Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1038

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
200905006/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2009, kenmerk 2009/9956, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beesel bij besluit van 15 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerreinen".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905006/1/R2.

Datum uitspraak: 14 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2009, kenmerk 2009/9956, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beesel bij besluit van 15 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerreinen".

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 10 juli 2009, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2009, en [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 18 augustus 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2010, waar [appellant sub 1], bijgestaan door prof. mr. A.Q.C. Tak, werkzaam bij BJA legal opinion B.V., [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. J. Wildschut, en ing. E. Koning, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.H.M. Vorstermans, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. A.G.J. van Loon, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Met het plan wordt beoogd de juridisch-planologische regeling die geldt voor de bedrijventerreinen Roversheide, Molenveld en Maasveld te actualiseren. De bedrijventerreinen Roversheide en Molenveld zijn respectievelijk in de kern en ten noorden van de kern van Reuver gelegen. Bedrijventerrein Maasveld is gelegen ten noorden van de kern van Beesel.

2.3. [appellant sub 1] voert aan dat de brief van het college van burgemeester en wethouders van Beesel van 30 maart 2009 waarin wordt gereageerd op de ingebrachte bedenkingen bij het college niet aan hem is toegezonden. Naar zijn stellen is hij hierdoor in zijn processuele belangen geschaad, temeer nu hij niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Met name is door deze gang van zaken onvoldoende belicht dat de raad op 16 februari 2009 heeft besloten op het perceel alsnog een bedrijfswoning toe te staan, waarvoor hij van meet af aan gepleit heeft.

2.3.1. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het college, evenals de raad ten tijde van het vaststellingsbesluit, als uitgangspunt heeft genomen dat het bestaande gebruik van het pand op het perceel [locatie 1] niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan viel en dat met het opnemen van een aanduiding op de plankaart voor een bedrijfswoning de vestiging van een nieuwe bedrijfswoning mogelijk wordt gemaakt.

In de ingebrachte bedenkingen heeft [appellant sub 1] te kennen gegeven dat de raad relevante feiten en omstandigheden rondom de bewoning van het pand niet heeft meegenomen in zijn afweging en dat hij in een brief van 24 oktober 2008 de raad hiervan op de hoogte heeft gesteld. In de schriftelijke reactie van het college van burgemeester en wethouders van 30 maart 2009 op de bedenkingen staat dat voornoemde brief tot een initiatiefvoorstel van een viertal raadsfracties heeft geleid naar aanleiding waarvan op 16 februari 2009 het raadsbesluit is genomen om het gebruik van het pand als bedrijfswoning alsnog te zijner tijd toe te gaan staan. Blijkens het initiatiefvoorstel heeft de raad hierbij overwogen dat relevante feiten en omstandigheden ten tijde van het vaststellingsbesluit rondom de bewoning van het pand onjuist zijn vastgesteld. Voorts is volgens de raad sprake van een bestaand gebruik dat reeds voorafgaand aan het vorige bestemmingsplan is aangevangen en dat positief bestemd had moeten worden.

Naar het oordeel van de Afdeling had het college in de omstandigheid dat de nieuw gebleken feiten en omstandigheden de raad tot een ander inzicht hebben gebracht, aanleiding behoren te zien te twijfelen aan de juistheid van hetgeen rondom de bewoning van het pand ten tijde van het vaststellingsbesluit als uitgangspunt is genomen en had het op de weg van het college behoren te liggen om [appellant sub 1] in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te brengen.

Gelet hierop heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat in dit geval geen sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het aanleiding had moeten zien om [appellant sub 1] uit zorgvuldigheidsoverwegingen te horen.

2.3.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijven B(2-3)" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 1], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Gelet op het voorgaande behoeven de gronden van [appellant sub 1] voor het overige geen verdere bespreking.

