Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1045

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
200907650/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) aan [appellant sub 1] € 7.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, ter vergoeding van planschade toegekend.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/2022 met annotatie van T. ten Have
JB 2010/138
JOM 2010/417
JOM 2010/431
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907650/1/H2.

Datum uitspraak: 14 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Leudal,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 augustus 2009 in zaak nr. 08/1439 in het geding tussen:

appellant sub 1

en

appellant sub 2.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) aan [appellant sub 1] € 7.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij besluit van 29 juli 2008 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college aan [appellant sub 1] € 20.000,00 ter vergoeding van planschade dient te betalen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het college bij brieven, elk bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft de gronden aangevuld bij brief van 30 oktober 2009.

[appellant sub 1] en het college hebben elk een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 2 maart 2010, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. I.L. van Geel, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door P.M.J.J. Heldens, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die wet luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover een belanghebbende ten gevolge van een vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of zich een wijziging van het planologische regime heeft voorgedaan, waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan deze schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat die schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van het oude planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd en na de planologische maatregel maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.2. [appellant sub 1], eigenaar van het perceel met woning aan de [locatie A] te [plaats], heeft verzocht om vergoeding van de waardevermindering van zijn woning ten gevolge van een krachtens artikel 19 WRO verleende vrijstelling die de oprichting van een vrijstaande woning op het perceel [locatie B] op 6,5 meter van zijn perceel mogelijk heeft gemaakt. Het perceel [locatie B] is in 2007 gevormd door afsplitsing van het perceel [locatie C]. Op het resterende deel van perceel [locatie C] staan schuren en een aangebouwde woning bij de agrarische onderneming die hier werd geëxploiteerd.

2.2.1. Voorheen gold voor de gronden, waarop de vrijstaande woning is voorzien, het door de raad van de voormalige gemeente Haelen op 28 februari 2000 vastgestelde bestemmingsplan "Kern Horn", goedgekeurd door gedeputeerde staten van Limburg op 17 oktober 2000. Dit bestemmingsplan geldt nog voor de overige gronden van het perceel [locatie B] en voor het perceel [locatie C].

Ingevolge artikel 25, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften, kunnen burgemeester en wethouders, voor zover thans van belang, vrijstelling verlenen van de in artikel 6 vermelde maten en percentages, mits de afwijking niet meer dan 10% bedraagt en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

2.2.2. Het college heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan

Van Oosten Planschade Advies BV (hierna: Van Oosten), die hem in september 2007 heeft geadviseerd dat onder het oude planologische regime de mogelijkheid bestond om circa 22,5 meter ten westen van het perceel van [appellant sub 1] een woning met drie bouwlagen op te richten en een bijgebouw op 2,25 meter van zijn perceel, met een oppervlakte van 125 m², een goothoogte van 3,3 meter en met een forse kapconstructie, waardoor een totale bouwhoogte hoger dan 8,7 meter bereikt kon worden. De planologische wijziging heeft volgens Van Oosten geen vermindering van het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 1] en de lichtinval op zijn perceel tot gevolg, omdat de bebouwingsafstand is toegenomen en de hoogte van de mogelijke bebouwing 'minimaal vergelijkbaar' is. De wijziging heeft volgens het advies wel een toename van de gebruiksintensiteit van het aangrenzende perceel tot gevolg, omdat thans op kortere afstand van zijn perceel woonbebouwing kan worden gerealiseerd. Deze toename heeft vanwege de onder het oude planologische regime mogelijke forse bebouwing- en gebruiksmogelijkheden evenwel slechts een zeer beperkte vermindering van zijn privacy tot gevolg. Volgens Van Oosten bedroeg de waarde van de woning op peildatum november 2005 vóór de planologische wijziging € 595.000,00 en bedraagt de schade € 10.000,00.

Van Oosten heeft de raad op 30 oktober 2007 nader geadviseerd en de waarde van de woning op peildatum november 2005 vóór de planologische wijziging verlaagd op € 425.000,00 gesteld en de door [appellant sub 1] geleden planschade op € 7.000,00.

2.2.3. [appellant sub 1] heeft in bezwaar een rapport van Gloudemans Taxatie- en adviesbureau (hierna: Gloudemans) van 16 juni 2008 overgelegd. Volgens dat rapport kan de mogelijkheid om onder het oude planologische regime een bijgebouw op een afstand van 2,25 meter van het perceel op te richten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten, omdat de oppervlakte van de op het aangrenzende perceel bestaande bijgebouwen reeds groter was dan het bestemmingsplan toestond. Het rapport stelt dat door de toename van de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het aangrenzende perceel een beperking van het zicht vanuit de woning van [appellant sub 1] optreedt, toename van de schaduwwerking in zijn tuin, vermindering van zijn privacy en aantasting van de relatief vrije ligging van zijn woning. Volgens het rapport bedroeg de waarde van de woning op de peildatum 10 november 2005 vóór de planologische wijziging € 495.000,00 en daarna € 470.000,00, zodat de schade € 25.000,00 bedraagt.

2.2.4. Aan het besluit van 29 juli 2008 heeft het college, met verwijzing naar een advies van de commissie bezwaarschriften en het advies van Van Oosten van 30 oktober 2007, ten grondslag gelegd dat de mogelijkheid om onder het oude planologische regime een bijgebouw op een afstand van 2,25 meter van het perceel op te richten niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, omdat bestaande bijgebouwen op het aangrenzende perceel konden worden verwijderd ten gunste van een nieuw bijgebouw.

2.2.5. De rechtbank heeft de stichting Stichting Adviesbureau Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) als deskundige benoemd, die haar op 29 juni 2009 bericht heeft uitgebracht.

