Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM1008

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
201002508/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft het college aan de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een gascompressorstation met meet- en regelstation, gelegen aan de Provincialeweg N-214 km 3,8 te Wijngaarden, gemeente Graafstroom. Dit besluit is op 1 februari 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002508/2/M1.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], allen wonend te [woonplaats] en de stichting Stichting Behoud Polders Graafstroom, gevestigd te Rotterdam, (hierna: [verzoeker A] en anderen),

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft het college aan de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een gascompressorstation met meet- en regelstation, gelegen aan de Provincialeweg N-214 km 3,8 te Wijngaarden, gemeente Graafstroom. Dit besluit is op 1 februari 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker A] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 26 maart 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2010 hebben [verzoeker A] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Gasunie heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 april 2010, waar [verzoeker A] en anderen, in persoon van [verzoeker A], bijgestaan door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door drs. A.W. Lameijer-Hellendoorn, J. Heckman, ing. R. van Ipperen, drs. ing. M. van Windbergen en ir. J.W. Greevink, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de Gasunie, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Amsterdam, mr. G.H. Hamerlink-Bouwman, D. van den Brand en ing. A.S. Yska, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker A] en anderen hebben geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Naar aanleiding van het advies van de brandweer Zuid-Holland Zuid, uitgebracht overeenkomstig artikel 12, derde lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, is het bestreden besluit gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit. Zo zijn de veiligheidsvoorschriften in paragraaf 6 en paragraaf 7 van de vergunningvoorschriften aangevuld.

De vraag of het beroep van [verzoeker A] en anderen ontvankelijk is nu zij onder meer geen zienswijze naar voren hebben gebracht, vergt nader onderzoek waarvoor onderhavige procedure zich niet leent. De voorzitter ziet evenwel voldoende aanleiding voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. [verzoeker A] en anderen betogen dat het college ten onrechte het advies van de brandweer over het opstellen van een bedrijfsnoodplan niet heeft opgevolgd. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 29 september 2009, in zaak nr. 200905192/2/M1 voeren zij aan dat de omstandigheid dat een bedrijfsnoodplan in het kader van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgesteld moet worden niet betekent dat het opstellen van een bedrijfsnoodplan niet ook op grond van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer voorgeschreven moet worden in de milieuvergunning. Daartoe voeren zij aan dat zij op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet door middel van een handhavingsverzoek kunnen afdwingen dat alsnog een bedrijfsnoodplan wordt opgesteld, aangezien zij geen belanghebbenden zijn in het kader van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het niet nodig is het advies van de brandweer met betrekking tot het bedrijfsnoodplan op te volgen, aangezien het opstellen van een bedrijfsnoodplan reeds is voorgeschreven in artikel 2.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit in samenhang gelezen met artikel 2.0c van de Arbeidsomstandighedenregeling.

2.3.2. De voorzitter merkt op dat een bedrijfsnoodplan naar zijn aard pas van betekenis kan zijn nadat de inrichting is opgericht en in werking is gebracht. Ter zitting is gebleken dat het gascompressorstation eerst vanaf oktober 2011 in werking zal zijn. De voorzitter verwacht dat de Afdeling voor dat moment uitspraak in de bodemprocedure zal hebben gedaan. De voorzitter ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat onverwijlde spoed vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Overigens heeft de Gasunie ter zitting verklaard uiterlijk drie maanden voor het in werking zijn van het gascompressorstation, op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit, een bedrijfsnoodplan te zullen opstellen. Desgevraagd zal de Gasunie dit per brief bevestigen aan [verzoeker A] en anderen.

2.4. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek van [verzoeker A] en anderen om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. de Hek, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. De Hek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

195-590.