2.4. [appellante sub 3] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven (2-3)" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 2]. Daartoe voert zij in de eerste plaats aan dat ten onrechte niet zeker is gesteld dat het in artikel 3, vierde lid, onder e, sub 1, van de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod voor opslagdoeleinden dat geldt ten aanzien van de aan de openbare weg liggende gronden niet van toepassing is op haar perceelsgedeelte dat ligt binnen het bebouwingsvlak. In dit verband voert zij aan dat de redactie van dit voorschrift niet uitsluit dat het huidige gebruik van die gronden voor opslag aan de openbare weg verboden is.

2.4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden de gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming(en).

Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder e, sub 1, wordt, voor zover hier van belang, onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 15, eerste lid, ten minste verstaan: het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak en aan de openbare weg ten behoeve van opslag, met uitzondering van de gronden die op de plankaart aangeduid zijn met 'opslag toegestaan'.

2.4.1.1. De Afdeling overweegt dat, zoals het college in navolging van de raad heeft betoogd, een juiste uitleg van artikel 3, vierde lid, onder e, sub 1, van de planvoorschriften met zich brengt dat het gebruik van gronden voor opslag die binnen een bouwvlak zijn gelegen is toegestaan. In zoverre ontbreekt aan het betoog van [appellante sub 3] feitelijke grondslag.

2.4.2. [appellante sub 3] betoogt voorts dat haar bedrijfskavel [locatie 2] met een oppervlakte van 17.480 m² ten onrechte niet positief is bestemd nu ten aanzien van de op dat perceel rustende bestemming "Bedrijven (2-3)" is vastgelegd dat bedrijfskavels met een bedrijfsvloeroppervlakte van meer dan 7.500 m² per bouwperceel niet zijn toegestaan. [appellante sub 3] voert daarbij aan dat deze kaveloppervlakte niet strijdig is met het vorige bestemmingsplan.

2.4.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de bedrijfskavel van [appellante sub 3] op het perceel [locatie 2], voor zover deze een bedrijfsvloeroppervlakte heeft van meer dan 7.500 m², onder het overgangsrecht is en mocht worden gebracht.

2.4.2.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder i, van de planvoorschriften zijn op de gronden die op de plankaart aangewezen zijn als "Bedrijven B(2-3)", uitsluitend ten behoeve van de in het eerste lid van dit artikel genoemde doeleinden, bedrijfskavels met een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 7.500 m² per bouwperceel toegelaten.

Ingevolge artikel 1, onder 16, wordt onder bruto-vloeroppervlakte/bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) verstaan: de totale overdekte vloeroppervlakte van een bedrijfsvestiging met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige ruimten.

2.4.2.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad met artikel 3, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften heeft beoogd enkel bedrijven met een kaveloppervlakte van maximaal 7.500 m² toe te laten op plandelen die aangewezen zijn als "Bedrijventerrein (2-3)".

De Afdeling overweegt in dit verband dat het college met de raad in redelijkheid een bedrijfskaveloppervlakte van maximaal 7.500 m² voldoende heeft kunnen achten voor bedrijven die zijn toegestaan binnen voornoemde plandelen. Daarbij acht zij van belang dat deze gronden bestemd zijn voor bedrijven die behoren tot categorie 2 en 3 en dat het standpunt van het college dat uit stedenbouwkundige overwegingen geen grotere bedrijfskavels zijn gewenst op niet-regionale bedrijventerreinen als de onderhavige niet onaanvaardbaar is te achten.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college echter miskend dat artikel 3, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften geen betrekking heeft op bedrijfskaveloppervlakten, maar op bedrijfsvloeroppervlakten. Gelet hierop is dit onderdeel van het plan rechtsonzeker.

2.4.2.4. Overigens wijst de Afdeling er op dat bestaand legaal gebruik in het algemeen dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt. Dat het college zich in dit verband van de belangen van [appellante sub 3] rekenschap heeft gegeven is niet gebleken, net zo min als gebleken is dat binnen de planperiode een einde komt aan het bestaande gebruik van de bedrijfskaveloppervlakte, voor zover die groter is dan 7.500 m².

