Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
200907874/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 1 oktober 2007 heeft [appellante] de gemeente Maastricht verzocht haar te laten weten of in de periode van 1 januari 2006 tot 1 oktober 2007 haar betreffende persoonsgegevens aan anderen zijn doorgegeven.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 30
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Wet bescherming persoonsgegevens 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/142 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907874/1/H3.

Datum uitspraak: 21 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 september 2009 in zaak nr. 08/1922 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.

1. Procesverloop

Bij brief van 1 oktober 2007 heeft [appellante] de gemeente Maastricht verzocht haar te laten weten of in de periode van 1 januari 2006 tot 1 oktober 2007 haar betreffende persoonsgegevens aan anderen zijn doorgegeven.

Bij brief van 5 november 2007 heeft [appellante] zich gewend tot het College bescherming persoonsgegevens (hierna: het CBP) met een verzoek te bemiddelen bij het verkrijgen van inzage in de verwerking van haar persoonsgegevens. Deze brief is door het CBP doorgestuurd naar de gemeente Maastricht met het verzoek deze in behandeling te nemen als bezwaarschrift van [appellante] tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek van 1 oktober 2007.

Bij brief van 22 november 2007 heeft een medewerkster van de Sociale Dienst aan [appellante] meegedeeld dat zij op grond van de haar ter beschikking zijnde gegevens alleen heeft kunnen constateren dat de Sociale Dienst [appellante] betreffende gegevens aan het Centrum indicatiestelling zorg (hierna: het CIZ) heeft doorgegeven.

Bij besluit van 7 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) het bezwaarschrift van [appellante] van 5 november 2007 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 29 april 2008 heeft een medewerker van de gemeente Maastricht aan [appellante] meegedeeld dat geen gegevens aan derden zijn verstrekt, behoudens aan het CIZ en gegevensuitwisseling aan bepaalde instanties op basis van een wettelijke grondslag. Verder is in deze brief meegedeeld dat een brief die [appellante] in december 2006 van ziektekostenverzekeraar IZA Cura heeft ontvangen geen oorsprong heeft in persoonsgegevens die door de sector Sociale Zaken bij die instantie zijn aangeleverd.

Bij brief van 10 juli 2008 heeft het college meegedeeld dat het besluit op bezwaar van 7 januari 2008 onjuist is en wordt ingetrokken. Bij deze brief is aangekondigd dat het college een nieuw besluit op het bezwaarschrift zal nemen.

Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het college opnieuw besloten op het bezwaarschrift van 5 november 2007. Hierbij is het bezwaar van [appellante] dat op haar verzoek van 1 oktober 2007 geen besluit is genomen niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft het besluit van 29 april 2008 herroepen, in die zin dat de motivering van dit besluit is aangevuld.

Bij uitspraak van 4 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 november 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.E. Overhof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp), voor zover thans van belang, houden zowel het CBP als de functionaris voor de gegevensbescherming een register bij van de bij hen aangemelde gegevensverwerkingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge het tweede lid bevat de mededeling, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorie├źn van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorie├źn van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Ingevolge artikel 45, voor zover thans van belang, geldt een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 35, voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan, als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Ingevolge artikel 49, eerste lid, zijn, indien iemand schade lijdt doordat ten opzichte van hem in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, de volgende leden van toepassing, onverminderd de aanspraken op grond van andere wettelijke regels.

Ingevolge het tweede lid heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de brief van 29 april 2008 als een besluit heeft aangemerkt. Hiertoe voert zij aan dat in deze brief een rechtsmiddelenclausule ontbreekt en niets is vermeld over een mandaat. Voorts leidt ook het feit dat de inhoud van deze brief onvolledig en dus onjuist is, er volgens haar toe dat deze brief geen besluit is. [appellante] betoogt dat uit het feit dat de rechtbank haar beroepschrift van 10 juni 2008 niet heeft doorgestuurd naar het college om te worden behandeld als een bezwaarschrift tegen de brief van 29 april 2008, kan worden afgeleid dat deze brief door de rechtbank niet als een besluit is aangemerkt. Tot slot wijst zij erop dat als die brief een besluit is, ook de brief van 22 november 2007 als een besluit moet worden aangemerkt.

2.2.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het al dan niet vermelden van de mogelijkheid van bezwaar niet doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of het college op 29 april 2008 een besluit in de zin van de Awb heeft genomen. Voorts heeft zij terecht geoordeeld dat het bevoegdheidsgebrek in de schriftelijke mededeling van 29 april 2008, die is ondertekend door een medewerker van de gemeente die daartoe niet was gemandateerd, in het besluit op bezwaar van 9 oktober 2008 is hersteld. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals het college heeft gesteld, uit de mandaatlijst van de gemeente Maastricht volgt dat ten tijde van het besluit op bezwaar van 9 oktober 2008 ten aanzien van het nemen van besluiten op bezwaar in de zin van de Awb de portefeuillehoudende wethouder Sociale en Economische Zaken beslissingsbevoegd en de medewerker Juridische Zaken ondertekeningsbevoegd was.

