Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1043

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
200906558/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) aan [wederpartij] een verklaring van geschiktheid afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A, B en E bij B met de beperking "alleen tijdens privégebruik" (code 100).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906558/1/H3.

Datum uitspraak: 14 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 juli 2009 in zaak nr. 07/2265 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) aan [wederpartij] een verklaring van geschiktheid afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A, B en E bij B met de beperking "alleen tijdens privégebruik" (code 100).

Bij besluit van 13 juli 2007 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juli 2009, verzonden op 20 juli 2009, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 juli 2007 vernietigd en het CBR opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 augustus 2009.

Bij besluit van 31 augustus 2009 heeft het CBR opnieuw beslissend het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 8 februari 2007 ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft een verweerschrift en een reactie op het besluit van 31 augustus 2009 ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2010, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.C.A. van den Hil-van Vliet, werkzaam bij het CBR, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. H.P. Verheyen, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) registreert het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel registreert het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR aan de bij de ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen slechts voldoet indien hij het door hem te besturen motorrijtuig gebruikt voor privé doeleinden, die beperking in het rijbewijzenregister door middel van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering.

In de bijlage behorende bij de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid, zoals gewijzigd op 2 juni 2004 (Stcrt. 2004, 106), is onder code 100 vermeld: "alleen tijdens privégebruik".

Ingevolge artikel 1 van de Regeling eisen geschiktheid 2000, zoals gewijzigd op 2 juni 2004 (Stcrt. 2004, 106; hierna: de Regeling) wordt verstaan onder groep 1: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën A, B, B+E en onder groep 2: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën C, C+E, D en D+E.

Ingevolge artikel 2 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In hoofdstuk 7.6 van deze bijlage met als opschrift "Doorbloedingsstoornissen van de hersenen" is bepaald dat doorbloedingsstoornissen van de hersenen omvatten beroerten (hersenbloeding of herseninfarct, ook wel CVA), TIA's (transient ischemic attacks), verwijdingen van slagaders (aneurysmata) en andere vaatmisvormingen van de hersenen omvatten.

In paragraaf 7.6.1. staat dat strenge eisen moeten worden gesteld aan aanvragers van een rijbewijs van groep 1, die dit rijbewijs beroepsmatig gebruiken. Aan hen moeten daarom dezelfde eisen worden gesteld als aan personen met een groep 2-rijbewijs. Aanvragers van een groep 1-rijbewijs die niet tevens voldoen aan de eisen voor groep 2, kunnen daarom in beginsel alleen geschikt worden verklaard als het gebruik wordt beperkt tot privégebruik.

In paragraaf 7.6.1.2. van de bijlage staat dat men na een beroerte ongeschikt is voor rijbewijzen van groep 1 voor een periode van zes maanden. Na die termijn is een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een neuroloog of een revalidatiearts. Bij afwezigheid van geestelijke en lichamelijke functiestoornissen bestaat geschiktheid voor onbepaalde tijd. Als er functiestoornissen aanwezig zijn volgt een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid. Bij een positieve rijtest is de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar.

In paragraaf 7.6.2.2. staat dat na een beroerte personen ongeschikt zijn voor rijbewijzen van groep 2 voor een periode van vijf jaar. Zij kunnen na deze periode weer geschikt worden verklaard als uit het neurologisch rapport blijkt dat zij vrij zijn van geestelijke of lichamelijke functiestoornissen.

2.2. Het CBR heeft de gevraagde verklaring van geschiktheid afgegeven met de beperking "alleen tijdens privégebruik", omdat [wederpartij] niet vrij is van functiestoornissen. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de rapporten van dr. M.M. Veering, neuroloog, en H.J. Dragt (hierna: Dragt), oogarts, waaruit blijkt dat [wederpartij] op 10 september 2000 een cerebro vasculair accident (hierna: CVA) heeft doorgemaakt met een homonieme hemianopsie rechts als restverschijnsel.

2.3. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar, waarin het CBR haar besluit heeft gehandhaafd, vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Zij heeft overwogen dat uit de overgelegde rapporten niet blijkt of een restverschijnsel moet worden aangemerkt als een functiestoornis.

2.4. Het CBR voert aan dat de rechtbank het beroep van [wederpartij] niet-ontvankelijk had moeten verklaren vanwege het ontbreken van belang daarbij, nu hij inmiddels beschikte over een geschiktheidsverklaring met code 101. Deze code staat voor de beperking: "tijdens privégebruik en tijdens beroepsmatig gebruik, niet zijnde vervoer van personen of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uur per dag." Hiertegen is [wederpartij] niet opgekomen.