2.4.3. [appellante sub 3] betoogt verder dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de planologische regeling van het perceel [locatie 2] nu de bestaande bouwhoogte en de afstand van de gevels van haar pand tot de perceelsgrenzen niet zijn overgenomen in het plan. Met het ten aanzien van bestaande afwijkingen geldende artikel 3, derde lid, onder g, van de planvoorschriften is naar haar mening niet gewaarborgd dat de bouwvoorschriften van het plan niet van toepassing zijn op eventuele nieuwe bouwplannen voor de bestaande bebouwing.

2.4.3.1. Het college stelt zich net als de raad op het standpunt dat bestaande bedrijfsgebouwen, gelet op artikel 3, derde lid, onder g, van de planvoorschriften positief zijn bestemd, nu de strekking van deze bepaling is dat bestaande, van het plan afwijkende, bebouwing mag worden vervangen door een op dezelfde plaats te situeren gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, van dezelfde afmetingen.

2.4.3.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, onder a, aanhef en sub 3, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van gebouwen dat de afstand tot enige perceelsgrens ten minste drie meter dient te bedragen.

Ingevolge artikel 3, derde lid, onder g, voor zover hier van belang, is het in dit lid bepaalde niet van toepassing op gebouwen, alsmede aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen bouwwerken zijnde die ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan reeds afwijken van het bepaalde in het ontwerpplan.

2.4.3.3. Anders dan het college kennelijk meent, ziet artikel 3, derde lid, onder g, van de planvoorschriften niet op de situatie waarin een bestaand bedrijfsgebouw geheel wordt vernieuwd. Dit betekent dat op de vernieuwing van een bestaand bedrijfsgebouw de bouwvoorschriften in het plan van toepassing zijn. Het college is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.

2.4.4. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Bedrijven (2-3)" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 2] is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en een goede ruimtelijke ordening. Door het plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

2.5. [appellante sub 2] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven B(2-3)" dat betrekking heeft op de percelen [locatie 3] en [locatie 4]. Zij betoogt dat haar bedrijfskavels [locatie 3] en [locatie 4] met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 10.000 m² ten onrechte niet positief zijn bestemd. In dit verband wijst zij erop dat in de toekomst voornoemde bedrijfskavels uit bedrijfseconomische noodzaak moeten kunnen worden samengevoegd.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bedrijfskavels met een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 7.500 m² voldoende is voor bedrijven die behoren tot categorie 2 en 3. Voorts stelt het college dat grotere bedrijfskavels uit stedenbouwkundige overwegingen niet wenselijk worden geacht.

2.5.2. Zoals onder 2.4.2.3. is overwogen heeft het college miskend dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder i, van de planvoorschriften geen betrekking heeft op bedrijfskaveloppervlakten, maar op bedrijfsvloeroppervlakten. Gelet hierop is dit onderdeel van het plan rechtsonzeker.

2.5.2.1. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Bedrijven (2-3)" dat betrekking heeft op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

2.6. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 23 juni 2009, kenmerk 2009/9956, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Bedrijven (2-3)", ter plaatse van:

a) het perceel [locatie 1];

b) de percelen [locatie 3] en [locatie 4]; en

b) het perceel [locatie 2];

III. onthoudt goedkeuring aan de plandelen met de bestemming "Bedrijven (2-3)", ter plaatse van:

a) het perceel [locatie 2];

b) de percelen [locatie 3] en [locatie 4];

IV. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft het onder III. genoemde in de plaats treedt van het besluit van 23 juni 2009;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij:

a) [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b) [appellante sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 353,15 (zegge: driehonderddrieënvijftig euro en vijftien cent), waarvan een deel groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan:

a) [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt;

b) [appellante sub 2] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt;

c) [appellante sub 3] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010

45-629.