De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, met verwijzing naar dat bericht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de mogelijkheid om onder het oude planologische regime een bijgebouw op een afstand van 2,25 meter van het perceel op te richten niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten. Zij heeft het besluit van 29 juli 2008 evenwel vernietigd, omdat de daaraan ten grondslag liggende planvergelijking onjuist is en met verwijzing naar de door de StAB gemaakte planvergelijking de te vergoeden planschade bepaald.

2.3. Ambtshalve wordt het volgende overwogen. Bij brief van 12 januari 2009 heeft de rechtbank onder meer aan de StAB verzocht haar te adviseren over de juistheid van de door Van Oosten gemaakte planvergelijking. Het aan haar voorgelegde geschil was echter door de aangevoerde beroepsgronden beperkt tot de vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de mogelijkheid om onder het oude planologische regime een bijgebouw op een afstand van 2,25 meter van het perceel op te richten niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, de planologische wijziging dientengevolge een zeer beperkte verslechtering betekent en de schade € 7.000,00 bedraagt. [appellant sub 1] heeft met name geen beroepsgronden aangevoerd met betrekking tot het maximaal aantal toegestane bijgebouwen op het aangrenzend perceel en de volgens het bestemmingsplan maximaal toegestane bouwhoogte en oppervlakte van een bijgebouw. Nu de rechtbank met verwijzing naar het aan haar uitgebrachte bericht van de StAB heeft overwogen dat het college bij de planvergelijking ten onrechte is uitgegaan van een te klein aantal mogelijk op te richten bijgebouwen op het aangrenzende perceel, van een te kleine oppervlakte en een te grote hoogte voor een bijgebouw, is zij daarmee buiten het geschil getreden en heeft zij ten onrechte met verwijzing naar de door de StAB gemaakte planvergelijking en gestelde schade zelf in de zaak voorzien. De aangevallen uitspraak dient deswege te worden vernietigd.

2.4. Het door het college ingestelde hoger beroep is reeds daarom gegrond en behoeft geen verdere bespreking. Het door [appellant sub 1] ingestelde hoger beroep, dat er vanuit gaat dat de rechtbank het StAB bericht volgend terecht zelf in de zaak heeft voorzien, is ongegrond.

2.5. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.

2.6. Over de tegen het oordeel van het college dat de mogelijkheid om onder het oude planologische regime een bijgebouw op een afstand van 2,25 meter van het perceel op te richten niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten voorgedragen beroepsgronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet langer is opgekomen. Voorts is er geen nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die beroepsgronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen dientengevolge thans buiten het geding.

2.7. Voor zover [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat het college heeft miskend dat de oprichting van een bijgebouw met een forse kap met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, faalt dat betoog evenzeer. De enkele stelling dat de maximaal toegestane goothoogte slechts 3,30 meter bedraagt is daartoe onvoldoende.

2.8. [appellant sub 1] voert evenzeer tevergeefs aan dat van de in artikel 25, eerste lid, onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Kern Horn" neergelegde vrijstellingsbevoegdheid geen gebruik zou worden gemaakt, omdat zijn belangen dan onevenredig zouden worden geschaad. Nu er geen wettelijke voorschriften zijn die aan de gebruikmaking van deze vrijstellingsbevoegdheid in de weg stonden, kan niet worden uitgesloten dat een belangenafweging tot gevolg zou hebben gehad dat het college van deze bevoegdheid gebruik zou maken.

2.9. [appellant sub 1] heeft verder aangevoerd dat het college de planologische wijziging ten onrechte op advies van Van Oosten heeft aangemerkt als een slechts zeer beperkte verslechtering. Hij wijst ter toelichting op het rapport van Gloudemans en stelt dat de planologische wijziging niet alleen tot gevolg heeft dat de vrije ligging van zijn woning en het zicht vanuit zijn woning verloren gaan, maar dat hierdoor ook het karakter van zijn omgeving is veranderd.

2.9.1. Het college heeft in het rapport van Gloudemans, waarin onder meer gesteld wordt dat de planologische wijziging een aantasting van de vrije ligging van de woning van [appellant sub 1] betekent en een beperking van het zicht vanuit zijn woning, geen aanleiding hoeven zien om het advies van Van Oosten onjuist te achten. Dat rapport gaat ten onrechte voorbij aan de mogelijkheid om onder het oude planologische regime een bijgebouw op een afstand van 2,25 meter van het perceel op te richten en is aldus niet gebaseerd op een juiste planologische vergelijking. [appellant sub 1] heeft zijn stelling dat het karakter van de omgeving van zijn perceel door de planologische wijziging is veranderd niet met een rapport van een deskundige aannemelijk gemaakt.

Het betoog faalt.

2.10. [appellant sub 1] betoogt ook tevergeefs dat het college ten onrechte met verwijzing naar het advies van Van Oosten van 30 oktober 2007 de planschade op € 7.000,00 heeft vastgesteld, omdat onduidelijk is, waarom Van Oosten de waarde van zijn woning aanvankelijk heeft geschat op € 595.000,00 en daarna verlaagd heeft geschat op € 425.000,00. Bij brief van 30 oktober 2007 heeft Van Oosten medegedeeld dat de taxateur een 'doorrekenfout' heeft gemaakt, waardoor in het eerdere advies een onjuiste waarde van de woning en van de daaraan gerelateerde planschade vermeld stond. Voorts heeft de StAB op 29 juni 2009 aan de rechtbank bericht dat zij in de omvang van de correctie geen aanleiding ziet om de juistheid van de uiteindelijke waarde van € 425.000,00 in twijfel te trekken.

2.11. Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het door [appellant sub 1] ingestelde hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het door het college van burgemeester en wethouders van Leudal ingestelde hoger beroep gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 augustus 2009 in zaak nr. 08/1439;

IV. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010

344.