2.4.1. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank heeft [wederpartij] gesteld dat zijn belang bij deze procedure is gelegen in het verkrijgen van een rijbewijs zonder beperkingen. De rechtbank heeft, naar het oordeel van de Afdeling terecht, op grond hiervan procesbelang aangenomen en het beroep derhalve terecht niet niet-ontvankelijk verklaard. Deze grond slaagt niet.

2.5. Het CBR heeft voorts, onder verwijzing naar een brief van haar hoofd Medische Zaken van 25 augustus 2009, tegen de uitspraak van de rechtbank aangevoerd dat een functiestoornis de gestoorde werking van een orgaan of lichaamsdeel is. Functiestoornissen die na het doormaken van een CVA niet verdwijnen, worden restverschijnselen genoemd. Het begrip restverschijnsel verwijst derhalve naar het niet verdwenen zijn van functiestoornissen. De oogaandoening van [wederpartij] is derhalve een functiestoornis die een restverschijnsel is van het CVA. Het CBR betoogt op grond hiervan dat zij voldoende heeft gemotiveerd dat op basis van de rapporten de paragrafen 7.6.1. en 7.6.2. van de bijlage op de situatie van [wederpartij] van toepassing zijn.

2.5.1. Dit betoog slaagt.

Zoals blijkt uit het rapport van Dragt van 11 januari 2007 heeft [wederpartij] als gevolg van een CVA in 2000 een homonieme hemianopsie rechts. Deze homonieme hemianopsie is ook geconstateerd bij neurologisch onderzoek door Veering, zo staat in zijn rapport van 26 januari 2007. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de vaststelling van de diagnose homonieme hemianopsie, het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] niet vrij is van lichamelijke functiestoornissen en dat hij derhalve niet voldoet aan de eisen voor groep-2 houders als bedoeld in paragraaf 7.6.2.2. van de bijlage. Het feit dat Dragt in een brief van 30 november 2009 heeft geschreven dat de stoornis bij [wederpartij] geen functiebeperking oplevert noch het feit dat het restverschijnsel naar de opvatting van Dragt niet ernstig is, maken dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 februari 2004 in zaak nr. 200302580/1) anders, nu niet in geschil is dat de homonieme hemianopsie een stoornis van de oogfunctie is die het gevolg is van de doorgemaakte CVA.

2.5.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de overige gronden van het beroep tegen het besluit van 13 juli 2007 van het CBR beoordelen, voor zover die in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen nog van belang zijn.

2.6. [wederpartij] heeft allereerst aangevoerd dat hij niet behoort tot de houders van een rijbewijs van groep 1 die dit rijbewijs beroepsmatig gebruiken in de zin van de Regeling. Voorts heeft hij aangevoerd dat het CBR op inconsequente wijze toepassing heeft gegeven aan de Regeling door hem geen rijtest af te laten nemen.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2004 in zaak nr. 200303199/1) dient onder het begrip "beroepsmatig gebruik" niet alleen te worden verstaan de beroepen waarbij personen worden vervoerd, maar alle beroepsmatige activiteiten waarvoor een houder van een rijbewijs zich met de auto verplaatst. Vast staat dat [wederpartij] zijn rijbewijs zal gebruiken ten behoeve van zijn beroep als aannemer en in dat kader zijn over een groot gebied van Nederland verspreide cliënten per auto zal bezoeken. [wederpartij] zal mitsdien niet uitsluitend voor privédoeleinden van zijn rijbewijs gebruik maken. Daarom heeft het CBR zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik dat [wederpartij] maakt van zijn rijbewijs dient te worden aangemerkt als beroepsmatig gebruik in de zin van paragraaf 7.6.1 van de bijlage.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2004 in zaak nr. 200302724/1) maakt het feit dat [wederpartij] voorheen onder gelijke omstandigheden wel heeft beschikt over een rijbewijs zonder beperkingen en al die tijd schadevrij heeft gereden, niet dat het CBR in strijd met artikel 103, eerste lid, van het Reglement de gevraagde verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister dient in te schrijven. Evenmin ziet de Afdeling daartoe aanleiding in het feit dat het CBR hem niet heeft opgeroepen voor een rijtest. Het CBR heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [wederpartij] de rijtest in 2001 met positief resultaat heeft afgelegd, doch dat dit niet kan afdoen aan de op de medische situatie van [wederpartij] gebaseerde beslissing.

2.6.2. Het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep is ongegrond.

2.7. Het CBR heeft, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, bij besluit van 31 augustus 2009 opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] beslist. Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is aan dit besluit de grondslag komen te ontvallen. Het beroep tegen dit besluit is gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 juli 2009 in zaak nr. 07/2265;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 31 augustus 2009 gegrond;

V. vernietigt het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 31 augustus 2009, met kenmerk 50928791/MH.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010

290.