Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1064

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
200905312/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2009 heeft het college aan Brand lasten onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de voorschriften 2.2 en 1.1 van de respectievelijk op 6 juni 2001 en 23 oktober 2007 krachtens de Wet milieubeheer aan haar verleende vergunningen voor haar inrichting op het perceel Brouwerijstraat 2-10 te Wijlre, gemeente Gulpen-Wittem.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/4522
JB 2010/136
JOM 2010/430
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905312/1/M1.

Datum uitspraak: 14 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Gulpen-Wittem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Brand Bierbrouwerij B.V., gevestigd te Wijlre, gemeente Gulpen-Wittem,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2009 heeft het college aan Brand lasten onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de voorschriften 2.2 en 1.1 van de respectievelijk op 6 juni 2001 en 23 oktober 2007 krachtens de Wet milieubeheer aan haar verleende vergunningen voor haar inrichting op het perceel Brouwerijstraat 2-10 te Wijlre, gemeente Gulpen-Wittem.

Bij besluiten van 23 juni 2009 heeft het college de door [appellant sub 1] en Brand hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2009, en Brand bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 18 augustus 2009.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd met zaak 200905313/1/M1 behandeld op 5 maart 2010, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. P. Baur, advocaat te Landgraaf, en Brand, vertegenwoordigd door mr. H.H.F. Jansen, F.A.M. van Hoof en O.A.M. Beckers, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Abbas, ing. M.G.H.J. van der Venne, R.J.G. Arninkhof, allen werkzaam bij de gemeente, en J.P.C. Vissers, werkzaam bij de provincie Limburg, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Bij brief van 22 mei 2008 heeft [appellant sub 1], na eerder klachten bij het college te hebben ingediend betreffende geluid- en trillingoverlast ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting van Brand, het college verzocht hiertegen handhavend op te treden. Bij besluit van 5 februari 2009 heeft het college Brand lasten onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de geluidvoorschriften 2.2 en 1.1 van de respectievelijk op 6 juni 2001 en 23 oktober 2007 krachtens de Wet milieubeheer aan Brand verleende vergunningen voor de aanvoer en opslag van grond- en hulpstoffen, het brouwen van bier, het afvullen van bier in fusten en flessen, de aan- en afvoer van bier, de afvoer van reststoffen en afvalwater en opslag op het terrein van de inrichting.

2.2. Brand betoogt dat het college haar, nadat zij in 2008 vragen over geluid had beantwoord en een tijdelijk geluidlek had gedicht, in strijd met de door het college omarmde 'Gezamenlijke Sanctie- en Gedoogstrategie Limburg', op 5 januari 2009 een voornemen om een last onder dwangsom op te leggen met een meetrapport uit november 2008 heeft toegezonden. Volgens Brand was dit in strijd met voornoemde beleidsnota, omdat het college niet eerst termijn heeft gesteld voor het verminderen van het geluidniveau en niet eerst een hercontrole heeft uitgevoerd. Ook heeft zij geen gelegenheid gekregen om op het meetrapport te reageren, aldus Brand.

2.2.1. Het college voert aan dat het vanaf maart 2008 tijdens controlebezoeken aan Brand heeft meegedeeld dat klachten waren binnengekomen betreffende geluid- en trillingoverlast. Brand heeft volgens het college toegezegd duidelijkheid te zullen verschaffen over door haar te verrichten geluidmetingen. Bij brief van 4 juni 2008 heeft het college Brand uitdrukkelijk verzocht binnen vier weken duidelijkheid te verschaffen over door haar toegezegde geluidmetingen en de resultaten daarvan en gegevens over het vermogen van de nieuwe koolzuurinstallatie over te leggen. Het hierop ontvangen antwoord gaf volgens het college onvoldoende duidelijkheid. Daarom heeft het college op 5 november 2008 een geluidmeting laten uitvoeren, die volgens het college kan worden aangemerkt als hercontrole. Daaruit is voortgekomen dat vergunningvoorschriften werden overtreden. Het college stelt Brand bij brief van 5 januari 2009 nogmaals op de hoogte te hebben gesteld van de klachten en van het voornemen een last onder dwangsom op te leggen, waarbij Brand de mogelijkheid is geboden een zienswijze kenbaar te maken. Omdat Brand sinds maart 2008 op de hoogte is geweest van klachten c.q. overtredingen, heeft zij volgens het college voldoende tijd gehad om de overtredingen te beëindigen en is volgens het college conform het eigen beleid gehandeld.

2.2.2. Volgens paragraaf 2.1.1 van de door het college gehanteerde 'Gezamenlijke Sanctie- en Gedoogstrategie Limburg' wordt, voor zover hier van belang, na de constatering van een overtreding van een gekwalificeerde kernbepaling eerst een termijn gesteld waarbinnen de overtreding ongedaan gemaakt moet worden. Indien bij hercontrole blijkt dat de overtreding niet ongedaan is gemaakt en er geen overmacht is gebleken, wordt de procedure om te komen tot een bestuursrechtelijke maatregel gestart met het bieden van gelegenheid om zienswijze(n) kenbaar te maken. Tot slot wordt een besluit genomen over het daadwerkelijk toepassen en effectueren van bestuursdwang c.q. het opleggen van een last onder dwangsom.

2.2.3. Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.2.4. De Afdeling overweegt dat een gemeentelijke medewerker handhaving naar aanleiding van geluid- en trillingklachten op 23 april 2008 een controlebezoek aan de inrichting heeft gebracht en daarbij Brand heeft verzocht opheldering te verschaffen wanneer bepaalde werkzaamheden zouden worden beëindigd, wanneer de dorpel zou worden hersteld, wat de inrichting zou gaan doen aan het voorkomen van geluid- en trillinghinder en wat het vermogen is van de nieuwe koolzuurinstallatie. Bij brief van 4 juni 2008 heeft het college aan Brand meegedeeld dat de vragen gedeeltelijk waren beantwoord en Brand verzocht binnen vier weken de resultaten van de toegezegde geluidmeting en gegevens over het vermogen van de nieuwe koolzuurinstallatie in te zenden.

Nu ten tijde van de brief van 4 juni 2008 nog steeds geen overtredingen waren geconstateerd, kan niet worden gezegd dat met deze brief een termijn is gesteld waarbinnen de overtreding ongedaan moest worden gemaakt. Evenmin kan de meting van 5 november 2008 worden aangemerkt als hercontrole, nu nog geen overtreding was vastgesteld.

Immers, eerst bij deze geluidmeting van 5 november 2008 zijn overtredingen van de vergunningvoorschriften geconstateerd. Hierna is direct een voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom bekendgemaakt, zonder dat Brand een termijn is gesteld waarbinnen de overtreding ongedaan moest worden gemaakt en een hercontrole was uitgevoerd.

Gelet hierop is het bestreden besluit niet genomen overeenkomstig het in 2.2.2 bedoelde beleid van het college. Niet gesteld is dat er bijzondere omstandigheden waren, die het college noopten van het door hem gevoerde beleid af te wijken. Het college heeft bij het opleggen van de lasten onder dwangsom dan ook gehandeld in strijd met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat het aspect trillinghinder ten onrechte niet is meegenomen in het dwangsombesluit. De bezwaarschriftencommissie, wier advies het college in zoverre heeft gevolgd, heeft volgens [appellant sub 1] ten onrechte gesteld dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat [appellant sub 1] ook trillinghinder heeft bedoeld.

2.3.1. Het college voert aan dat [appellant sub 1] in zijn verzoek om handhaving van 22 mei 2008 slechts heeft gesteld hinder te ondervinden van de installatie. Volgens het college kan daaruit niet worden afgeleid dat daarmee ook trillinghinder is bedoeld.

2.3.2. Hoewel in het handhavingsverzoek van [appellant sub 1] van 22 mei 2008 de hinderaspecten niet zijn gespecificeerd, moet dit verzoek worden gezien in samenhang met klachten die [appellant sub 1] bij het college kenbaar heeft gemaakt. Blijkens de brief van het college aan Brand van 4 juni 2008 had het controlebezoek dat de medewerker handhaving op 23 april 2008 aan de inrichting bracht, betrekking op geluid- en trillingklachten. Volgens het besluit van 5 februari 2009 zijn op 17 maart 2008 en 23 april 2008 klachten ontvangen over geluid- en trillingoverlast. Voorts heeft het college in dit besluit vermeld dat het bij brief van 22 mei 2008 een verzoek om handhaving heeft ontvangen betreffende de geluid- en trillingoverlast.

Er moet dan ook van worden uitgegaan dat het verzoek van 22 mei 2008 mede op trillinghinder betrekking had. Bij het primaire besluit heeft het college dit miskend. Het college heeft het bezwaar van [appellant sub 1] in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht ongegrond verklaard, voor zover het college daarbij heeft miskend dat het primaire besluit ook op trillinghinder betrekking had moeten hebben.

2.4. Het beroep van Brand is reeds op grond van hetgeen onder 2.2.4 is overwogen gegrond. Het beroep van [appellant sub 1] is op grond van hetgeen is overwogen onder 2.3.2 gegrond. Hetgeen Brand en [appellant sub 1] voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking. De besluiten van 23 juni 2009 komen voor vernietiging in aanmerking. Het primaire besluit van 5 februari 2009 zal worden herroepen.

2.5. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van Brand niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Brand Bierbrouwerij B.V. gegrond;

II. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem van 23 juni 2009, kenmerk U.09.03192 en kenmerk U.09.03193;

III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem van 5 februari 2009, kenmerk U.09.00534;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Brand Bierbrouwerij B.V. vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010

271-650.