Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0723

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
201000617/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / claimakkoord / geplande inbewaringstelling / op achtste dag vlucht aangevraagd / onvoldoende voortvarend

Niet in geschil is dat ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring, ingevolge de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten is ingediend, een claimakkoord voorhanden was en dat de vreemdeling daadwerkelijk kon worden uitgezet.

De staatssecretaris (lees: de minister) heeft in zijn faxbericht van 1 maart 2010 uiteengezet dat op 28 december 2009 de vlucht voor 5 januari 2010 is aangevraagd en dat er niet eerder dan op die dag een mogelijkheid was om de vreemdeling over te dragen. In dat bericht is geen verklaring gegeven voor de omstandigheid dat, terwijl aanvankelijk het voornemen bestond om de vreemdeling op 30 december 2009 over te dragen, de maatregel van bewaring daarom reeds op 21 december 2009 is opgelegd en er vervolgens gedurende zeven dagen geen daadwerkelijke handeling ter voorbereiding van zijn uitzetting is verricht. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden die dit tijdsverloop hebben veroorzaakt. Door eerst op de achtste dag van de bewaring een vlucht voor de vreemdeling aan te vragen, heeft de staatssecretaris in dit geval geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de inbewaringstelling van de vreemdeling van te voren was gepland, hetgeen een bijzondere omstandigheid vormt die ertoe noopt bepaalde handelingen sneller te verrichten of achterwege te laten. Onder deze omstandigheden klaagt de vreemdeling terecht dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en de duur van de vrijheidsontneming niet zo beperkt mogelijk heeft gehouden.

De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000617/1/V3.

Datum uitspraak: 29 maart 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, (hierna: de rechtbank) van 4 januari 2010 in zaak nr. 09/47670 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2009 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 4 januari 2010, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 11 januari 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 januari 2010, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 februari 2010 heeft de Afdeling de staatssecretaris om een nadere toelichting gevraagd. De staatssecretaris (lees: de minister van Justitie; hierna: de minister) heeft bij faxbericht van 1 maart 2010 een nader stuk ingediend. De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan zijn uitzetting heeft gewerkt. Daartoe voert de vreemdeling onder meer aan dat – zakelijk weergegeven – zijn uitzetting niet eerder dan op 5 januari 2010 gepland stond, terwijl hij reeds op 21 december 2009 in bewaring is gesteld.

2.1.1. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) heeft de Vreemdelingendienst Hollands-Midden (hierna: de Vreemdelingendienst) bij brief van 1 december 2009 geïnformeerd dat de vreemdeling in het kader van de Dublinprocedure verwijderbaar is en dat het voornemen bestaat om hem op 30 december 2009 over te dragen aan de Griekse autoriteiten. Daarbij heeft de IND de Vreemdelingendienst verzocht om de vreemdeling in het kader van die overdracht op 22 december 2009 in bewaring te stellen. De vreemdeling is op 21 december 2009 staande gehouden in het terugkeercentrum te Valkenburg, gemeente Katwijk, en vervolgens in bewaring gesteld.

De volgende dag, op 22 december 2009, is de vreemdeling overgeplaatst naar het uitzetcentrum Zestienhoven, alwaar zijn overdrachtsdossier op dezelfde dag is ontvangen. Op 28 december 2009 is voor de vreemdeling een vlucht aangevraagd voor 5 januari 2010. Voorts is op die dag een vertrekgesprek met de vreemdeling gevoerd.

2.1.2. Niet in geschil is dat ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring, ingevolge de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten is ingediend, een claimakkoord voorhanden was en dat de vreemdeling daadwerkelijk kon worden uitgezet.

De staatssecretaris (lees: de minister) heeft in zijn faxbericht van 1 maart 2010 uiteengezet dat op 28 december 2009 de vlucht voor 5 januari 2010 is aangevraagd en dat er niet eerder dan op die dag een mogelijkheid was om de vreemdeling over te dragen. In dat bericht is geen verklaring gegeven voor de omstandigheid dat, terwijl aanvankelijk het voornemen bestond om de vreemdeling op 30 december 2009 over te dragen, de maatregel van bewaring daarom reeds op 21 december 2009 is opgelegd en er vervolgens gedurende zeven dagen geen daadwerkelijke handeling ter voorbereiding van zijn uitzetting is verricht. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden die dit tijdsverloop hebben veroorzaakt. Door eerst op de achtste dag van de bewaring een vlucht voor de vreemdeling aan te vragen, heeft de staatssecretaris in dit geval geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de inbewaringstelling van de vreemdeling van te voren was gepland, hetgeen een bijzondere omstandigheid vormt die ertoe noopt bepaalde handelingen sneller te verrichten of achterwege te laten. Onder deze omstandigheden klaagt de vreemdeling terecht dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en de duur van de vrijheidsontneming niet zo beperkt mogelijk heeft gehouden.

De grief slaagt.

2.2. Hetgeen in grief 1 en voor het overige in grief 2 is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 21 december 2009 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren.

2.4. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Gelet op het hiervoor vermelde gebrek aan voortvarend handelen door de staatssecretaris, moet het ervoor worden gehouden dat de maatregel van meet af aan niet gerechtvaardigd was. De vreemdeling wordt derhalve met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000, een vergoeding toegekend over de periode van 21 december 2009 tot 5 januari 2010, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

2.5. De staatssecretaris, thans de minister, dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 4 januari 2010 in zaak nr. 09/47670;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Van Leeuwen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2010

373-595.

Verzonden: 29 maart 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser