Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1042

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
200906500/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van het woonhuis op het perceel [locatie] te 's-Hertogenbosch (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906500/1/H1.

Datum uitspraak: 14 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats], (hierna: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 juli 2009 in zaak nr. 08/1639 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van het woonhuis op het perceel [locatie] te 's-Hertogenbosch (hierna: het perceel).

Bij besluit van 1 april 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2009, verzonden op dezelfde dag heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 augustus 2009.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.E. Izeboud, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.W.G.M. Christophe, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord [vergunninghouder], vergezeld van B. Zuurwelle, bijgestaan door mr. S. Oord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in bebouwing aan de rechterzijgevel van de woning en in een verhoging en uitbreiding van de woning aan de linkerzijgevel. De rechterzijgevel wordt tot bijna op de perceelgrens geplaatst. Het geschil betreft uitsluitend de verhoging en uitbreiding van de linkerzijgevel. Aan de linkerzijde van de woning is thans een uitbouw op de perceelgrens gebouwd. De bestaande linkergevel wordt verlengd van 10,4 m naar 14,1 m. De uitbreiding aan de linkerzijde bevindt zich deels aan de achterzijde van de woning. Er is sprake van twee dakvlakken. De maximale hoogte van 6,2 m wordt vergroot naar 7,99 m.

2.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 19, derde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a 1o van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Maaspoort-Oud Empel" (hierna: het geldende bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden" met de nadere aanduiding "vrijstaand".

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder een bijgebouw verstaan een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 3.2.2, onder a, mogen op gronden met deze bestemming, hoofdgebouwen uitsluitend worden opgericht ten dienste van de bestemming, binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken met inachtname van de op de plankaart aangegeven bebouwingstypologieën en bebouwingspercentages.

Ingevolge artikel 3.2.2, onder b, aanhef en onderdeel 1, mogen de afstanden tot de zijdelingse perceelgrenzen voor vrijstaande woningen met de aanduiding 'W(v) vrijstaand' aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 meter.

Ingevolge artkel 3.2.2, onder d, aanhef en onderdeel 1, dient de dakvorm zoals aangeduid op de plankaart te worden aangehouden. Indien geen dakvorm is aangeduid op de plankaart, mag een tweezijdige of meerzijdige kap worden gebouwd, met dien verstande dat de hoogte van de kap niet meer mag bedragen van 5 meter.

Ingevolge artikel 3.2.4, onder a, aanhef, mogen op het erf bouwwerken geen gebouwen zijnde en bijgebouwen in de vorm van aan- of uitbouwen van het hoofdgebouw of in de vorm van vrijstaande bijgebouwen worden opgericht, ten dienste van de bestemming. Aan- en bijgebouwen zijn tevens mogelijk binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken. De bepalingen voor de hoofdbebouwing zijn daarbij tevens op de aan- en bijgebouwen van toepassing. Daarbij dienen, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

1. Met uitzondering van het onder a.2 bepaalde mag uitsluitend worden gebouwd achter het hoofdgebouw op het desbetreffende bouwperceel, alsook naast het hoofdgebouw mits minimaal 3 meter achter de voorgevel;

(…)

6. met inachtneming van het bepaalde onder a.1 mag het gezamenlijk grondoppervlak van de bebouwing niet meer bedragen dan 50 m2;

(…)

8. de hoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;

9. indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3 meter, de hoogte niet meer dan 4,5 meter en de dakhelling niet meer dan 50o ten opzichte van het horizontale vlak.

2.4. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met artikel 3.2.2, onder a, onder b, aanhef en onderdeel 1, en onder d, aanhef en onderdeel 1 van de planvoorschriften. Krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in verband met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a 1o van het Bro 1985 heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot vrijstelling van het bestemmingsplan. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met artikel 3.2.4, onder a.1, van de planvoorschriften. Ten onrechte heeft de rechtbank in dit verband slechts de verhoging van de bestaande bebouwing in aanmerking genomen, aldus [appellant]. Verder betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij zijn beslissing vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, mocht uitgaan van het thematische bestemmingsplan "Erfbebouwingsregeling", op grond waarvan bouwen tot op de perceelgrens is toegestaan. Tot slot voert [appellant] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat realisering van het bouwplan voor hem onevenredige hinder door verminderde lichtinval met zich zal brengen, hetgeen blijkt uit het door het college overgelegde bezonningsdiagram.

2.5.1. De raad van de gemeente 's-Hertogenbosch heeft bij besluit van 27 mei 1999 het zogeheten thematische bestemmingsplan "Erfbebouwingsregeling" vastgesteld. Dit bestemmingsplan en alle na dit bestemmingsplan vastgestelde erfbebouwingsregelingen in bestemmingsplannen voorzien in bebouwing van bijgebouwen op de erfgrens. Per abuis is bij het opstellen van het geldende bestemmingsplan deze bepaling niet opgenomen, aldus het college. Bij de eerstvolgende planaanpassing zal deze onjuistheid worden hersteld.

2.5.2. Het college heeft ter zitting verklaard dat het in verband met de te verlenen vrijstelling van het bestemmingsplan het thematische bestemmingsplan heeft toegepast teneinde inzichtelijk te maken wat de ruimtelijke mogelijkheden zouden zijn wanneer dit thematische bestemmingsplan ter plaatse geldend was geweest. Vervolgens is het bouwplan afgezet tegen deze mogelijkheden. Desgevraagd heeft het college ter zitting tevens verklaard dat het zich ten tijde van het besluit van 1 april 2008 geen oordeel had gevormd of het bouwplan, voor zover het de uitbreiding aan de linkerzijde van de woning betreft, als een bijgebouw dan wel als een uitbreiding van het hoofdgebouw zou moeten worden gekwalificeerd. Nu het thematische bestemmingsplan ziet op bijgebouwen en niet op de uitbreiding van hoofdgebouwen, overweegt de Afdeling dat het college in het besluit van 1 april 2008 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de bebouwing die volgens het thematische bestemmingsplan mogelijk was geweest, aan zijn besluit vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, ten grondslag kon leggen, te meer daar het college ter zitting te kennen heeft gegeven de uitbreiding van de woning als een uitbreiding van het hoofdgebouw te beschouwen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de voorgenomen uitbreiding van de woning geen geringe afwijking van het bestemmingsplan met zich brengt, nu het bouwplan, gelet op de overschrijdingen van het bouwvlak, de afstand tot de zijdelingse perceelgrens en de maximaal toegestane kaphoogte, met artikel 3.2.2, onder a, onder b, aanhef en onderdeel 1 en onder d, aanhef en onderdeel 1 van het bestemmingsplan in strijd is. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 1 april 2008 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 juli 2009 in zaak nr. 08/1639;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 1 april 2008, kenmerk SO/JUR 14585 p.v.: 70257;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010

357-619.