[appellante] kan niet worden gevolgd in haar betoog dat het feit dat het college haar in de brief van 29 april 2008 geen volledig overzicht heeft verstrekt van de verwerking van haar persoonsgegevens het besluitkarakter van die mededeling aantast. Ingevolge artikel 7:11 van de Awb vindt op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging plaats. Deze stelt het bestuursorgaan in staat eventuele gebreken in het besluit op het verzoek te herstellen. Het college heeft in het besluit op bezwaar van 9 oktober 2008 de informatie die op 29 april 2008 aan [appellante] is verstrekt, mogen aanvullen met de mededeling dat is vastgesteld dat gegevens van [appellante] aan IZA Cura zijn verstrekt.

Bij de rechtbank is naar aanleiding van een beroepschrift van [appellante] van 10 juni 2008 een afzonderlijke procedure gevoerd over het besluit op bezwaar van 7 januari 2008. Anders dan [appellante] betoogt, vormt de enkele omstandigheid dat de rechtbank dit beroepschrift niet aan het college heeft doorgezonden, hoewel zij daarin had vermeld dat dit tevens was gericht tegen de brief van 29 april 2008 indien deze brief zou moeten worden aangemerkt als een besluit, onvoldoende grond voor het oordeel dat de rechtbank deze brief uitdrukkelijk niet als een besluit heeft aangemerkt.

De Afdeling is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het college zich in het besluit op bezwaar van 9 oktober 2008 terecht op het standpunt heeft gesteld dat de mededeling van 29 april 2008 een besluit op het verzoek van [appellante] van 1 oktober 2007 is. Hieraan doet niet af dat, zoals [appellante] betoogt, ook reeds met de brief van 22 november 2007 een reactie op haar verzoek is gegeven. Voor zover deze brief als een besluit op dat verzoek zou moeten worden aangemerkt, moet dit worden geacht met het besluit van 29 april 2008 te zijn ingetrokken en vervangen door dit nieuwe besluit. [appellante] is hierdoor niet benadeeld.

2.3. [appellante] bestrijdt tevergeefs het oordeel van de rechtbank dat het college niet meer persoonsgegevens van [appellante] aan derden heeft verstrekt dan het bij het besluit van 29 april 2008, aangevuld met het besluit op bezwaar van 9 oktober 2008, aan haar heeft meegedeeld.

Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, zijn volgens het register als bedoeld in artikel 30 van de Wbp niet meer gegevens aan derden verstrekt dan het college heeft meegedeeld. Dat dit register, naar [appellante] stelt, onbetrouwbaar is, omdat hierin ook de gegevensverstrekking aan IZA Cura niet is vermeld, doet aan deze feitelijke vaststelling niet af. De rechtbank heeft bij haar oordeel terecht in aanmerking genomen dat uit het besluit op bezwaar van 9 oktober 2008 en de mededelingen van de gemachtigde van het college ter zitting volgt dat binnen de gemeente een onderzoek heeft plaatsgevonden teneinde te bepalen of gegevens aan anderen dan de aan [appellante] meegedeelde ontvangers zijn verstrekt en dat hieruit naar voren is gekomen dat dit niet het geval is. Dat, zoals [appellante] betoogt, het dossier geen verifieerbare gegevens van dit onderzoek bevat, het college dit onderzoek niet eerder dan in het kader van het tweede besluit op bezwaar heeft verricht, en in dat besluit niet nader is gemotiveerd hoe de gegevensverstrekking aan IZA Cura, die niet in het register is vermeld, alsnog is vastgesteld, kan niet leiden tot een ander oordeel, reeds omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar gegevens aan andere ontvangers zijn verstrekt.

Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, vallen de wijze waarop de gemeente Maastricht informatie heeft verstrekt aan IZA Cura en de vraag of dit rechtmatig is gebeurd, buiten de omvang van het geding. Het betoog van [appellante] dat de criteria voor het verstrekken van gegevens uit het uitkeringssysteem GWS4all in dit geval niet van toepassing zijn, kan in deze procedure daarom niet aan de orde komen.

2.4. Nu het college niet in gebreke is met het verstrekken aan [appellante] van een volledig overzicht van de verwerking van haar persoonsgegevens dient haar verzoek om het college op grond van artikel 49 van de Wbp te veroordelen tot betaling van een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, te worden afgewezen.

2.5. Ten slotte komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college in het kader van het toekennen van proceskosten terecht geen punt heeft toegekend vanwege het indienen van een aanvullend bezwaarschrift op 23 september 2008. [appellante] wijst erop dat ingevolge artikel 6:4, eerste lid, van de Awb het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat de beslissing heeft genomen en ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar bevat. Gronden maken derhalve deel uit van het bezwaarschrift, zodat voor het indienen van de gronden ten onrechte geen punt is toegekend, aldus [appellante].

2.5.1. Het betoog slaagt niet. De Afdeling stelt vast dat de gemachtigde van [appellante] in de brief van 23 september 2008 alleen heeft gesteld dat een besluit moet worden genomen op het bezwaarschrift van [appellante] van 5 november 2007, gericht tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag van 1 oktober 2007. Nu dit reeds volgt uit de brief van het college van 10 juli 2008 en de brief van 23 september 2008, anders dan gesteld, geen gronden van het bezwaar bevat, heeft het college terecht geen punt toegekend vanwege het toesturen van deze brief. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010

350-598.