Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0717

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
200907479/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ranov / geen ononderbroken verblijf / asielaanvraag / intentie om zich in het buitenland te vestigen

Gelet op het doel en de strekking van de Regeling, zoals hiervoor in 2.1.1 weergegeven, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris bij de toepassing van de voorwaarde van ononderbroken verblijf ten onrechte betekenis hecht aan de gebleken intentie van de desbetreffende vreemdeling om zich in het buitenland te vestigen.

Nu een asielaanvraag strekt tot verkrijging van bescherming door de autoriteiten van het land waar de asielaanvraag wordt ingediend, ligt hierin de intentie besloten zich te willen vestigen in dat land. In dit geval blijkt uit een inlichtingenformulier van het Bundesamt für die Anerkennung ausländische Flüchtlinge van 8 juli 2004 dat de vreemdeling op 29 november 2001 in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Hieruit volgt dat de vreemdeling na 1 april 2001 aantoonbaar uit Nederland is vertrokken met de intentie zich in Duitsland te vestigen en dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet heeft voldaan aan de in de Regeling gestelde voorwaarde van ononderbroken verblijf in Nederland sinds 1 april 2001.

De grief slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907479/1/V1.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) van 1 september 2009 in zaak nr. 08/28063 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2008 (lees: 2009) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: de Regeling) ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 september 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ontoereikend heeft gemotiveerd dat de omstandigheid dat de vreemdeling een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend tot de conclusie leidt dat de vreemdeling de intentie heeft gehad zich in Duitsland te vestigen en de vreemdeling om die reden geen aanbod op de voet van de Regeling wordt gedaan. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling door een asielaanvraag in Duitsland in te dienen niet heeft voldaan aan de in de Regeling gestelde voorwaarde van ononderbroken verblijf in Nederland sinds 1 april 2001.

2.1.1. De Regeling, zoals neergelegd in het WBV 2007/11, is in werking getreden op 15 juni 2007 en is beëindigd op 1 januari 2009. Volgens de Regeling wordt onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning verleend aan vreemdelingen die onder de Vreemdelingenwet (oud) een asielaanvraag hebben ingediend en nog immer in Nederland zijn. Het doel van de Regeling is om de nalatenschap van de Vreemdelingenwet (oud) snel en adequaat af te wikkelen, waarbij de capaciteit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) zo efficiënt mogelijk wordt ingezet ter voorkoming van overbelasting.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Regeling (Kamerstukken II 2007/08, 31 018) volgt dat ten aanzien van de groep vreemdelingen die voor 1 april 2001 een asielaanvraag hebben ingediend onder de Vreemdelingenwet (oud) diverse problemen zijn ontstaan die samenhingen met de (nood)opvang en het verblijf van die vreemdelingen, en was de druk, zowel in het parlement, als daarbuiten, om in ieder geval met betrekking tot de problemen van die groep tot een regeling te komen, groot.

2.1.2. De Regeling stelt als voorwaarden dat de vreemdeling zijn eerste asielaanvraag vóór 1 april 2001 heeft ingediend, sinds die datum ononderbroken in Nederland heeft verbleven en eventuele lopende toelatingsprocedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsaanvaarding op grond van de Regeling. Bij de voorwaarde dat de vreemdeling ononderbroken in Nederland heeft verbleven is toegelicht dat de verblijfsvergunning op grond van de Regeling niet wordt verleend indien de vreemdeling na 1 april 2001 aantoonbaar is vertrokken uit Nederland. Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan onder andere blijken uit een claim ten aanzien van de vreemdeling van een andere lidstaat van de Europese Unie op Nederland. Voorts kan vertrek blijken uit een gecontroleerd vertrek (zoals uitzetting of een door de Internationale Organisatie voor Migratie gefaciliteerd vertrek, een Dublinoverdracht, of anderszins). Voorts blijkt uit een door de staatssecretaris gegeven nadere toelichting op de Regeling dat bij een verblijf in het buitenland rekening zal worden gehouden met de intentie van een vreemdeling om naar het buitenland te reizen. Bij een kortstondig verblijf in het buitenland wordt, zonder nadere indicatie in het dossier van de IND omtrent de beweegredenen, aangenomen dat een vreemdeling niet de intentie had zich in het buitenland te vestigen. Bij een verblijf van langer dan twee weken in het buitenland wordt aangenomen dat de vreemdeling wel de intentie had om zich in het buitenland te vestigen. (Kamerstukken II 2007/08, 31 018, nr. 41, p. 7).

