Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
200907497/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Bezuidenhoutseweg 30 t/m 216" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907497/1/R3.

Datum uitspraak: 21 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

De Bewonerscommissie Boze Emma, gevestigd te Den Haag,

appellant,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Bezuidenhoutseweg 30 t/m 216" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Bewonerscommissie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Bewonerscommissie heeft een nadere reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2010, waar de Bewonerscommissie, vertegenwoordigd door mr. P.L.G. van Velzen en [voorzitter], en de raad, vertegenwoordigd door drs. M. Houtman, werkzaam bij de gemeente, en C. van Duijn, bijgestaan door mr. J. Geelhoed, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.1. De raad stelt in zijn verweerschrift dat onvoldoende uit de stukken blijkt dat de Bewonerscommissie kan worden aangemerkt als een informele vereniging en dat haar beroep derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hierbij wijst de raad erop dat niet blijkt dat contributie van leden wordt geheven noch dat regelmatig ledenvergaderingen worden gehouden.

2.1.1. De Bewonerscommissie heeft desgevraagd een ledenlijst overgelegd. Hiermee is naar het oordeel van de Afdeling genoegzaam aangetoond dat er een ledenbestand is. Het feit dat van de leden geen contributie wordt geheven wordt niet van doorslaggevende betekenis geacht voor beantwoording van de vraag of sprake is van een ledenbestand.

Voorts is ter zitting onweersproken gesteld dat twee tot drie ledenvergaderingen per jaar worden gehouden. Dit blijkt onder meer uit de door Bewonerscommissie overlegde notulen. Verder wordt in dit verband van belang geacht dat onweersproken is gesteld dat de Bewonerscommissie een bestuur heeft. Uit de dossierstukken en hetgeen verhandeld ter zitting blijkt verder dat de Bewonerscommissie in het jaar 1980 is opgericht met als doelstelling de leefbaarheid van het gebied rond het Emmapark te handhaven en te verbeteren. Ter uitvoering van deze doelstelling neemt de Bewonerscommissie onder meer deel aan verschillende overlegvormen, onder andere met het gemeentebestuur.

Gelet op het voorgaande bezien in onderling verband en samenhang dient de Bewonerscommissie te worden aangemerkt als een organisatorisch verband dat is opgericht voor een bepaald doel en als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer. De Bewonerscommissie voldoet derhalve aan de in de uitspraak van 12 maart 2008, zaaknr. 200704378/1 genoemde vereisten om te kunnen worden aangemerkt als een informele vereniging. Er is gelet hierop geen grond voor niet-ontvankelijk verklaring van het beroep.

Ten aanzien van het beroep voor het overige

2.2. De Bewonerscommissie stelt zich op het standpunt dat het plan ten onrechte bebouwing in vijf lagen aan de Bezuidenhoutseweg mogelijk maakt waar dat nu nog niet het geval is. Hiertoe voert de Bewonerscommissie aan dat dit de straatwand vanaf de Koningin Marialaan in noordoostelijke richting aantast. De motivering van de raad hieromtrent acht de Bewonerscommissie niet steekhoudend.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toestaan van een bouwhoogte van vijftien meter aan de Bezuidenhoutseweg geen aantasting van de stedenbouwkundige waarden in het plangebied tot gevolg heeft nu een groot deel van de bebouwing aan de Bezuidenhoutseweg al die hoogte heeft. Voorts merkt de raad op dat de Bezuidenhoutseweg in de "Structuurvisie Den Haag 2020", is aangemerkt als een doorgaande weg en dat aan doorgaande wegen bebouwing in vijf lagen gewenst is.

2.2.2. Aan het onderwerpelijke plandeel is de bestemming "Gemengd -2" gegeven. Ingevolge artikel 4.2.1., aanhef en onder b, van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding mag de hoogte van de gebouwen waarop het beroep ziet niet meer dan vijftien meter bedragen. Op deze gronden rust tevens de dubbelbestemming "Waarde-cultuurhistorie". Ingevolge artikel 8.1, van de planregels gaan de regels bij de bestemming "Waarde-cultuurhistorie" voor de regels uit de voorgaande artikelen van de planregels. Ingevolge artikel 8.2, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen binnen de bestemming "Waarde-cultuurhistorie" dat dit zodanig dient plaats te vinden dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan aanwezige kwaliteiten, zoals deze zijn beschreven in - kort gezegd - het aanwijzingsbesluit tot beschermd stadsgezicht van het Haagse bos.

