Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1044

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
200907330/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 9 maart 2007 heeft [appellant] bij de afdeling Consulaire Zaken van de Nederlandse ambassade in Suriname een aanvraag ingediend om afgifte van een Nederlands paspoort voor zijn minderjarige dochter [naam dochter]. Bij besluit van 24 april 2007 heeft de minister deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907330/1/H3.

Datum uitspraak: 14 april 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Paramaribo (Suriname),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 augustus 2009 in zaak nr. 08/8327 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Op 9 maart 2007 heeft [appellant] bij de afdeling Consulaire Zaken van de Nederlandse ambassade in Suriname een aanvraag ingediend om afgifte van een Nederlands paspoort voor zijn minderjarige dochter [naam dochter]. Bij besluit van 24 april 2007 heeft de minister deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A. Jankie, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door J. de Kubber, werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9 van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 dient de verklaring van toestemming, als bedoeld in de artikelen 34 tot en met 37 van de Paspoortwet, schriftelijk te worden overgelegd.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, wordt een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51 niet in behandeling genomen.

2.2. Niet in geschil is dat de kantonrechter te Paramaribo de moeder bij vonnis van 28 juli 2005 heeft belast met de zorg voor de dochter. Bij dat vonnis is tevens de ouderlijke macht van [appellant] over de dochter geschorst, totdat definitief in de voogdij is voorzien. [appellant] heeft daartegen geen rechtsmiddel aangewend.

Bij vonnis van 4 oktober 2006 heeft de kantonrechter te Paramaribo de voogdij over de dochter aan de moeder toegewezen. Tegen dat vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

2.3. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat daarbij geen verklaring van toestemming voor de aanvraag van de moeder, die ingevolge het vonnis van 28 juli 2005 het gezag over de dochter heeft, is overgelegd.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, zolang de gerechtelijke procedure betreffende het gezag over de dochter nog voortduurt, de minister geen bevoegdheid heeft zich hierover uit te spreken.

Voorts heeft zij volgens hem miskend dat de minister gehouden is voor de dochter een Nederlands paspoort af te geven, aangezien zij de Nederlandse nationaliteit heeft. De eventuele en bovendien subjectieve vrees van de moeder voor ontvoering mocht voor de minister geen grond zijn om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Bovendien is het in belang van de dochter dat zij een paspoort krijgt en mag zij niet het slachtoffer worden van de juridische strijd tussen haar ouders, aldus [appellant].

2.4.1. Dat betoog faalt. Dat nog niet onherroepelijk over de voogdij over de dochter is beslist, doet er niet aan af dat het vonnis van 28 juli 2005, waarbij het ouderlijk gezag van [appellant] over de dochter is geschorst, gezag van gewijsde heeft. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat [appellant] geen gezag over de dochter heeft.

Voorts was, anders dan [appellant] betoogt, de gestelde omstandigheid dat de dochter de Nederlandse nationaliteit heeft, niet voldoende voor de minister om de paspoortaanvraag te behandelen. Bij een paspoortaanvraag door of ten behoeve van een minderjarige is een verklaring van toestemming vereist van iedere persoon die het gezag over de desbetreffende minderjarige uitoefent. Indien zodanige verklaring ontbreekt, mag de minister de aanvraag niet in behandeling nemen. Voor een afweging van belangen, zoals [appellant] die voor ogen staat, laat artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet geen ruimte.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

176-611.