Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1049

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
200908305/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 14 oktober 2009, in zaak nr. 200901484/1, heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2010/24 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908305/1/M1.

Datum uitspraak: 14 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

verzoeker,

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2009, in zaak nr. 200901484/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 14 oktober 2009, in zaak nr. 200901484/1, heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2009, heeft [verzoeker] de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 maart 2010, waar [verzoeker] en [gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht, vertegenwoordigd door mr. M.E. Verheijen, advocaat te Barendrecht, en A. Goedhart, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. [verzoeker] stelt dat in de uitspraak van 14 oktober 2009, waarin de Afdeling heeft overwogen dat na plaatsing van de ondergrondse container op de gekozen locatie nr. 0910 voor de uitrit van zijn garage een breedte van ongeveer drie meter beschikbaar is, zodat de toegang voldoende breed is om er een auto te stallen, geen rekening is gehouden met de brief van de gemeente Barendrecht van 22 september 2009. Uit deze brief volgt dat restafval zoals tuinafval, oud papier en oud ijzer buiten het stalen loopvlak van de container moet worden geplaatst met het gevolg dat de toegang tot zijn garage voor motorvoertuigen helemaal onmogelijk wordt wanneer het betreffende afval daarvoor gedeponeerd wordt, aldus [verzoeker].

2.3. De brief van de gemeente Barendrecht van 22 september 2009 bepaalt, voor zover het betreft tuinafval, oud papier en oud ijzer:

"- de inzameling van het tuinafval, oud papier en oud ijzer verandert niet! U kunt uw tuinafval één keer in de twee weken aanbieden. Het oud papier en oud ijzer wordt maandelijks opgehaald;

- als er een ondergrondse container wordt geplaatst op de huidige h-plek (huisvuilplek), dient u uw tuinafval (een keer in de twee weken), oud papier (maandelijks) en oud ijzer (maandelijks) buiten het stalen loopvlak van de containers te plaatsen. Op deze manier blijft de container bereikbaar voor het inwerpen van huishoudelijk afval en voor de inzameldienst die de containers leegt;

- het kan zijn dat op de huidige h-plek géén ondergrondse container wordt geplaatst. In dat geval gebruikt u deze plek voor het aanbieden van uw tuinafval (een keer in de twee weken), oud papier (maandelijks) of oud ijzer (maandelijks);".

2.4. De h-plek is gelegen aan de overzijde van de Mazurkastraat en niet gelegen rondom het stalen loopvlak van de ondergrondse container. Uit het hierboven weergegeven gedeelte van de brief van 22 september 2009, meer specifiek het derde gedachtestreepje, volgt dat de toegang tot de berging van [verzoeker] geheel vrij blijft bij plaatsing van het restafval op de h-plek. De door [verzoeker] gestelde feiten en omstandigheden zouden derhalve niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden, zodat niet aan het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht is voldaan.

2.5. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010

159-209.