2.2.3. Het plangebied is bij besluit van 22 mei 2003 aangewezen als beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988. Het gebied wordt van algemeen belang geacht wegens zijn bijzondere landschappelijke, stedenbouwkundige en architectonische waarden.

In het Monumenten Inventarisatie Project (MIP), dat aan de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is voorafgegaan, is onder meer waarde gehecht aan de visuele en functioneel-historische relatie met het Haagse bos. De ligging van de bebouwing aan het Haagse bos wordt als belangrijke kwaliteit aangemerkt. Anderzijds wordt opgemerkt dat de bebouwing ook van invloed is op de beleving van het Haagse bos. Op de waarderingskaart bij het MIP is, voor zover van belang, de Bezuidenhoutseweg vanaf de Koningin Marialaan tot aan de Cornelis Houtmanstraat aangemerkt als een straatwand met stedenbouwkundige waarde, als een straatwand van de tweede orde. Dit zijn beeldondersteunende stratenensembles die dateren uit de periode van aanleg van de wijk.

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft de raad de "Structuurvisie Den Haag 2020" (hierna: Structuurvisie) vastgesteld. Op pagina 43 van de Structuurvisie is vermeld dat langs doorgaande wegen in principe wordt uitgegaan van een bouwhoogte van minimaal vijf lagen.

2.2.4. De maximaal toegestane bouwhoogte van vijftien meter binnen de onderwerpelijke bestemming is gelet op hetgeen vermeld onder 2.2.3, in overeenstemming met de Structuurvisie. Voorts is onweersproken gesteld dat een groot deel van de bebouwing ter plaatse al deze bouwhoogte kent en dat voor het merendeel van de gebouwen geldt dat, behoudens gehele nieuwbouw, geen extra bouwlaag kan worden gerealiseerd gelet op de bestaande hoogte in relatie tot de uitbreidingsmogelijkheden. In aanmerking verder genomen het bepaalde in artikel 8 van de planregels, in het bijzonder het prevalerende karakter daarvan, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de toegelaten bouwhoogte niet zal leiden tot aantasting van de stedenbouwkundige waarde van de straatwand of tot strijd met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht.

2.3. De Bewonerscommissie stelt voorts dat ten onrechte in het plan voor het perceel Bezuidenhoutseweg 98 is voorzien in de mogelijkheid tot het realiseren van een deels ondergrondse parkeervoorziening. Zij acht dit een inbreuk op de beleving van het Haagse bos.

2.3.1. Ten aanzien van de ondergrondse parkeervoorziening stelt de raad dat voldoende mogelijkheden resteren om het open tuinkarakter te behouden, nu de parkeervoorziening geheel ondergronds dan wel maximaal 0,9 meter boven peil zal worden gerealiseerd.

2.3.2. Op gronden met de bestemming "Gemengd-2" is het mogelijk om een gedeeltelijk ondergrondseparkeervoorziening te realiseren. Ingevolge artikel 4.2.1, aanhef en onder d, van de planregels mag een parkeervoorziening maximaal op 70% van de gronden worden gebouwd. Ingevolge artikel 4.2.1., aanhef en onder f, van de planregels mag de bovenzijde van de parkeervoorziening maximaal 0,90 meter boven peil liggen.

2.3.3. Voor zover de Bewonerscommissie betoogt dat de mogelijkheid tot het realiseren van een parkeervoorziening in strijd is met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht, faalt dit. Gelet op de omvang van de bouwmogelijkheid en de geringe ruimtelijke uitstraling die de bouwmogelijkheid tot gevolg heeft, heeft de raad in redelijkheid kunnen stellen dat deze niet in strijd is met genoemde aanwijzing. Niet aannemelijk is dat de beleving van het Haagse Bos ernstig zal worden aangetast. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ook op dit onderdeel van het plan artikel 8, voornoemd, van toepassing is zodat primair getoetst zal worden aan de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht.

2.4. De Bewonerscommissie kan zich niet verenigen met de in het plan opgenomen mogelijkheid om het gebouw van het Zandvlietcollege te voorzien van een extra bouwlaag en te verhogen tot twintig meter. Volgens de Bewonerscommissie is er geen aanleiding deze bouwmogelijkheid op te nemen gelet op de mogelijke verhuizing van de school. Indien toch gebruik wordt gemaakt van de bouwmogelijkheid, zal dit leiden tot extra schaduwwerking voor het Haagse bos, aldus de Bewonerscommissie.

2.4.1. De raad stelt dat het Zandvlietcollege enige uitbreidingsmogelijkheid wordt gegeven teneinde de school flexibiliteit te gunnen wat betreft mogelijke uitbreidingsplannen. Het Zandvlietcollege vervult in de onderwijsvoorziening in de regio een essentiƫle rol en het beleid van het gemeentebestuur is er derhalve op gericht deze regionale functie te behouden en zo mogelijk te versterken. Het gevelbeeld zal door de uitbreidingsmogelijkheid niet wezenlijk worden aangetast. De door de uitbreiding veroorzaakte schaduwwerking heeft geen consequenties voor het functioneren van het Haagse bos en de beleving ervan, aldus de raad.

2.4.2. Aan het onderwerpelijke plandeel is de bestemming "Maatschappelijk" gegeven. Ingevolge artikel 7.2.1., onder b, van de planregels, in samenhang bezien met de verbeelding, is het mogelijk dat het gebouw van het Zandvlietcollege wordt uitgebouwd tot een bouwhoogte van twintig meter.

2.4.3. Aannemelijk is dat de door de Bewonerscommissie genoemde plannen voor herhuisvesting van het Zandvlietcollege zich nog in een dusdanig vroeg stadium bevinden dat onduidelijk is of dit binnen de planperiode zal plaatsvinden. Gelet hierop en in aanmerking genomen de regionale functie van de school, is het niet onredelijk dat gedurende deze periode het Zandvlietcollege enige uitbreidingsmogelijkheid wordt geboden teneinde de eventuele groei op te kunnen vangen.

Naar het oordeel van de Afdeling zal deze uitbreiding van het Zandvlietcollege weliswaar enige extra schaduwwerking tot gevolg hebben, doch heeft de raad zich mede gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat dit niet onevenredig bezwarend is voor het functioneren van het Haagse bos en de beleving ervan. Hierbij wordt van belang geacht dat de bestaande belendingen al die hoogte kennen dan wel hoger zijn.

2.5. De Bewonerscommissie stelt verder dat de in het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van het SER gebouw met circa 4000 m2 vloeroppervlak niet noodzakelijk is noch dat deze is voorzien van een steekhoudende motivering. De Bewonerscommissie merkt in dit verband op dat de SER gebruik kan maken van omliggende vrijkomende kantoorruimte. Voorts stelt de Bewonerscommissie dat de uitbreiding ongewenst is gezien de schaduwwerking ervan op het Haagse bos. Ter zitting heeft de Bewonerscommissie hieraan toegevoegd dat de uitbreidingsmogelijkheid tevens een aantasting van het aanzicht van de Bezuidenhoutseweg tot gevolg heeft.

2.5.1. Naar aanleiding van een verzoek van de SER om uitbreidingsmogelijkheden voor zijn kantoorgebouw met 22.000 m2 vloeroppervlak, heeft de raad een uitbreidingsmogelijkheid met 4000 m2 aanvaardbaar geacht. Een dergelijke uitbreiding heeft volgens de raad geen aantasting van het aanzicht van de Bezuidenhoutseweg tot gevolg en evenmin consequenties voor het functioneren van het Haagse bos en de beleving ervan.

2.5.2. Het perceel van de SER heeft de bestemming "Kantoor" alwaar, ingevolge artikel 6 van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding, mogelijk wordt gemaakt dat de SER kan uitbreiden met een vloeroppervlakte van circa 4000 m2. De uitbreiding wordt deels mogelijk gemaakt doordat de maximaal toegestane bouwhoogte in het plan wordt verhoogd van 15 tot 21 meter en deels doordat aan de voorzijde kan worden uitgebouwd.

2.5.3. Aannemelijk is dat de SER behoefte heeft aan een uitbreidingsmogelijkheid voor zijn kantoorgebouw. Aangaande de stelling van de Bewonerscommissie ten aanzien van andere leegstaande panden overweegt de Afdeling dat het standpunt van de raad dat niet van de SER kan worden verlangd dat hij verhuist, niet onredelijk is.

Vaststaat dat andere delen van het gebouw van de SER al 34 en 21 meter hoog zijn. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen is bepaald in artikel 8, voornoemd, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de schaduwwerking niet onevenredig bezwarend is noch dat de uitbreiding een ernstige aantasting van het aanzicht van de Bezuidenhoutseweg tot gevolg heeft.

2.5.4. De conclusie is dat hetgeen de Bewonerscommissie heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestreden onderdelen van het plan strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. De Rooy

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010

59-647.