimte buiten de gemeente Utrecht in deze omstandigheden niet als passende huisvesting, als bedoeld in artikel 2.5.1, eerste lid, aanhef en onder g, van de verordening, kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college aldus een juiste toepassing aan artikel 2.5.1 van de verordening heeft gegeven. Anders dan [appellante] betoogt, komt het college, gelet op het vorenstaande, niet aan een beoordeling van haar medische situatie toe. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 4.1 van de verordening, niet heeft toegepast. Daartoe stelt zij dat zij zelfmoordneigingen heeft wanneer zij in haar flat verblijft. Ter motivering van deze stelling heeft [appellante] schriftelijke verklaringen van haar behandelend psychiater en haar huisarts overgelegd.

2.4.1. Het betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 9 februari 2005, in zaak nr. 200405698/1), is het door het college gevoerde beleid dat de hardheidsclausule, gelet op het beperkte woningaanbod in de regio Utrecht, alleen wordt toegepast in zeer incidentele noodgevallen, waaronder een levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situatie wordt verstaan, niet onredelijk.

Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule een discretionaire bevoegdheid van het college is en dat de rechter het al dan niet gebruik maken van die bevoegdheid zeer terughoudend dient te toetsen.

In het door [appellante] aangevoerde zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor de conclusie dat zij zich in een onhoudbare situatie bevindt, te meer nu haar woonsituatie voor [appellante] zelf nog altijd geen aanleiding vormt om te reageren op woningen die buiten de gemeente Utrecht zijn gelegen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de door [appellante] aangevoerde omstandigheden, hoe zeer deze ook zijn te betreuren, in redelijkheid ontoereikend heeft kunnen achten voor toepassing van de hardheidsclausule. Ten overvloede wordt opgemerkt dat een indicatie "urgent" op grond van de hardheidsclausule ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de verordening uitsluitend in Zeist geldig is en niet in de gemeente Utrecht, waar zij wil wonen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010

350-598.