2.1.3. In een door de rechtbank bij de toetsing van het besluit van 16 februari 2009 betrokken brief van 27 juni 2008 van de staatssecretaris aan Vluchtelingenwerk Nederland is informatie verschaft over de toepassing van de voorwaarde van ononderbroken verblijf bij de uitvoering van de Regeling. In deze brief staat, voor zover thans van belang, dat in zaken waarin bekend is dat de desbetreffende vreemdeling in het buitenland heeft verbleven, maar geen Dublinclaim op Nederland is gelegd, steeds wordt bezien of de vreemdeling de intentie had zich elders te vestigen, waarbij ook de duur van het verblijf in het buitenland een rol speelt. Gedurende de uitvoering van de Regeling is zoveel mogelijk het uitgangspunt gehanteerd dat in het geval van kortstondig verblijf buiten Nederland, zonder nadere indicatie in het dossier van de IND omtrent de beweegredenen, wordt aangenomen dat de vreemdeling niet de intentie had zich in het buitenland te vestigen. In gevallen waarin het verblijf buiten Nederland langer dan twee weken heeft geduurd wordt aangenomen dat de vreemdeling de intentie had om zich in het buitenland te vestigen.

2.2. Gelet op het doel en de strekking van de Regeling, zoals hiervoor in 2.1.1 weergegeven, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris bij de toepassing van de voorwaarde van ononderbroken verblijf ten onrechte betekenis hecht aan de gebleken intentie van de desbetreffende vreemdeling om zich in het buitenland te vestigen.

2.3. Nu een asielaanvraag strekt tot verkrijging van bescherming door de autoriteiten van het land waar de asielaanvraag wordt ingediend, ligt hierin de intentie besloten zich te willen vestigen in dat land. In dit geval blijkt uit een inlichtingenformulier van het Bundesamt für die Anerkennung ausländische Flüchtlinge van 8 juli 2004 dat de vreemdeling op 29 november 2001 in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Hieruit volgt dat de vreemdeling na 1 april 2001 aantoonbaar uit Nederland is vertrokken met de intentie zich in Duitsland te vestigen en dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet heeft voldaan aan de in de Regeling gestelde voorwaarde van ononderbroken verblijf in Nederland sinds 1 april 2001.

De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De overige grieven behoeven geen bespreking. De uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 16 februari 2009 toetsen in het licht van de daartegen bij de rechtbank aangedragen beroepsgronden, voor zover die na het voorgaande nog bespreking behoeven.

2.5. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

2.6. De staatssecretaris heeft zich in dit verband ten aanzien van de door de vreemdeling genoemde gevallen gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat, samengevat weergegeven, in geen van die gevallen aan de desbetreffende vreemdeling, in weerwil van een in het buitenland ingediende asielaanvraag, een aanbod is gedaan. Met betrekking tot het door de vreemdeling genoemde geval met dossiernr. 9807.03.2024 heeft de staatssecretaris zich voorts onweersproken op het standpunt gesteld dat dat geval een ambtelijke misslag is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 oktober 2007 in zaak nr. 200704249/1; www.raadvanstate.nl) strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat een bestuursorgaan op grond daarvan tot herhaalde met het beleid strijdige beleidstoepassing gehouden is.

Voor zover de vreemdeling in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verwezen naar uitspraken van de voorzieningenrechter kan dit beroep niet slagen, reeds omdat deze uitspraken een voorlopig oordeel bevatten en de vreemdeling voorts niet heeft aangetoond dat in die zaken alsnog een aanbod is gedaan op de voet van de Regeling.

Het betoog faalt.

2.7. De vreemdeling betoogt voorts dat de staatssecretaris ten onrechte van het horen heeft afgezien, alvorens een besluit te nemen op het door hem gemaakte bezwaar.

2.7.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet konden leiden tot het oordeel dat ten onrechte niet ambtshalve een aanbod is gedaan.

2.7.2. Uit de op de vreemdeling betrekking hebbende minuut blijkt dat de reden voor het niet ambtshalve doen van een aanbod mede is gelegen in zijn asielaanvraag in Duitsland op 29 november 2001. In bezwaar heeft de vreemdeling niet bestreden dat hij in Duitsland asiel heeft aangevraagd en daardoor zijn verblijf in Nederland heeft onderbroken. Gelet hierop heeft de staatssecretaris terecht met toepassing van voormelde bepaling van het horen afgezien.

Dit betoog faalt evenzeer.

2.8. Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 16 februari 2009 is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gericht tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 1 september 2009 in zaak nr. 08/28063 gegrond;

II. vernietigt die uitspraak;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt Schouten en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Beerse

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

382-610.

Verzonden: 31 maart 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser